Totale ontbinding

Sporadisch blijft een privé-collectie na de dood van de verzamelaar in stand. Meestal verdwijnt ze stukje bij beetje in archieven en andere verzamelingen....

Boudewijn Büch, schrijver en hartstochtelijk verzamelaar, kon er niet mee zitten. Na zijn dood mocht zijn verzameling uiteenvallen: 'Ik heb slechts verzameld omdat ik tijdens mijn leven door mooie dingen omringd wilde zijn.'

Dichter en verzamelaar Gerrit Komrij heeft wat meer oog voor de tragiek van de nagelaten verzameling. 'Moet, na mijn dood, een collectie die met noeste vlijt is verzameld, die het unieke stempel draagt van mijn persoonlijkheid en die, op die manier, nooit meer bij elkaar komt op de wind verwaaien? Moet die niet ondergebracht worden in een bibliotheek, op een instituut, in een stichting, zodat er niet nóg eens iemand zoveel energie in hoeft te investeren en ze voor iedereen beschikbaar blijft?', vraagt hij in een column die hij tien jaar geleden schreef, toen duidelijk werd dat de omvangrijke en uitzonderlijke bibliotheek van de kort tevoren overleden uitgever Johan Polak geveild zou worden.

Maar ook Komrij helt over naar de mening van Büch, die ooit zei dat een verzamelaar alleen kan bestaan bij de gratie van dode verzamelaars. Misschien, zegt Komrij 'moet ik jonge en nieuwe verzamelaars hetzelfde recht en dezelfde kans gunnen op de verwerving van zeldzame werken als ik tijdens mijn leven heb gehad?' En hij concludeert: 'Ik weet niet wat ik er op mijn sterfbed van zal denken, maar zolang ik nog verzamel, is het duidelijk dat ik naar de laatste zienswijze neig. Uit eigenbelang.'

Kees Fens, die eveneens een column aan de teloorgang van Polaks boekerij weidde, verwoordt het gevoel van melancholie dat de kop opsteekt voor wie zich realiseert dat mét de verzamelaar de verzameling sterft. Hij hoopte op een 'man van tien miljoen (of meer)', die de hele bibliotheek in een keer over zou nemen. 'Hij koopt alles en richt de bibliotheek opnieuw in en breidt die uit. En de ramp van de totale ontbinding van een leven en een levenswerk is voorkomen.'

De bibliotheek van de uitgever, schrijver en classicus Johan Polak (1928-1992), was tijdens zijn leven legendarisch. Hij kocht steevast het mooiste en het beste: zorgvuldig gedrukte en gebonden boeken, gezet in de fraaiste letter, hij liet ze opnieuw binden als de band maar een smetje vertoonde. Hij bezat met meer dan tweeduizend bibliofiele uitgaven een van de grootste particuliere verzamelingen van Nederland. Dantes Divinia Commedia, bijvoorbeeld, maar dan wel in 1502 in Venetië gedrukt op perkament, een van de 502 exemplaren van de Engelse bijbel van The Doves Press, in marokijn met goud op snee, de zeldzame eerste druk van Baudelaires Les fleurs du mal, veel banden die onopengesneden bleven - en allemaal werden ze geveild. Polaks bibliotheek bracht 2,2 miljoen gulden op.

Zo gaat het meestal. 'Een verzameling valt eigenlijk altijd uit elkaar: een bibliotheek is een heel persoonlijk verhaal, en interesses vallen nooit helemaal samen', zegt P. Pruimers, secretaris van de vereniging van Nederlandse antiquaren, werkzaam bij Van Stockum's Veilingen in Den Haag. 'Om interesse te hebben voor een hele bibliotheek, zou je ook nog iemand moeten zijn die net begint te verzamelen.'

Veilinghuizen als Van Stockum leven van de verkoop van bibliotheken, maar veel van het aanbod kan niet eens worden geveild. 'Er zijn mensen die uitsluitend gericht zijn op tekst en niet op de uitvoering. Die boeken gaan naar een ander circuit. Maar van de collecties van verzamelaars die letten op de tekst en op de staat van de boeken kunnen we soms wel 90, 95 procent veilen. Alleen komt dat veel minder voor. De meeste mensen verzamelen toch meer groen dan rijp.'

Soms heeft een instelling belangstelling, maar ook dan komt het zelden voor dat een zorgvuldig verzamelde bibliotheek behouden blijft. 'Laatst was er een grote bibliotheek op het gebied van de vrijmetselarij', zegt Pruimers. 'De hoofdloge in Den Haag kon die voor niets krijgen. Maar die had het overgrote deel al. De rest is geveild.'

De Koninklijke Bibliotheek in Den Haag neemt vrijwel nooit een hele bibliotheek aan. 'Soms wordt ons een verzameling aangeboden, daar maken we dan een keuze uit', zegt H. van der Hoeven, die binnen de KB betrokken is bij schenkingen. 'Met de rest mogen we meestal doen wat we willen, een enkele keer wordt er een andere bestemming voor gezocht.'

'Hele verzamelingen nemen we eigenlijk alleen aan van instellingen. Als het bedrijfschap slagersbedrijf wordt opgeheven en de tijdschriften ervan moeten weg, dan neem ik ze op. Dat is toch Nederlands erfgoed.'

'Het klinkt wat klinisch, maar als een collectie onvoldoende relevant is, moet je die afwijzen', zegt H. Visser van het Gemeentearchief in Amsterdam. 'Laat iemand per legaat zijn collectie na, dan is het heel moeilijk een deel te weigeren. Je doet het of je doet het niet. Je kijkt of het past bij je collectie, en doe je het, dan moet je de overlap op de koop toenemen. En soms moet je zeggen: we willen het niet.'

'We hebben hier een weduwe gehad wier echtgenoot alle krantenartikelen over Amsterdam bewaarde, dat was echt dé passie van haar man. Maar wij hebben een persdocumentatie met 2,5 miljoen krantenartikelen vanaf 1840 in zuurvrij dozen. Die mevrouw was in tranen.'

Toch staat in het Gemeentearchief een van de weinige collecties die na de dood van een verzamelaar zijn blijven bestaan - niet alleen als rijen en rijen boeken, nee, in de (voor het publiek ontoegankelijke) bibliotheek van het archief staan de boeken van historicus Jaap Meijer, die in 1993 overleed, nog in de volgorde waarin hij ze thuis had staan. Na zijn dood bleek dat Meijer zijn omvangrijke verzameling met judaïca en hebraïca, veel boeken over de geschiedenis van de joden in Nederland, en een uitgebreide verzameling Tachtigers aan het Gemeentearchief in Amsterdam had vermaakt.

'We hebben er expliciet voor gekozen om het bij elkaar te houden, omdat het geheel ook veelzeggend is, omdat het laat zien waar zijn specifieke belangstelling lag, waar hij mee bezig is geweest', vertelt Visser tussen de kasten met Meijers zo te zien veelvuldig consulteerde boeken in de donkere bibliotheek. Ook de knipsels die Meijer in de boeken bewaarde, liggen bij de bibliotheek - in aparte mappen weliswaar, maar er is zorgvuldig genoteerd in welk boek welk knipsel zat. De bibliotheek moet een goudmijn zijn voor Meijers biografe, Evelien Gans. Het heeft jaren gekost om de hele collectie te ontsluiten, uit alle boeken steken strookjes met catalogusnummers omdat men de boeken niet wilde beschadigen door er een nummertje op te plakken. Hoogtepunt van de collectie vormen twee Hebreeuwse incunabelen, gedrukt in 1485 en gebonden in een, inmiddels gerestaureerde, bruinleren band. Meijer bewaarde ze in een kist die hij maar voor weinig bezoekers opende, zoals van Johan Polak het verhaal gaat dat hij slechts hoogst zelden zijn bibliotheek liet zien, en dat dan nog alleen aan zijn beste vrienden, die wel mochten kijken, maar niets mochten aanraken. Boudewijn Büch had van zijn huis een kast voor zijn verzameling gemaakt, waar slechts weinigen toegang tot kregen.

Er kleven gevaren aan het instandhouden van een verzameling. 'Dat de collectie, bijvoorbeeld, niet wordt opengesteld, maar juist voorgoed begraven. Dat de ijdelheid van de collectioneur, na diens dood, groter blijkt dan de waarde van zijn verzameling', schrijft Komrij.

Meer dan in de literatuur gebeurt het in de beeldende kunst dat verzamelaars proberen hun verzameling na hun dood intact te houden. Hélène Kröller-Müller richtte een heel museum in voor haar collectie. De naam van haar tijdgenoot P.A. Regnault (1868-1954) is inmiddels vergeten. Regnault, een rijkgeworden verffabrikant, bezat de belangrijkste particuliere verzameling na die van mevrouw Kröller-Müller. Maar hij vond haar museum te privé en te veraf gelegen. Zijn collectie moest toegankelijker zijn voor het publiek. Al tijdens zijn leven, vanaf 1914, deed Regnault een aantal kleinere schenkingen aan het Stedelijk Museum in Amsterdam. In 1953 droeg hij 35 schilderijen en twee beelden (meer kon niet vanwege het erfrecht) over aan het Rijk, om ze te plaatsen in het Stedelijk.

Na zijn dood, in 1953, voelden zes van de zeven erfgenamen niets voor het behoud van de verzameling. Alleen de jongste dochter Virginie wilde een museum-Regnault, waarvan zij conservator zou moeten zijn. De collectie bleef nog even bijeen, maar na de dood van Regnaults weduwe in 1958 werden de stukken geveild. Museumdirecteur Sandberg en de gemeente Amsterdam kregen voor de veiling de gelegenheid nog eens twintig stukken te kopen, waarmee de collectie-Regnault een van de fundamenten van het Stedelijk werd. Veel van de moderne klassieken in het museum (Chagall, Picasso, Braque of Ensor) werden oorspronkeling aangeschaft door Regnault.

In de jaren veertig en vijftig werden die werken nog op prominente plaatsen tentoongesteld. Maar in de jaren zestig en zeventig, toen de belangstelling uitging naar abstract en conceptueel, verdwenen de figuratieve werken naar depots. Het duurde tot het honderdjarig bestaan van het Stedelijk, in 1995, voor de schilderijen weer waren te zien.

Maar ook een heel museum oprichten, zoals het Kröller-Müller, houdt een verzameling niet per definitie in stand. Treuriger nog dan dat van Regnault was het lot van Carel Joseph Fodor (1810-1860), een puissant rijke handelaar in steenkool, die bij zijn dood een verzameling naliet van 877 waardevolle tekeningen (onder andere van Rembrandt, Ruysdael, Van Ostade) en 151 schilderijen, voornamelijk van tijdgenoten, die zich lieten inspireren door de ambachtelijke, zeventiende-eeuwse traditie. Zijn favoriete schilderij, Ary Scheffers Christus Consolator (uit 1837), kocht hij voor 23 duizend gulden, in een tijd dat zijn woning aan de Keizersgracht in Amsterdam 33 duizend gulden waard was.

Een paar jaar voor zijn dood kocht hij de panden aan weerszijden van zijn huis met de bedoeling er een museum van te maken dat aan zijn verzameling moest worden gewijd. Museum Fodor moest het instituut gaan heten, schreef hij in zijn testament, en hij liet de gemeente Amsterdam er behalve zijn verzameling ook geld voor na om dat museum voor de toenmalige moderne kunst in te richten.

Helaas.

Al vlak na de opening ervan raakten de schilders uit de vroege negentiende eeuw uit de mode. Wat het publiek rond 1870 wilde zien, waren de schilders van de Haagse School of de impressionisten. Fodors schilderijen werden 'saai' en ze verdwenen in de depots van zijn eigen museum. In 1947 werden de schilderijen opgeborgen in de kelders van het Stedelijk, en vandaar verhuisden ze naar de depots van het Amsterdams Historisch Museum. Het Museum Fodor bleef, zonder de verzameling, bestaan, als dependance met moderne kunst van het Stedelijk Museum. Tot ook dat eindigde: de gemeente Amsterdam had geen geld meer voor de dependance over, in het gebouw zit nu het fotografiemuseum FOAM. Zelfs Fodors naam is van zijn zelfontworpen gevel verdwenen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden