Turkse kwestie gaat Europa nog opbreken

Het Europese voorzitterschap zit er weer op, en Den Haag blikte in grote tevredenheid op het afgelopen half jaar terug....

Ook van delen van de pers heeft zich een merkwaardige euforie meester gemaakt, die eerdere kritiek heeft doen verstommen, niet in het minst op het lethargische crisismanagement in de kwestie-Buttiglione. Toen deze in het Europarlement sneuvelde, verklaarde de regering bij monde van staatssecretaris Nicolaïde situatie te begrijpen. Dat is al heel wat, want begrijpt het kabinet eigenlijk wel de situatie inzake Turkije? Zo ja, dan spreekt zij een onwaarheid door van een groot succes te reppen. Zo nee, dan is dat nog bedenkelijker.

Het akkoord met Turkije is een Pyrrhus-overwinning. Zij staat meer dan wat ook symbool voor de anders zo veelbejammerde kloof tussen de bevolking en een bureaucratisch-politieke elite, die haar eigen zin doordrijft en alle tegengeluiden buiten de orde verklaart. Bezwaren worden genegeerd of met de mantra van 'beter uitleggen' bezworen.

De eventuele sociaal-culturele en sociaal-economische prijs wordt immers niet in de diplomatenwijken, maar in de Schilderswijken betaald: de uitkleding van de verzorgingsstaat met een beroep op de globalisering, en multiculturele spanningen als gevolg van immigratie. De natiebrede hysterie na een enkele moord op een cineast-columnist zou in dit opzicht een waarschuwing moeten zijn. De politieke prijs wordt uiteindelijk door heel Europa betaald, in de vorm van interne instabiliteit door de opkomst van rechts-populistische partijen, en van externe verlamming door een onbeheersbare omvang en te grote diversiteit. Turkije gaat immers voor de hoofdprijs – het grootste land van de Unie – en gedraagt zich alsof het die al is.

Een voorproefje daarvan hebben we al gehad: de kwestie-Cyprus. Slechts door het cruciale besluit – formele erkenning – uit te stellen, kon een breuk die de Nederlandse triomf in zijn tegendeel zou doen verkeren, worden voorkomen. De regeringsleiders waren echter nog niet thuis, of de interpretatie liep al volledig uiteen. Uiteraard zal Turkije Cyprus voor oktober de facto erkennen, verzekerde de Nederlandse premier zijn gehoor. Daar kan uiteraard geen sprake van zijn, zo verzekerde de Turkse premier zijn gehoor. Alleen is dat nu een probleem voor de Britten. Het 'succes', waarop Den Haag nu prat gaat, is daarmee uitstel van executie.

Hier wreken zich drie dingen. Allereerst het kortetermijndenken, als zodanig inherent aan een democratie met z'n vierjaarlijkse electorale cyclus, maar in Brussel versterkt door de kortstondigheid van het voorzitterschap: doorschuiven van problemen als hoogste politieke wijsheid. Wie daarentegen twintig jaar verantwoordelijk blijft, kan dat niet, want die krijgt ze na een tijdje onherroepelijk weer op zijn bord.

Factor twee vormt de betoonde gretigheid. Waar Nederland het slagen van zijn voorzitterschap openlijk liet afhangen van een akkoord met Ankara, wist Erdogan dat hij zijn poot stijf kon houden. En inderdaad: zodra hij dreigde te vertrekken, gingen Bot en Balkenende door de knieën. Het blijft in dit licht een raadsel hoe men hen om het onderhandelingsresultaat kan prijzen. Miserabeler onderals handelaars heeft de wereld zelden gezien.

Dit staat niet los van factor drie: het tunneldenken van alle betrokkenen. Men wil geen alternatieven zien, en zij die die wel zagen – zoals Bolkestein en Fischler – ontbeerden de moed de consensus te doorbreken, maar kwamen pas bij hun vertrek met kritiek. Zo zal het steeds gaan. CDA-fractiewoordvoerder Jan Jacob van Dijk gaf ondanks al zijn zeer gegronde bezwaren tegen de toetreding van Roemenië in 2007 zijn fiat: hij wilde, zeker bij een bevriend kabinet, geen suïcidaal spelbreker zijn. Het is dan ook een illusie te denken dat enige regeringsfractie dat over twintig jaar bij een akkoord met Turkije wel zal durven.

Als het al tot zo'n akkoord komt, want er bestaat een grote kans dat het voortijdig knalt, en dat is de kern van de huidige Pyrrhusoverwinning. Als de verschillen met Turkije straks toch te groot blijken, gebeurt juist, waarvoor alle tegenstanders van toetreding hebben gewaarschuwd: dat door de alsdan mislukte uitbreidingspoging de relatie met Ankara slechter wordt dan wanneer men er nooit aan was begonnen.

De voorstanders betogen dat de uitbreiding moet lukken, omdat Turkije zich anders van Europa afkeert. Maar hebben zij wel nagedacht over het risico dat het mislukt doordat men te fanatiek op succes inzet en daardoor te hoge verwachtingen schept? Juist omgeldt dat het 'niet mag mislukken', kan de geforceerde krampachtigheid waarmee men resultaat wil boeken tot een totale vertroebeling van de verhoudingen leiden – Clintons averechtse laatste poging een akkoord tussen Arafat en Israël van de grond te krijgen, vormt een alarmerende parallel.

Uit een en ander spreekt een totaal gebrek aan intellectueel vermogen bij de huidige Europese politici in nieuwe concepten te denken. Om conflicten op de korte termijn te vermijden, sjokt men op de gebaande paden voort, met toetreding tot de Unie als panacee voor alle problemen waar Brussel bij de buurlanden op stuit. Na ons de zondvloed.

Ieder die echter even nadenkt weet dat de huidige Unie toetreding van landen als Turkije, Roemenië, Bulgarije en straks ook Oekraïne en de overige Balkan niet aankan – en evenmin binnen een decennium. Daarvoor zijn de verschillen in economisch en mentaal opzicht ook op de lange termijn veel te groot.

Zij gaan niet terug op het IJzeren Gordijn van 1945, maar op het kerkelijke schisma van 1054, dat in feite nog veel oudere wortels had, tot in de late Oudheid, toen de basis voor het ontstaan van twee Europa's werd gelegd: het Latijns-christelijke en het Grieksorthodoxe. Een werkbare overbrugging van die scheidslijn is niet een zaak van een paar jaar, maar tenminste van generaties. De machtswisselingen in Boekarest en Kiev in 1989 waren niet het werk van dissidente burgerbewegingen, maar het product van een halfslachtige paleisrevolutie. Ook de recente omwenteling in Oekraine vormt slechts een zeer bescheiden stap in de richting van de westerse democratie. Joesjenko maakte jarenlang deel van dezelfde nomenclatoera die hij nu verbaal bestrijdt.

Niemand zal het belang van de (Zuid-)oosteuropese landen voor ons ontkennen, maar voor dit 'tweede Europa' aan gene zijde van de Latijns-Griekse cultuurgrens zal naar andere oplossingen dan een 'gewoon' lidmaatschap gezocht moeten worden, wil de Europese Unie niet in haar eigen ambities vastlopen. Niet voor niets zijn de Britse Conservatieven zo voor grenzeloze uitbreiding geporteerd, onder het motto: hoe meer zielen, hoe minder vreugd.

Met andere woorden: men moet bewust durven kiezen voor de opzet van Europa als een klassiek 'rijk', zoals het oude Romeinse Rijk: samen achter de Limes, maar politiek op geheel diverse basis. Een rijk met een hechte kern die nauw samenwerkt, grofweg gevormd door de landen bewesten St. Petersburg en de Karpaten, en een veel losser geassocieerde ring van staten uit dat tweede Europa eromheen. Want het is een illusie om te denken dat men Oekraïne buiten kan houden nadat men Turkije binnen heeft gelaten: de aanhang van Joesjenko rekent daar al op. En uit Kiev zal Brussel straks hetzelfde dreigement vernemen als nu uit Ankara: een afwijzing 'speelt de niet-westerse krachten in de kaart'.

De Europese samenwerking strekt zich grofweg over vier terreinen uit: veiligheid, markt, buitenlands beleid en rechtssysteem. Daarop dient men de opzet van Europa af te stemmen. Samen in een defensief militair bondgenootschap als de NAVO is geen wezenlijk probleem. Eén markt is op termijn denkbaar, mits de landen ginds voldoende vorderingen op het gebied van corruptiebestrijding maken, en het welvaartsverschil fors is gereduceerd.

Bij een gemeenschappelijk buitenlands beleid ligt dat al veel moeilijker: grote landen aan de rand als Turkije en Oekraïne hebben hun eigen geostrategische belangen, die vaak haaks op die van het overige Europa staan. Wil Brussel tot een krachtige mondiale koers komen – ook ter correctie op Washington – dan kan dat niet met gelijk stemrecht van hen. En voor rechtsopvattingen geldt dat zij het sterkst cultureel gebonden zijn, en dus bij afwijkingen het snelst tot hevige maatschappelijke conflicten leiden.

Een open samenleving vergt gesloten grenzen. Deze oude sociologische wetmatigheid dreigt Brussel met zijn megalomane expansiezucht uit het oog te verliezen. Het behoud van de tolerantie ten opzichte van het vreemde vergt de innerlijke zekerheid bij de autochtone meerderheid dat haar nooit normen en waarden van elders kunnen worden opgelegd.

Wie dit basale gegeven negeert en volkeren die niet tot de Latijnse cultuurkring behoren over onze wetgeving laat meebeslissen, vervreemdt de eigen bevolking van Europa en blaast daarmee uiteindelijk de Europese Unie op.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden