Totale anarchie in De Nederlandsche Bank

Jeanne Prisser bericht over wat zich afspeelt in de voorhoede van de beeldende kunst. Deze week: de stad als inspiratiebron en totale anarchie in De Nederlandsche Bank.

Werk van Mark Bradford, nu te zien in GEM, Den Haag.

Den Haag, 23 juni

Wiki-feitje: Mark Bradford (1961) is een Amerikaanse kunstenaar. Nog een wiki-feitje: Mark Bradford maakt 'abstracte schilderijen met grid-patroon'. Daar wil ik aan toevoegen dat Mark Bradford een kappersdiploma bezit, wat hem voor me inneemt, en bijkluste in de salon van zijn moeder, waardoor ik bijkans verliefd op hem word, en dat hij woonachtig is in South Central L.A., een wijk die ik normaal gesproken zou typeren als drive-by-heaven, ware het niet dat dat precies het clichébeeld is waartegen Bradford ageert en die ik daarom zal typeren als: uitdagend.

Dat stadsdeel, door lokale politici inmiddels omgedoopt tot South Los Angeles - alsof de zieke beter wordt wanneer je de naam van de ziekte verandert - is meer dan Bradfords woonplek. Het is zijn inspiratiebron. Dan rijdt-ie er bijvoorbeeld rond en ziet hij een bord van een stel uitbuiters, pardon: ondernemers, die goedkope huizen opkopen voor snel geld: sexy cash, en dat doet Bradford dan denken aan de indianen en de conquistadores met hun spiegeltjes en kraaltjes, en al snel zitten we tot onze knieën in het slavernijverleden. Zulke verhalen zijn belangrijk hier, ook als je ze amper terugziet. Ze vormen een katalysator. Ze zetten Bradford aan het werk.

Tot zover het verkooppraatje; nu het werk in het Haagse GEM. Dat zijn doeken, geschikter voor de lobby van een bankgebouw dan een woonkamer, en overdekt met lagen van iets wat soms lijkt op karton en papier-maché en soms ook op purschuim of lakverf. Het bordje houdt het op mixed media. Ze doen in enkele gevallen denken aan opgeblazen, geabstraheerde stadsplattegronden - meer Rome dan New York - en ook aan wat overblijft van een bankstel nadat een stel jonge katjes er flink werk van heeft gemaakt. Ik vond ze mooi, vooral het drieluik met bergen, en een beetje vermoeiend. Al die lijnen en scheuren, over het doek verspreid als in een Pollock-improvisatie, en niet direct tot iets coherents komend: na een paar stukken begon het me te duizelen.

Wat de herkomst aangaat: het werk komt vers uit het atelier. De grootste vier (en de mooiste) werden ter beschikking gesteld door galerie Hauser en Wirth en ik hoorde de galeriehouder bij wijze van spreken al aan zijn toekomstige potentiële kopers vertellen dat ze eerder geëxposeerd werden in Den Haag, at the Gemeentemuseum, the one with all the Mondrians, you know. Waardevermeerdering door prestige. Zoals Carmiggelt schreef: een fraai succesje.

Identity #5 2015 van Daniel van Straalen.

Amsterdam, 24 juni

Als, nee: wannéér straks de pleuris uitbreekt - wanneer de 'labbekakkerige' uitkeringstrekkers te hoop lopen tegen werkgeversvoorzitter Hans de Boer; wanneer alle Nederlandse schoolkinderen, studenten, zzp'ers, pgb-houders en Groningse aardgasgedupeerden in opstand komen tegen de kortzichtige hokjesgeest en de duizend denigrerende decreten - weet dan dat de gekte begon in de kunstgalerie van De Nederlandsche Bank in Amsterdam.

Dat verwachtte u niet. Ik ook niet. Het was lang geleden dat ik de galerie bezocht, wat in de eerste plaats kwam door de heisa bij de ingang: twee portiers, een identificatiemomentje, een detectiepoort en een bokkige draaideur. In de tweede plaats kwam het doordat ik De Nederlandsche Bank, dat kapitalistische bolwerk van driedelig grijs (ja, een hokje, mea maxima culpa), gewoonweg als kunstlocatie was vergeten.

Het zal niet meer gebeuren. Eenmaal binnen belandde ik plotsklaps in een staat van algehele anarchie, uitgeroepen door Juliaan Andeweg, Bob Eikelboom en Daniël van Straalen, drie jonge kunstenaars met maling aan regels en richtlijnen en een grote liefde voor onorthodoxe materialen, zoals hologramverf, bubbeltjesplastic en goudvissen. Zij hadden min of meer carte blanche gekregen, een moedige zet van de kunstcommissie van De Nederlandsche Bank, want zoals ik vorige week al roeptoeterde, zijn kunstenaars niet altijd de beste tentoonstellingsmakers.

En dan deze heren loslaten op de keurig betegelde vloer! Het mondde uit in een tamelijk krankzinnige expositie getiteld Making Monsters for my Friends. Die bestond uit een galerieruimte, gehuld in een ziekelijk, kotsgroen licht met op de vloer plasjes epoxyhars in dezelfde kleur, alsof iemand daar net zijn weeë hond had uitgelaten.

Er stond een toren van lege pizzadozen, een gek oventje van keramiek dat op het punt stond een blauwe slang op te eten, en een aquarium met goudvissen waarvan de bodem gemaakt leek van een televisiescherm met ambient light, dat steeds van kleur veranderde. Aan de muur hingen - ik doe een greep - een slordig zwart gespoten ribbelplaat, een reproductie van Beavis (of was het Butthead?) op badstof, en een worst van - ja. Iets glimmends.

Was het mooi? Neen. Verre van, zou ik zeggen, maar dat was dus ook niet de bedoeling. Snapte ik het? Ook niet, maar wat ik wél begreep: hier werd van alles aan een dikke vette laars gelapt. Hokjes, ongeschreven wetten, kunstgeschiedenis, goede smaak - de drie jongemannen hadden er maling aan en dat in het hol van de leeuw. Ik had van alles kunnen opmerken, maar hield voor een keer mijn mond dicht. Sindsdien wacht ik op de gekte.

Info

Mark Bradford, GEM, Den Haag, t/m 18/10.

Making Monsters For My Friends, Juliaan Andeweg, Bob Eikelboom en Daniël van Straalen.

De Nederlandsche Bank, t/m 16/7.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden