'Trappen, trappen, ik moet trappen'

Voor veel wielrenners wordt de scheidslijn tussen doorgaan en opgeven in de derde week van de Tour de France dunner....

Door Marije Randewijk

Hij was die renner die alles redelijk in de hand had, die wist hoe het allemaal moest in de koers. Wie het wielrennen wilde relativeren, kon bij hem terecht. Hij plaatste altijd alles in het juiste perspectief.

Als ze hem zouden moeten typeren, zouden ze zeggen: intelligent, nuttig, hard werkend en zeer sympathiek. Als mens en als sporter was Aart Vierhouten dezelfde.

Toen de renners maandag tijdens de eerste rustdag van de Tour de France op bed lagen, hun benen spaarden en rust namen, ging hij naar de winkel om een pot gel te kopen. Omdat hij dat thuis ook zo gedaan zou hebben.

Daarna stuurde hij de ploegleiderswagen van Lotto-Domo naar het centrum van Limoges, parkeerde de auto en wandelde een rondje langs de belangrijkste bezienswaardigheden van de stad. 'Best aardig om hier nog eens een keer terug te komen', constateert Vierhouten later die avond onder het genot van een Belgisch biertje.

Begrijp je nu waarom hij niet graag over de zwartste dag uit zijn leven praat?

Hij, de gereformeerde jongen in een roomse sport, was aan het dromen geslagen. 'Er zijn renners die de realiteit uit het oog verliezen, die geloven dat ze heel veel aankunnen. Ik heb dat normaal niet, buiten die ene dag. En daar schaam ik me voor.'

Dat uitgerekend hzichzelf zo ver dreef dat hij zijn eigen gezondheid uit het oog verloor, dat hzo dom was geweest.

Wat er die dag precies is gebeurd, dat houdt Vierhouten voor zichzelf. Hij praat er niet met zijn vrouw over, niet met zijn vrienden, niet met zijn collega's en dus al helemaal niet met vreemden.

Hij moet er zelf mee zien te leren leven. 'Afgelopen week kwamen we met de Tour langs het ziekenhuis waarin ik heb gelegen. De koude rillingen liepen me over de rug', vertelt hij.

Het was aan het begin van de tweede week in de Tour de France van 2002 een bloedhete dag. Vierhouten had de avond ervoor nauwelijks geslapen. 'Ik was ziek, had overgegeven en was aan de diarree. Ik at niet, ik dronk niet. Ik was helemaal leeg.'

Op 23 kilometer voor Avranches moest hij het op hol geslagen peloton laten gaan, de kilometerteller zakte naar acht kilometer per uur. Zijn armen kon hij niet meer op het stuur leggen van vermoeidheid. De Noord-Hollander verloor meer dan een minuut per kilometer en kwam ternauwernood op tijd binnen.

'Wat deed het ertoe?', zegt hij nu. Vier dagen lag hij daarna in het ziekenhuis van Rennes met een acute maag-en darmontsteking die ook zijn weerslag had op zijn hart-en bloedvaten.

Na lang aandringen zegt hij over zijn verblijf op de intensive care: 'Het ging gewoon niet goed, klaar. Het licht ging bijna uit en ik realiseerde me dat. Ik voelde het leven uit mijn lichaam glijden en raakte in paniek. Ik heb de dokter geroepen: doe iets, anders is het afgelopen met me! Zo'n ervaring, dat doet heel veel met een mens.'

Hij ging over een grens en dat neemt hij zichzelf kwalijk. 'Maar ik wist niet dat dat kon. Ik wist niet dat je functies in je lichaam kunt uitschakelen en alleen kunt denken: trappen, trappen, ik moet trappen. Ik voelde niets meer, ik kon niets meer. Van hele stukken herinner ik me niets. Dat je op zo'n moment gewoon door kunt gaan, dat is heel raar hoor.'

Wielrennen is een harde sport, maar waarom wil een renner bewijzen dat hij meer pijn kan verdragen dan goed voor hem is? Elk jaar weer zijn er in de Tour coureurs die de scheidslijn tussen stoppen of doorgaan negeren.

'Wat is een Tour zonder valpartijen, gebroken botten en renners die huilend in berm liggen? Winnen vinden de mensen mooi, lijden vinden ze nog mooier', zegt Karsten Kroon.

Matthias Kessler bereikte woensdag de finish met een gebroken rib en een klaplong, Tyler Hamilton voltooide de Ronde vorig jaar met een barst in zijn sleutelbeen. Fietsen tot je erbij neervalt is de algemeen geldende regel geworden tijdens de Tour.

'Het was net of ik niet wou toegeven aan het feit dat ik ziek was', probeert Vierhouten zijn beweegredenen uit te leggen. 'Omdat anderen misschien zouden denken: hij is helemaal niet ziek, maar hij is gewoon niet goed genoeg. Ik was mentaal niet sterk genoeg om tegen mezelf te zeggen: Aart, wat je nu doet, is niet goed.'

Het klinkt begrijpelijk. Maar wom dacht hij dat dan? Het antwoord op die vraag ligt verscholen in het verleden, zegt hij. 'Als je daar iets van weet, is het beter te begrijpen.'

Karsten Kroon was in datzelfde jaar bezig aan zijn eerste Tour de France. Hij had als betrekkelijke nobody op de nationale Franse feestdag al een etappe gewonnen, zijn Ronde kon sowieso niet meer stuk. Dus toen hij twee dagen daarna twee keer tegen de vlakte sloeg, zou niemand er raar van hebben opgekeken als hij zijn rugnummer had afgetrokken.

Hij deed het niet. Juist t hij een etappe had gewonnen.

Elke dag reed hij kilometers achter het peloton zijn etappes. 'Ik was in trance. Ik kan me weinig van die periode herinneren. Ik weet nog dat mijn zus begon te huilen, toen ze me na de etappe naar de Mont Ventoux in het hotel zag. Ik was een lijk geworden.'

Hij had zijn schouders er eens bij opgehaald. 'Je denkt dat het bij de Tour hoort, dat je niet moet zeuren en gewoon moet doorgaan.'

Hij weet inmiddels dat het niet zo is. Hij heeft fors de rekening betaald voor zijn inspanningen in zijn debuut-Tour. 'Het heeft me minimaal een jaar van mijn carri gekost.

Na de ronde reed hij criteriums en startte hij in de wereldbekerwedstrijd in Hamburg. 'Vijftig kilometer voor de streep was er een massale valpartij, ik lag onderop. Toen is er een veertje in mijn hoofd geknapt. Ik was in shock, zat te trillen, ik was helemaal de weg kwijt. Van die valpartij heb ik nog wel eens nachtmerries.

'Ik schrok van mezelf, want zo kende ik me helemaal niet. Ik had daar al liggend op die weg onmiddellijk mijn seizoen moeten besluiten. Ik deed het niet. Achteraf vraag ik me af: waarom niet. Het heeft me alleen maar ellende opgeleverd.' In het voorjaar van 2003 was hij voortdurend ziek. 'Iedereen dacht dat ik in de toekomst wereldbekerwedstrijden zou gaan winnen, omdat ik die rit in de Tour op mijn naam had geschreven.

'Toen ik even niet goed reed, zeiden ze: je bent er niet goed mee bezig, je traint niet. Je bent de nieuwe Harm Ottenbros, een eendagsvlieg. Dat had er niets mee te maken! Maar zelfs de ploegleiding beweerde het, en mijn ouders. Terwijl ik al zo met mezelf worstelde.'

Hij ging in de kritiek geloven. 'Ik was kwaad op mezelf. Ik ben in mijn eentje naar Mallorca gegaan, op strafkamp. Om te redden wat er te redden viel. Ik zat midden op het eiland, in een bergdorpje, in een pension met alleen maar bejaarden. Elke dag heb ik me daar afgebeuld.'

Kroon had het nodig om tot zichzelf te komen, om alleen te zijn met zijn gedachten. Om zijn carri te ordenen. 'Achteraf is het belachelijk geweest dat ik mezelf heb verweten dat ik er niet genoeg voor deed.'

Maar een wielrenner moet karakter tonen, leerde hij al jong. Kroon was al vier jaar beroepsrenner toen hij voor het eerst mee mocht naar de Tour, dan geef je niet zomaar op.

'De ploegleiding van Rabobank zei: je moet doorrijden, je moet Parijs halen, je hebt een rit gewonnen en dat levert publiciteit op. En de arts zei: je hebt kneuzingen en schaafwonden, het zal wel zeer doen, maar daar kun je gewoon mee fietsen.'

Vanaf het moment dat hij was geselecteerd tot de dag dat hij in Parijs aankwam, hadden de ploegleiders voortdurend herhaald hoe goed het voor zijn ontwikkeling zou zijn als hij zijn eerste Tour uitreed. 'Daar wordt het lichaam sterker van, zeiden ze. Dus ik dacht: laat ik maar diep gaan, het zal wel ergens goed voor zijn. Dat was dus niet zo.'

Vierhouten herkent zichzelf in het verhaal van Kroon. In een van zijn eerste jaren bij de Rabobank mocht hij mee naar de Ronde van Spanje. 'Ik viel met alle bidonnen die ik net had gehaald, Theo (ploegleider De Rooij, red.) reed bijna over me heen, ik had een gat in mijn kop en bloed overal, maar ik riep: geef me een fiets, ik wil een fiets!

'Ik dacht alleen maar: ik moet die ronde uitrijden anders ben ik geen echte renner. Daar werd bij de Rabobank flink op gehamerd. Als je geen grote ronde kon uitrijden was je geen echte renner. En ik wilde per se slagen als prof. Ik had er zo hard voor gevochten.'

Het is precies de reden waarom hij in 2002 naar de finish in Avranches reed. Na een ernstig ongeluk in 1999 had hij drie jaar gestreden om een beetje op zijn oude niveau terug te keren.

'We hadden al drie ritten gewonnen in de Giro, in de Tour, het ging zo goed. Eindelijk had ik het gevoel dat ik er weer stond tussen de grote renners. Dat mochten ze niet van me afpakken.'

Pas veel later is hij zich gaan afvragen waarom hij zo redeneerde. 'Voor wie heb ik het gedaan? Was het om anderen te plezieren? Of om mezelf belangrijk te vinden? Eigenlijk was ik nog dommer dan Karsten. Ik heb mezelf voor de gek gehouden.'

Op de vraag wie uiteindelijk de verantwoordelijkheid draagt voor de risico's die hij nam, heeft hij nooit een antwoord gevonden. Danide Neve, destijds ploegarts van Lotto, raadde Vierhouten af te starten, maar verbood het hem niet.

'Als de dokter tegen mij had gezegd: jij start niet vandaag, had ik hem dat nooit vergeven. Hij had mij nooit het gevoel kunnen geven dat het de juiste beslissing was geweest. Ik dacht: een etappe in de Tour, dat doe ik wel even.

'Het is de verantwoordelijkheid van een renner zelf of hij op de fiets blijft of niet', vindt Kroon. 'Misschien had de ploegleiding mij tegen mezelf in bescherming moeten nemen, maar ik verwijt ze niets.

'Het zou een beetje kortzichtig zijn om nu te constateren dat je als renner in de Tour niet meer dan een reclamezuil bent en dat je gezondheid wordt geofferd voor publiciteit. Het is om diezelfde reden dat ik nu zoveel verdien.'

Een renner moet zelf zijn grens trekken en Kroon heeft dat nu heel duidelijk gedaan, zegt hij. Net als Vierhouten.

De schaamte zal Vierhouten nooit meer kwijtraken. Maar als hij heel erg zijn best doet, zijn er ook positieve kanten aan zijn verhaal. 'Het voordeel is dat ik me nooit meer druk maak. Op het moment dat ik me niet lekker voel, stop ik ermee en ga ik naar huis.

'Ze zeggen altijd dat wielrenners fietsen tot ze erbij neervallen. Die uitdrukking gebruik ik sinds die Tour van 2002 nooit meer. Ze herinnert me er telkens aan, hoe dom ik ben geweest.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden