Tsjaikovski en de zakkenwassers

Aanzienlijke delen uit Tsjaikovski's werken voor piano en orkest kennen we alleen in verminkte versies, door toenmalige 'vrienden' onherstelbaar 'verbeterd'....

DAT JE HET van je vrienden niet altijd moet hebben, mag blijken uit de lotgevallen van de werken voor piano en orkest van Pjotr Iljitsj Tsjaikovski. Bekend is het verhaal van die decemberavond in 1874, toen Tsjaikovski, hopend op een paar goede adviezen, zijn pianoconcert in b-klein voorspeelde aan een groep vrienden in het conservatorium van Moskou. De belangrijkste aanwezige was de pianist en componist Nikolaj Rubinstein, aan wie Tsjaikovski het stuk wilde opdragen.

Pjotr Iljitsj schijnt weken van de kaart te zijn geweest door Rubinsteins commentaar. Het stuk was, zoals Tsjaikovski zich later meende te herinneren, 'waardeloos', 'onspeelbaar', 'onbeholpen in elkaar gezet', 'bij elkaar gepikt'. Een paar bladzijden waren de moeite waard, de rest kon worden weggegooid.

Je kunt het tafereel bezien in het licht van de Russische componistengewoonte zich voortdurend tegen elkaar aan te bemoeien, en elkaar beurtelings kritiek voor de voeten te gooien en de hoogste lof toe te zwaaien. Maar het wordt nog wat merkwaardiger bij de wetenschap dat 'het' pianoconcert in b-klein van Tsjaikovski tot op de dag van vandaag wordt gespeeld in een gedaante die de componist helemaal niet voor ogen stond. Het stuk is beroemd geworden in een gecoupeerde vorm, en in tempi waar aan alle kanten mee is geknoeid.

Ook dit laatste was een kwestie van vriendenhulp. Hoofdverantwoordelijke was de pianist Aleksander Siloti, een bekende virtuoos. Hij veranderde het oorspronkelijke 'Andante non troppo e maestoso' van het eerste deel in het veel snellere 'Allegro non troppo e maestoso' dat tot op heden de standaard is. Ook in de rest van het stuk transformeerde hij tempi en voordrachtsaanwijzingen tot ze voldeden aan de smaak van een laat-negentiende-eeuwse, wat bombastisch aangelegde klavierleeuw (met aanvallen van sentimentaliteit).

Dezelfde Aleksandr Siloti 'verzorgde' kort na Tsjaikovski's dood in 1893 ook het minder bekende Tweede Pianoconcert van Pjotr Iljitsj. Ook hier sloeg bedilzucht om in vervalsing. 'Beste Sasja' dreef coupures door waar beste Pjotr zich bij leven en welzijn met hand en tand tegen had verzet. Hij hakte tweehonderd maten uit het middendeel, dat in oorsprong een soort tripelconcert is met uitvoerig, lyrisch getint solowerk van viool, cello en piano. Van de vervalsing naar de leugen: op het titelblad van de nieuwe uitgave liet Siloti de boodschap 'herzien en ingekort op aanwijzing van de componist' afdrukken.

Wat het Derde Pianoconcert betreft, zette Tsjaikovski's ex-leerling Sergej Tanejev de kroon op de vriendenhulp. Hij voerde het tempo op van het eerste deel, schrapte het hele tweede en derde deel, en kwam na krachtige bezwaren van Tsjaikovski's broer Modest op originele wijze tot inkeer. De achtergehouden delen twee en drie gaf hij uit - bij een ander, concurrerend uitgevershuis - als een afzonderlijk werk onder de titel 'Andante en Finale, opus 79'. Hij bezegelde er het lot mee van dit inderdaad nagenoeg vergeten pianoconcert.

'Elke leugen komt vroeg of laat uit', schrijft de pianist en musicoloog Andrej Hotejev, een Rus die tegenwoordig in Hamburg woont. Hij heeft de hele janboel op een rijtje gezet in de boekjes van een cd-uitgave waarin hij het complete werk voor piano en orkest uitvoert in 'onverkorte versies', met het Moskous Radio Symfonie Orkest (tegenwoordig: Tsjaikovski Symfonie Orkest) onder leiding van Vladimir Fedosejev.

Het verhaal van de helpende vrienden is nog niet afgelopen. Er was nog een vierde pianoconcert. Het heeft twee delen, en het geniet onder Tsjaikovski-kenners enige bekendheid onder de titel Fantaisie de concert, opus 56. Ook hier heeft een totale 'verbetering' van de expressie toegeslagen, volgens Andrej Hoteev. 'Hymnische lyriek' werd met metronoomcijfers en al omgezet in platvloerse 'dansmuziek à la russe'. Ook hier was dezelfde Sergej Tanejev aan het werk als muzikaal tekstbezorger. En, alweer heel origineel: van Tanejev mogen de vertolkers het tweede deel, Contrastes, naar believen spelen of weglaten.

Aanzetten tot rehabilitatie van 'de ware Tsjaikovski' dateren al van decennia geleden. Maar al die eerdere projecten misten het 'complete' van de uitgave van Hotejev - die er ook nog het jeugdwerk Allegro in c-klein aan toevoegt, en de Zigeunerweisen die de met Tsjaikovski bevriende pianiste Sofie Menter een keer onder eigen naam liet uitgeven (deels misschien wel terecht).

Niet te onderschatten is ook de bron die Hotejev heeft geraadpleegd voor zijn uitvoering van het eerste pianoconcert in b-klein. Het is de partituur waaruit Tsjaikovski het beroemde stuk tot zijn laatste concert in 1893 dirigeerde. Hotejev kon het exemplaar erop naslaan in het Tsjaikovski-archief in Klin, dat nu veel makkelijker toegankelijk is voor onderzoek dan tien jaar geleden: het heeft als begintempo inderdaad niet Allegro non troppo maar Andante non troppo. Voordrachtsaanwijzingen staan er nog in een oorspronkelijke, minder epaterende vorm, en in het slotdeel zitten nog gewoon de zestien doorwerkingsmaten die er later doodleuk uit verdwenen. En zeker, het klinkt ánders.

Ook met ander werk van Tsjaikovski is raar omgesprongen, zoals Souvenir de Florence en de Rococo-variaties voor cello en orkest. De vraag is, 1) wat de zakkenwassers heeft bezield bij hun bezorgings- en correctie-arbeid, 2) wat Tsjaikovski heeft bezield door ze bij leven en welzijn in zijn kring te blijven dulden, en 3) wat zijn uitgever Jurgenson heeft bezield door ze postuum met Tsjaikovski's werk aan de gang te laten gaan, ook al wist hij donders goed dat Tsjaikovski zich tegen hun adviezen verzette.

Het is duidelijk dat hij Siloti en Tanejev beschouwde als experts, en het lijdt geen twijfel dat zij dat zelf ook vonden. Het laat zich raden, tenslotte, dat rond Tsjaikovski een omgangsklimaat heeft bestaan waarin 'mensen die er verstand van hadden' meenden hem in bescherming te kunnen nemen tegen zichzelf, of tegen momenten van creatieve dofheid.

Het frappante niettemin is dat zowel Siloti als Tanejev juist de interessantste aspecten in het werk het hardhandigst heeft aangepakt. De charme van het vormexperiment in het tweede pianoconcert, waarin Tsjaikovski met de uitbundig mee-soliërende viool en cello een idee uitwerkt dat hij in beknopte vorm al losliet in zijn eerste pianoconcert (met alleen de cello), die charme is aan Siloti voorbij gegaan. Hij moet de viool en de cello als indringers hebben beschouwd. De frenetieke, volmaakt anti-klassieke akkoordherhalingen in het tweede deel van de merkwaardige Fantaisie de concert; het is niet onwaarschijnlijk dat juist dit soort geniale uitzinnigheden - ze zijn er ook in de opera Schoppenvrouw en de concertouverture Romeo en Julia - Stravinsky zo aanspraken in het oeuvre van Tsjaikovski. Kan weg, vond Tanejev.

'De vier pianoconcerten van Tsjaikovski zijn voor de Russische muziek van dezelfde betekenis als de vijf pianoconcerten van Beethoven voor de westerse muziek', luidt de beginselverklaring nr 1 van Andrej Hotejev.

H ET PROBLEEM is dat Tsjaikovski inderdaad onder momenten van creatieve dofheid leed, en dat ook Hotejev en Fedosejev daar met hun 'unabridged original versions' weinig aan kunnen veranderen. Lange slierten in het oeuvre voor piano en orkest lijken elk belang te ontberen.

Hotejev is ervan overtuigd dat Tsjaikovski niet uit was op brille en heroïek. Tsjaikovski zou een lyrischer, en ook veel 'Brahmsiaansere' benadering hebben gewild, waarin orkest en piano symfonisch met elkaar zijn verweven. Het is heel best mogelijk.

Het zou alleen aardig zijn als Hotejev er ook de passende pianisten bij zocht om het te staven. Hotejev is geen zwakke broeder als pianist, maar ook geen bevlogen interpreet met muzikaal-architectonische gaven. Technisch gesproken gaat Hotejev in de snellere delen met de hakken over de sloot. En daar dringt zich de vraag op of hij de theorie van de noblesse hier en daar niet al te moedwillig heeft aangepast aan de mogelijkheden van de vingers.

Zou de 'ware Tsjaikovski' ooit de bedoeling hebben gehad de toehoorder te vervelen?

De ware Tsjaikovski zegt: 'Deze triller is misschien beter.' De ware Tsjaikovski zegt ook: 'Wie sprak daar? Het lijkt de stem van Safonov wel.' Aldus de original voice van Tsjaikovski, een lichte baritonstem op een Edison-rol waar hij in 1890 op werd vereeuwigd met een paar vrienden, luttele seconden lang. De rol met de stem werd vorig jaar ontdekt in Sint Petersburg, en mocht van Hotejev niet op de plaat ontbreken.

Tsjaikovski, oeuvre voor piano en orkest, door Andrej Hotejev en het Tsjaikovski Symfonie Orkest Moskou o.l.v. Vladimir Fedosejev. Koch Schwann 3-6487-9 (3 cd's).

Vladimir Fedosejev en het Tsjaikovski Symfonie Orkest Moskou treden zondag op in het Amsterdamse Concertgebouw met Tsjaikovski's Symfonie nr 5.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden