Tropisch groen in dikke bundels

Na jarenlange arbeid in Wageningen is het overzicht van alle Zuidoost-Aziatische nuttige planten bijna klaar. Versnipperde kennis is gebundeld. Nu wordt begonnen aan de Afrikaanse planten, maar dat zal niet meevallen, zeggen sommigen....

Indonesische studenten die iets wilden weten over hun inheemse gewassen, grepen tot voor kort naar de encyclopedie Nuttige planten van Nederlandsch Indië van de Nederlander Karel Heyne. De eerste druk daarvan verscheen in 1927, maar het boek werd nog in 1987 in het Indonesich vertaald en herdrukt. Verouderde, maar goed gerangschikte informatie was voor veel studenten nuttiger dan nieuwe kennis, die over duizenden publicaties is versplinterd.

In 1985 vroeg de Indonesische regering de Wageningen Universiteit een nieuw overzicht te maken van alle voor de mens bruikbare plantensoorten in het land - overigens zonder daarvoor te kunnen betalen. Na een lange mars door de wereld van subsidiegevers, gevolgd door een niet minder moeizame wetenschappelijke zoektocht naar de beste gegevens over zevenduizend plantensoorten, is die nieuwe encyclopedie nu vrijwel klaar.

Ze staat pontificaal op de werktafel van de Wageningse agronoom dr. Jan Siemonsma die er al die jaren aan meewerkte. 21 Gebonden blauwe boeken zijn het. De laatste drie, over medicinale planten, vezelplanten en varens, verschijnen eind dit jaar.

Niet alleen de Indonesische nuttige-plantenrijkdom is erin beschreven, maar ook die van Maleisië, de Filipijnen, Papoea-Nieuw-Guinea, Brunei, Thailand, Birma, Laos, Cambodja en Vietnam. Studenten uit de gehele Zuidoost-Aziatische regio bestuderen tegenwoordig boekenreeks of website van dit Prosea-project: de Plant Resources of South-East Asia.

Voor menigeen zou de organisatie van zo'n omvangrijke klus de kroon zijn geweest op een levenswerk. Maar projectleider Siemonsma (53) is nog niet tevreden. Ook in Afrika en Zuid-Amerika is enorm veel kennis beschikbaar over tropische planten en het probleem dáármee is hetzelfde als voorheen dat in de Aziatische landen, zegt hij. De wetenschappelijke publicaties over die gewassen, bloemen en bomen zijn zo talrijk geworden dat ze nauwelijks meer toegankelijk zijn. Om de beschikbare kennis te kunnen gebruiken, moet ze worden gezeefd en gerangschikt.

Uiteindelijk doel is alle nuttige planten in de tropen te inventariseren, maar Zuid-Amerika moet nog even wachten. Begonnen is met de Afrikaanse fase van het project. Al tijdens het werk aan de Aziatische planten zocht Wageningen Universiteit daarvoor samenwerking met de instituten Agropolis in Montpellier in Frankrijk en de Royal Botanic Gardens in Kew, Engeland.

Ook de medewerking van zes Afrikaanse instituten werd gegarandeerd. Eind vorige maand klonk in de Keniaanse hoofdstad Nairobi het startschot voor de onderneming die Prota is genoemd: Plant Resources Of Tropical Africa.

Sommige collega-plantkundigen voorspellen dat het Afrikaanse project veel moeilijker zal uitpakken dan het Aziatische, waar vijftien jaar aan werd gewerkt. In Indonesië bestond een wijd vertakt netwerk van lokale botanici en andere specialisten. In Afrika zijn die minder dik gezaaid.

Ook zijn de archiefgegevens er van mindere kwaliteit en is er het probleem van 47 verschillende landen met een veelvoud aan talen. Toch verwacht Siemonsma er geen grote problemen mee. 'Kwalitatief doet de wetenschap in Afrika niet onder voor die in Zuidoost-Azië, alleen het reservoir van wetenschappers is wat kleiner.'

En hoewel het misschien onaardig klinkt, zegt hij, blijkt in de praktijk toch vaak dat bijdragen van lokale auteurs stevig moet worden bewerkt door de redactiecommissie van deskundigen. 'De kwaliteit van die artikelen valt ons niet mee. Duidelijk is dat velen geen toegang hebben tot de wereldliteratuur. Misschien betekent het dat ze bij nader inzien toch niet zo'n expert zijn op hun vakgebied.'

Van de zevenduizend nuttige Afrikaanse soorten die beschreven moeten worden, hoopt de redactiecommissie er zo'n 2500 te kunnen uitbesteden aan externe deskundigen, overal ter wereld. De rest moet de commissie zelf bij elkaar zoeken uit de bestaande literatuur.

Voor het Afrikaanse project zal ook gebruik worden gemaakt van 'grijze bronnen'. Dat zijn artikelen, onderzoeken en studentenscripties die nooit in wetenschappelijke bladen zijn gepubliceerd maar veel nuttige gegevens kunnen bevatten, bijvoorbeeld over de lokale toepassing van planten op het gebied van voedsel, medicijnen of brandhout.

Het kantoor in Ghana heeft het afgelopen jaar al ruim twaalfhonderd van zulke publicaties bij elkaar gezocht en stuitte daarbij op een verrassing. Veel onderzoek was plagiaat. 'Studenten hebben tientallen jaren elkaars werkstukken overgeschreven zonder dat de lectoren dat in de gaten hadden. Daar is men erg van geschrokken.'

Het aantal eetbare, genezende, brandbare, stimulerende of anderszins bruikbare planten op de wereld wordt geschat op 40 duizend soorten. Daarvan komt meer dan de helft (25 duizend) voor in de tropen, en vermoedelijk groeien er daarvan 10 duizend in Zuid-Amerika. De 7 duizend Aziatische soorten zijn inmiddels beschreven en van de 7 duizend Afrikaanse soorten is nu een basislijst gemaakt, waar er 6400 op staan. Die lijst moet de ruggengraat worden van de nieuwe encyclopedie.

Daarnaast is een voorbeeldboek gemaakt waarin veertig voorbeeldplanten worden behandeld, van de West-Afrikaanse okra (groente), via het stimulerende qat uit Oost- en Midden-Afrika, tot aan de worstboom die vrijwel overal op het continent voorkomt en een bron is voor lokale medicijnen.

Het geestelijk eigendom van die informatie valt toe aan de Afrikanen zelf, vinden de meeste Afrikaanse landen. Zij eisen in het kader van het internationale Biodiversiteitsverdrag ook een financiële vergoeding voor het gebruik van Afrikaanse planten door westerse bedrijven. Tegen het verzamelen van de grijze bronnen bestond dan ook enig wantrouwen, zegt Siemonsma. Maar die is vooralsnog weggenomen door een kleine financiële bijdrage, plus de verzekering dat alle informatie bij de Afrikaanse kennisleveranciers terugkomt.

De manier waarop dat laatste moet gebeuren, vormt echter een twistpunt tussen de westerse partners onderling. De Britse plantkundigen van de Royal Botanic Gardens in Kew hebben het besluit over hun deelname aan Prota opgeschort. Zij vinden, zegt woordvoerster Georgine Pearman, dat de verspreiding vrijwel volledig dient plaats te vinden via internet. Zo doet het instituut dat zelf tegenwoordig ook.

Siemonsma: 'Daar zijn de Afrikaanse wetenschappers heel boos over geworden. Zij moeten vaak nog naar een internetcafé om op het net te komen. Internet is ons hoofdoel, maar aan een goedkope boekenuitgave valt niet te ontkomen.'

Maar de Wageningse agronoom vermoedt dat er meer achter zit. 'De Britten zijn al jaren bezig met een eigen project over de planten van de droge tropische gebieden. Ze proberen hun database op de vaart van Prota te laten meeontwikkelen. Daar voelen wij niets voor, want dat kost veel te veel tijd.'

Een beetje gênant is de ruzie wel, erkent hij. 'In Nairobi stond een Afrikaanse collega op die zei: wat we hier zien is een gevecht tussen twee witte olifanten. In de schaduw daarvan verdort het gras.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden