Tovenaar en toeschouwer: openhartige en geestige memoires van schilder-fotograaf man-ray

TOESCHOUWER ZIJN heeft zijn aardige kanten. Er zijn, schrijft de Amerikaanse kunstenaar Man Ray (1890-1976) in zijn pas vertaalde memoires Belicht geheugen, geen risico's of desillusies....

Belicht geheugen (de titel luidt in het Engels: Self portrait) is het openhartig en geestig memoriaal van de kunstenaar én toeschouwer Man Ray, die in 1921 naar Parijs emigreerde. Het is het, soms met bluf en bravoure geschreven, relaas van een generatie. Man Ray typeert zijn vrienden, Duchamp, Picasso, Picabia, Dalì, en zijn vrouwen: Donna, de exuberante Kiki de Montparnasse, Lee Miller en Juliet. Hij geeft ons een beeld van de artistieke nieuwlichters uit de eerste helft van de twintigste eeuw en van hun excentrieke levenswijze.

Kiki de Montparnasse wordt ten tonele gevoerd als de vrouw op Ingres' doek La Source. 'Haar lichaam zou elke academische schilder hebben geïnspireerd.' Ze was een uitzonderlijke verschijning in de cafés van Montparnasse, maar ze werd tijdens gesprekken ongedurig. Ze verveelde zich. Iemand vroeg Man Ray eens of ze intelligent was. 'Ik antwoordde kortaf dat ik genoeg intelligentie voor ons beiden had.' Hun liaison duurde zes jaar.

Man Ray kwam vaak op bezoek bij de excentrieke William Seabrook, beroemd omwille van zijn boeken over voodoo-praktijken in West-Indië, kannibalisme in Afrika en zijn avontuurlijke tochten naar Timboektoe. Op een dag vroeg hij de kunstenaar of die op een meisje wilde passen dat hij aan de trapstijl had geketend. 'Ze was naakt op een vuile, gerafelde lendendoek na. (. . .) Ze werd betaald om dit voor een paar dagen te doen, was erg dociel en gewillig.' Ze kreeg haar voedsel fijngesneden op een bord voor haar op de grond, als bij een hond. Een van de voorwaarden van haar contract was dat ze zich niet mocht wassen. Seabrook verlangde niks, het was voldoende voor hem met een glas whisky uren naar haar te kijken.

Slechts één keer in zijn dikke boek boordevol anekdotes en petites histoires wordt Man Ray bijna doodernstig. Hij vertelt een parabel over twee Chineze wijzen. Elke ochtend gaan ze naar de oever van de rivier om voor hun maaltijd een vis te vangen. Ze zitten stil naast elkaar achter hun hengel. Plotseling heeft een van de wijzen een vis aan de haak, duidelijk een grote vangst. Er verschijnt een prachtig meisjeshoofd boven water met een lange staart bedekt met schubben.

De wijze neemt de meermin op schoot en maakt de haak los. Dan zet hij haar terug in het water. Zijn metgezel vraagt, na een minuut stilte: waarom? Na een minuut nadenken zegt de andere weer: hoe?

Mensen, meent Man Ray, vragen altijd hoe bepaalde resultaten worden verkregen, zelden waarom. 'De eerste vraag komt voort uit de wens hetzelfde te doen, een gevoel van noodzaak, een drang om iemand te evenaren; de tweede wil het motief begrijpen waaruit de daad voortkwam, het verlangen ernaar.' Met andere woorden, preciseert hij in Belicht geheugen: inspiratie, niet informatie, is de kracht achter elke creativiteit. 'Als de wens sterk genoeg is, vindt die z'n weg.'

Vele van zijn schilderijen zijn sowieso onbegrijpelijk, 'zeg maar onzichtbaar voor sommige mensen, zelfs als ze op ooghoogte zouden hangen'. Hij zat naar eigen zeggen op het goede spoor. De tovenaar én toeschouwer had zijn toeschouwers in zijn greep. 'Wat voor anderen een mystificatie was, was voor mij simpel een mysterie.'

Tijdens de opening van een van zijn laatste exposities - het is een verhaal dat niet in het boek voorkomt; Self portrait verscheen in 1963, Man Ray stierf in 1976 - stond hij in chemise de cowboy de Franse pers te woord. Er werd meesmuilend in de kranten over gerapporteerd. 'I have no style', zei Man Ray. 'I am afraid of being bored.'

Hij was nu eenmaal een eigengereide outsider, een buitenstaander, 'an American in Paris'. Hij maakte geen deel uit van artistieke kringen, niet van de surrealistische broederschap van 'opperpaus' André Breton, noch van de Parijse Dadaclubs. Hij ondertekende geen manifesten en verkondigde geen hoogdravende theorieën. Hij keek toe.

Man Ray, die een halve eeuw in Frankrijk heeft gewoond, noemde zichzelf un type rapide. Hij was altijd bedrijvig en rusteloos, nieuwsgierig en alert. De toeschouwer in hem legde in portretten en in Belicht geheugen de beroemde vriendenkring vast. Hij had, zoals op het schilderij Le Beau Temps uit 1939, een toverlantaarnhoofd. Hij noemde het doek een droomschilderij. 'Het schilderij was eerder een herinnering aan het verleden dan een vooruitblik; het was als een barograaf: wat is voorafgegaan kan men aflezen en er de teneur voor de toekomst uit afleiden.'

In zijn boek is hij vooral goed op dreef wanneer hij anekdotes vertelt. Een vriend van hem, die medicijnen studeerde, nam hem ooit mee naar de snijkamer. Hij zei dat hij erin kon als de studenten weg waren. 'Er stonden twaalf tafels die bedekt waren met gevlekte oude lakens', herinnert Man Ray zich, 'waaronder je vaag de omtrekken van de lichamen zag.' Zijn vriend trok een van de lakens weg. Er lag een man onder van wie de huid grotendeels was afgestroopt. Zijn geslachtsdelen waren weggesneden. Man Ray wilde weten, voor de grap, 'of die uit puriteinse overwegingen waren verwijderd'. Het was, zei de vriend, de eerste operatie die de studenten verrichtten. 'Het orgaan werd later in een jaszak of bureaula van iemand gestopt.'

Een keertje was hij met vrienden gaan lunchen in Hotel Sube. Na de pastis en de voorgerechten volgde de hoofdschotel, bouillabaise, een enorme vissoep. Op aparte borden kregen ze kreeften opgediend in een dikke rode saus. 'Picabia pakte een kreeftenschaar, brak hem doormidden en bespatte het overhemd van de gast tegenover hem. Deze pakte speels een stuk kreeft, roerde het door de saus en besprenkelde Picabia ermee, die met een zelfde gebaar antwoordde, maar de rode saus ook over een aantal andere gasten gooide.' Schreeuwend en joelend gingen ze door met eten. De eetruimte zag er als een slagveld uit.

Typeringen - daarin is hij een meester. Hij portretteert. Het maken van portretfoto's van kunstenaars was niet alleen een middel om in zijn dagelijkse behoeften te voorzien, 'het gaf me ook toegang tot hun persoonlijkheid'. Hun biografie boeide hem net zoveel als hun werk.

Man Ray brengt ergens in zijn memoires een neuroloog ter sprake die 'ons schilders onderverdeeld had in categorieën: de cirkels, de vierkanten en de driehoeken, al naargelang die vormen in ons werk domineerden'. Zijn typeringen zijn als het ware zulke onderverdelingen: de flamboyante Picabia, de fijnzinnige Brancusi, de burgerlijke Matisse, Braque in hemdsmouwen, Derain - groot en zwaar aan de bar van La Coupole, een schakende Duchamp.

Zijn camera, een eenvoudige Kodak, was voor hem niet meer dan een potlood, een penseel of een pen. 'Photography is not art', zei hij. Maar later voegde hij eraan toe: 'Photography can be art.' Is de fotografische industrie, zoals Charles Baudelaire schreef in De salon van 1859, een toevluchtsoord voor alle schilders die mislukt waren, te weinig begaafd of te lui om hun studie af te maken?

De uitvinding van Daguerre was volgens de dichter 'een stompzinnige samenzwering'. Man Ray was een moderne samenzweerder en een saboteur. Hij saboteerde de bijval van het publiek, soms met foto's, soms met vreemde voorwerpen, prullaria die hij verzamelde in zijn atelier in de Parijse rue Férou.

Cadeau was zo'n sabotage. Met Erik Satie, althans dat schrijft hij, liep hij ooit langs een winkel waar verscheidene huishoudelijke voorwerpen waren uitgestald. Man Ray pakte een strijkbout, 'een die op kolenkachels werd gebruikt, en vroeg Satie met me mee naar binnen te gaan, waar ik met zijn hulp een doos spijkers en een tube lijm kocht'. Hij lijmde een rij spijkers op het gladde oppervlak, bracht het naar de galerie en noemde het dada-object - het eerste in Frankrijk - Cadeau.

Zijn eerste fotografielaboratorium stelde niets voor. Hij had wat bakken en een chemische oplossing in flessen, een glazen maatbeker, een thermometer en een doos fotopapier. Tijdens het maken van contactafdrukken stuitte hij op 'het procédé van mijn rayografie', foto's zonder camera.

Bij toeval ontdekte hij dat er op een vel fotopapier, dat in de ontwikkelbak was terechtgekomen, rare silhouetten waren verschenen van zijn kleine trechter, de maatbeker en de thermometer die hij gedachteloos in de bak op het natte papier had gezet. Hij experimenteerde met andere voorwerpen, elk ding dat hij onder handbereik had: de sleutel van zijn hotelkamer, een zakdoek, een paar potloden, een borstel, een stukje twijndraad. Hij zette ze nu op het droge papier en stelde ze een paar seconden aan het licht bloot.

'Ze zagen er verrassend modern en geheimzinnig uit', schrijft hij. Hij was, ontdekte hij in zijn hotelkamer, een schilder die fotografeerde, en tegelijk een fotograaf die schilderde. Hij had 'geen behoefte meer aan een ezel en verf of aan al die andere parafernalia van de schilder'. Hij was eigenlijk geen schilder en ook geen fotograaf, maar een painter of ideas.

Maar was hij een belangrijk kunstenaar, iemand als Duchamp of Picasso? Was hij wel een ongewoon beweeglijke geest, of berust zijn levensverhaal op gesnoef en sterke verhalen? Misschien was alles wat hij deed, onverschillig wat, alleen maar een voorwendsel om te zien wat er ging gebeuren. Het parool van zijn generatie, le trouble moderne, het op losse schroeven zetten van de oubollige waarden van de Belle Epoque, klinkt nu een beetje studentikoos in de oren. Net als de fratsen van Dada zijn ook de poèmes-objets van Man Ray, het bespijkerde strijkijzer of de behaarde vioolstokken, een maniertje.

'Ik herinner mij dat hij het boek erg vlug schreef', zegt Juliet Man Ray in het nawoord dat in 1988 eraan werd toegevoegd, 'hij tikte het met twee vingers.' Man Ray was geen historicus. Kunstenaars moeten zich niet bezighouden met data en statistieken, noch met het nageslacht. Toch was hij tevreden dat hij het boek had geschreven, 'omdat hij, naar zijn zeggen, dan nooit meer over het verleden hoefde te praten'.

Terugblikkend op die tijd, lezend in de memoires, ontdek je de soepele en lenige geest van de kunstenaar. Zijn vondsten waren ludiek; zijn feesten en zwalppartijen memorabel. Zijn vriend Satie had het over 'het Man Ray-effect', over de poëzie die Man Ray aan bizarre voorwerpen of aan het fotopapier kon ontlokken. Alles wat hij maakte, had de allure van een commedia dell'arte: het spannende portret van de markiezin Casati met haar drie paar ogen, de bekende Violon d'Ingres-foto van Kiki de Montparnasse, de Kamasutra-standjes van zijn houten poppetjes of zijn tientallen rayografieën.

Maar misschien meer nog dan zijn poëtische objecten of schilderijen zullen de foto's die Man Ray van zijn vrienden-kunstenaars maakte, in het geheugen blijven hangen, een schitterend museum, het 'belicht geheugen' van de artistieke avant-garde van de eerste helft van onze eeuw.

Man Ray ligt begraven op het Cimetière Montparnasse, sinds enkele jaren in het gezelschap van zijn vrouw Juliet - 'togheter again'. Op zijn sobere zerk, een eenvoudige ovale steen, precies zoals het Flat Egg-beeld dat hij eens maakte, staat geschreven: 'Onbezorgd maar niet onverschillig.'

Kunst dient in de ogen van Man Ray 'the pursuit of liberty and pleasure'. Dat is de bondige raad van een schaakmeester, die hij in een boek had gelezen en zich altijd herinnerde: zich als een meester oefenen in het nietsdoen. 'Voor mij was een kunstenaar een bevoorrecht wezen dat zich kon losmaken van alle maatschappelijke verplichtingen', schrijft hij, 'met als doel het najagen van vrijheid en plezier.' Het motto van Belicht geheugen is een uitspraak van Duchamp: 'Man Ray, n. m. synon. de Joie jouer jouir.'

Misschien echter klinkt bij het oeuvre van Man Ray, bij die tientallen visual oneliners als een van ogen voorziene metronoom of een strijkbout met spijkers, ook dat overweldigende devies op van Guillaume Apollinaire: J'émerveille. Wat hij bij toeval zag, bracht hem in verrukking. Alles wat hij deed, was - zoals een gedicht van Apollinaire - een onbekommerde sprong in het ijle, 'een radheid van tong als die van een medium'.

Paul Depondt

Man Ray: Belicht geheugen.

De Arbeiderspers reeks Privé-domein; ¿ 59,90.

ISBN 90 295 3472 9.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden