Trauma uit oorlog niet besmettelijk

De gedachte dat partners en kinderen van oorlogsslachtoffers zelf ook een oorlogstrauma kunnen ontwikkelen, is onjuist. Dat stelt psychiater Arend Veeninga na literatuuronderzoek in het Maandblad Geestelijke volksgezondheid, dat zaterdag verschijnt....

‘Klachten van naasten van oorlogsslachtoffers lijken op de klachten van psychiatrische patiënten: slapeloosheid, angst, gespannenheid of herbeleving van de ervaringen die het familielid vertelt. Sommige behandelaars noemen dit een “secundair trauma”, maar er zijn geen bewijzen dat dit bestaat’, zegt Veeninga.

Het stempel secundair oorlogstrauma wordt volgens hem mede aangemeten doordat een trauma status geeft in de vorm van aandacht, erkenning en begrip. ‘Het is een soort alibi: ik ben slachtoffer van een familielid met een oorlogstrauma en daar kan ik niet veel aan doen’. Veeninga meent dat als deze mensen te gemakkelijk vasthouden aan de slachtofferrol, zij worden belemmerd in hun persoonlijke ontwikkeling.

Veeninga is voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie en werkt in het Sinai Centrum in Amersfoort. Door zijn werk raakte hij geïnteresseerd in de ‘besmettelijkheid’ van het slachtofferschap bij oorlogstrauma’s.

Uit onderzoeken bleek volgens Veeninga dat het bewijs voor secundaire traumatisering mager is en zelden de toets der kritiek doorstaat. In onderzoeken bleken de geselecteerde deelnemers ‘geïnteresseerd te zijn in het verschijnsel, al in behandeling te zijn, of zij meenden zelf secundair getraumatiseerd te zijn’.

Uit een overzicht van onderzoeken onder kinderen van holocaust-slachtoffers kwam naar voren dat er geen bewijs is voor secundaire traumatisering. ‘De tweede generatie functioneert over het algemeen redelijk tot goed; alleen bij ziekte of ingrijpende levensgebeurtenissen blijken deze kinderen gevoeliger’, aldus het artikel. ‘Dat is niet hetzelfde als een posttraumatische stress-stoornis’, licht Veeninga toe.

Wel lijden deze verwanten ernstig onder het oorlogstrauma van een familielid. Veeninga: ‘De slachtoffers zelf hebben niet alleen emotionele problemen, maar vaak ook ernstige gedragsstoornissen. Dat dit problemen bij naasten veroorzaakt, zal niemand verbazen.’

Maar hij vergelijkt die met problemen van personen die last hebben van een familielid met bijvoorbeeld een borderline persoonlijkheidsstoornis of een alcoholverslaving. ‘Ook dat kan een gezin kapot maken.’

Volgens Joop Lamboo, coördinator van het Aanspreekpunt naoorlogse generatie, staan de wetenschap en de ervaringen van tweede-generatie slachtoffers met het onderzoek van Veeninga tegenover elkaar. ‘Dat een secundair oorlogstrauma niet bestaat, is voor tweede-generatie slachtoffers een miskenning van de specialiteit van de problematiek. Vaak is de helft van het probleem van tweede-generatie slachtoffers al opgelost als ze zichzelf zo noemen, doordat ze dan de loyaliteit aan hun ouders doorbreken.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden