Bericht uit Parijs

Traagheid is in de supermarché tot kunstvorm verheven

Een supermarkt in Frankrijk. Beeld Reuters

In het gezin waarin ik ben opgegroeid, gold een bezoekje aan de plaatselijke supermarkt als hoogtepunt van de jaarlijkse zomervakantie in Frankrijk. Een uitje waar reikhalzend naar werd uitgekeken, en dat bovendien nooit teleurstelde. Als een aanhoudende mistral het strand had bezaaid met honderden blauwe kwallen of als het tegen alle verwachtingen in dag in dag uit bleek te regenen in de Dordogne, was er altijd nog een hypermarché ter grootte van tien voetbalvelden waar je alles, maar dan ook alles, kon kopen. Werphengels. Mountainbikes. Levende kreeften.

Lang was ik in de veronderstelling dat het een familiekwaal was, maar na wat rondvragen en googelen bleek dat een bezoek aan de supermarché voor veel Nederlandse vakantiegangers van dezelfde orde is als een spectaculaire bergwandeling of kajaktocht. Tijdens de vakantie is boodschappen doen een feestje.

Als je dagelijks in een Franse supermarkt komt, gaat de lol er helaas snel vanaf. Aan het assortiment ligt het niet. De Monoprix in mijn straat is weliswaar geen kolossale hypermarkt, maar je kunt er wel mooi verse vis kopen, of een pyjamabroek – kom daar maar eens om bij de Albert Heijn.

Dat het desondanks niet wil boteren tussen mij en de supermarché, ligt aan een schier onoverbrugbare culturele kloof die zich tijdens het boodschappen doen aftekent. Ik weet niet of het iets Nederlands is, maar ik doe mijn boodschappen het liefst zo snel mogelijk. De Franse supermarktmores schrijven anders voor. Traagheid is er tot kunstvorm verheven.

Alles wordt in het werk gesteld om het boodschappen doen zo lang mogelijk te rekken. Een glansrol is daarbij weggelegd voor het personeel. Dat wil zeggen: de mensen van wie ik afgaande op badges, bodywarmers en naamkaartjes het sterke vermoeden heb dat ze in de supermarkt werken. Of ze dat zelf doorhebben, is een tweede. Je krijgt de indruk dat ze door een onverklaarbaar misverstand in de supermarkt zijn beland. Of dat ze meedoen aan een door John de Mol bedachte realityshow, waarin een ploeg postbodes een dagje heeft geruild met de supermarktmedewerkers.

Toen ik op een zaterdagochtend voor een haperende sinaasappelpers stond en een vakkenvuller om hulp vroeg, sprak die de legendarische woorden ‘degene die over de sinaasappelpers gaat is helaas net weg’. Vraag om een tasje, en het kan zomaar gebeuren dat het antwoord ‘nee’ luidt. Geen verklaring, geen verontschuldiging, gewoon: Non.

Dat de klant geen koning is, is tot daaraan toe, maar de klant als hinderlijke sta-in-de-weg is het andere uiterste. Je hoort weleens van Nederlanders in den vreemde die drop missen, pindakaas of stroopwafels. Ik mis die niet, ik mis de Hollandse supermarkt, toonbeeld van klantvriendelijkheid en efficiëntie.

Opvallend is dat de klanten hun lot stuk voor stuk lijdzaam accepteren, als ware het een natuurverschijnsel waar je simpelweg geen invloed op hebt. Sommigen werken er zelfs actief aan mee. Bij het afrekenen kieperen ze alle één- en tweecentmuntjes – in Nederland lang geleden afgeschaft, dat zegt eigenlijk alles – uit hun portemonnee, om er na vijf minuten hoofdrekenen achter te komen dat ze nét niet gepast kunnen betalen. Dan maar een cheque uitschrijven.

Verzet is zinloos, weet ik inmiddels. Het enige wat helpt, is de gang naar de supermarché beschouwen als rustmoment. Even bijkomen van de jachtige hectiek van de stad. Ik kan het iedereen aanraden. Worden de overvolle metro’s u even te veel, ga dan eens naar de Monoprix. U kunt er gerust een halfuur voor uittrekken. Sterker nog, dat gaat vanzelf. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.