Achtergrond Extremisme Tunesië

Tunesië nog lang niet uit de gevarenzone: extremisme blijft de sociale vrede bedreigen

Aanslagen op toeristenoorden zijn er al drie jaar niet geweest, maar nog geregeld herinneren acties van extremisten in de grensgebieden van Tunesië eraan dat het land nog lang niet uit de gevarenzone is. Economische achterstelling en werkloosheid blijven de voedingsbodem voor een onvrede die een gewelddadige uitweg kan zoeken. Eerder deze maand werden in het noordwesten zes soldaten van de nationale garde nabij de grens met Algerije gedood door een gewapende groep.

Demonstranten in de hoofdstad Tunis, februari 2011, kort na het vertrek van dictator Zine el Abidine Ben Ali. Foto AFP

Een ‘revolutionair project’ voor meer rechten en vrijheden: in Tunesië staan de laatste restjes sharia op verdwijnen

De Tunesische president Béji Saïd Essebsi wil graag de geschiedenis ingaan als grote hervormer. Zodoende komt een speciale commissie met verstrekkende emancipatie-voorstellen.

Het zijn de twee gezichten van Tunesië. Enerzijds is Tunesië het enige Arabische land dat met succes een democratische omwenteling doormaakte. Anderzijds is Tunesië een land met een nog altijd stagnerende economie – een van de belangrijkste oorzaken van de volksopstand die in 2011 een einde maakte aan de dictatuur.

De vrees van sommigen dat die opstand zou uitmonden in een opmars van het radicalisme is niet bewaarheid. Maar venijnig kunnen de extremisten wel zijn. In 2015 zakte het toerisme dramatisch in na twee grote aanslagen – op een strandhotel en op een museum – waarbij 59 buitenlanders omkwamen.

De toeristensector lijkt op te krabbelen. In de eerste helft van dit jaar was de groei aan inkomsten 40 procent, vergeleken met dezelfde periode vorig jaar. Het ziet ernaar uit dat 8 miljoen buitenlanders Tunesië dit seizoen zullen bezoeken. Dat is zelfs meer dan de 7,1 miljoen in het jaar vóór de aanslagen. Een nieuwe aanslag op toeristen kan dit succes weer tenietdoen.

De aanval van begin juli is echter van een andere orde. Het geweld in het noordwesten is volgens een recent rapport van de Carnegie Endowment geen onderdeel van een terroristische campagne, maar van een ‘opstand’, een langslepend conflict dat als een veenbrand voortwoekert.

Twee groepen zijn actief: de Katiba Uqbaa bin Nafi, dat banden heeft met Al Qaida, en de met IS verbonden afsplitsing Jund al-Kilafah Tunisia(JAK-T). De recente aanslag, in de regio Jendouba, werd gepleegd door Katiba.

Uitvaart van een van de zes leden van de Nationale Garde die op 9 juli omkwamen bij een aanval van militanten in het gouvernoraat Jendouba. Foto Getty Images

'Beperkte aanhang'

Onderzoeker Matt Herbert benadrukt dat het gevaar niet overdreven moet worden. De twee groepen hebben weinig succes gehad met het ondermijnen van de Tunesische staat. Ze blijven tamelijk klein. Katiba begon in 2012 met veertig strijders en heeft er nu misschien vier keer zoveel. JAT-K is ongeveer even groot. De aanhang onder de bevolking is ‘beperkt’. De groepen zijn niet eens in staat een klein dorp in te nemen en vast te houden, ‘laat staan een bevolkingsrijk gebied’.

De groepen gebruiken voornamelijk geweld tegen de veiligheidstroepen, niet tegen burgers, laat staan toeristen. Leger en politie zijn steeds vaardiger geworden in het bestrijden van de extremisten. Het aantal aanslagen (en het aantal doden onder de veiligheids-troepen) is de afgelopen twee jaar afgenomen.

Onveranderde maatschappelijke voedingsbodem

Maar hoewel Katiba en JAT-K niet aan de winnende hand zijn, ‘verliezen doen ze evenmin’. Mogelijk grijpen de extremisten de gevechtsluwte aan om op krachten te komen, nadat veel van hun leiders zijn uitgeschakeld. De helft van de nieuwe aanwas komt uit andere landen in Noordwest-Afrika. Ook keren Tunesische strijders terug uit Syrië.

Belangrijker echter is dat de maatschappelijke voedingsbodem onveranderd is. Daarom, stelt Herbert, schiet de militaire aanpak tekort. De extremisten kunnen economische tegenslag gebruiken om de sociale onvrede te kanaliseren in hun richting. Overigens niet zozeer met een ideologische verlokking. De meeste militanten, aldus het rapport, sluiten zich vooral aan omdat ze goed worden betaald.

Welvaart en economische activiteit in Tunesië zijn altijd geconcentreerd geweest in de kuststeden. De afgelegen regio’s zien het allemaal aan hun neus voorbijgaan. De volksopstand van 2011 begon niet voor niets in het noordwestelijke Sidi Bouzid. ‘De hoop uit 2011 heeft plaatsgemaakt voor vermoeidheid en frustratie.’

De lage opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen van mei (33,7 procent) was een veeg teken. ‘Als de nieuwe gemeenteraden niet in staat zijn tegemoet te komen aan de lokale noden, kan de desillusie onder de burgers verergeren’, aldus Herbert. Dit kan een ‘gevaarlijke opening bieden voor rekrutering van militanten’.

Jong Tunesië snakt naar nieuwe Lente, Europa is de nooduitgang

Jongeren in de stad Kasserine, in het achtergestelde noordwesten van Tunesië, vervelen zich suf. 'Café-domir, café-dormir', zo omschrijven zij hun leven. Af en toe ontlaadt de onvrede zich in demonstraties, zoals in januari 2016. De Volkskrant was ter plekke. 

Politieke stagnatie

De echte oplossing moet echter uit de hoofdstad Tunis komen, en daar heerst politieke stagnatie. De regering van premier Youssef Chaded is zo goed als verlamd. De buitenlandse investeerders waar het land zo’n behoefte aan heeft, blijven huiverig zolang er geen duidelijkheid is over de economische hervormingen. Ook Wereldbank en IMF, die Tunesië fors steunen, wachten daar met smart op.

Een belangrijke aanzet daarvoor staat in het plan Carthago 2, dat onlangs is opgesteld door een commissie met experts van vakbeweging, werkgevers en politieke partijen plus onafhankelijke deskundigen. Maar ook Carthago 2 stagneert. De commissieleden zijn het eens over alle 68 aanbevelingen, op één na. De vakbond UGGT eist het vertrek van premier Chahed, die te veel achter het IMF zou aanlopen.

Die impasse verlamt politiek Tunesië. Het merkwaardige is dat Chahed ook de steun van zijn eigen partij Nidaa Tounes verloren lijkt te hebben. Alleen de gematigd islamistische partij Ennahda, coalitiepartner van Nidaa Tounes, steunt hem nog. President Béji Said Essebsi (Nidaa) houdt Chahed vooralsnog de hand boven het hoofd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.