Top of the Pops

Simon Napier-Bell liet Wham! als eerste westerse band optreden in China en maakte Japan groot in Japan. De Britse muziekveteraan beschrijft de geschiedenis van de industrie die hij zo goed kent in Ta-Ra-Ra-Boom-De-Ay. Te beginnen in 1710.

Simon Napier-Bell: Ta-Ra-Ra-Boom- De-Ay

Unbound; 192 pagina's; euro 14,99.


Een popsong is geen goede popsong als die niet verkoopt.' Zo, daar heb je meteen de kerngedachte uit Ta-Ra-Ra-Boom-De-Ay van Simon Napier-Bell. 'Het is zo simpel als wat. Als een liedje niet populair is, zal het niet verkopen en is het dus geen pop.'


Eerder dit jaar vertelde de Britse oude rot in het muziekvak (75) op Eurosonic/Noorderslag het een en ander over de mechanismen van de muziekindustie in het algemeen en zijn net verschenen boek in het bijzonder.


Ta-Ra-Ra-Boom-De-Ay schetst een chronologisch overzicht van die industrie. Napier-Bell kan het weten. Nu werkzaam als consultant voor muziekmanagers, was hij sinds de jaren zestig al liedjesschrijver, auteur, producer, journalist maar vooral ook manager. In die hoedanigheid had hij onder andere The Yardbirds, Marc Bolan, Japan en Wham! onder zijn hoede. Hij kreeg het voor elkaar Wham! als eerste westerse popact in communistisch China op te laten optreden; beschreven in zijn derde boek I'm Coming To Take You To Lunch (2006). In zijn tweede, Black Vinyl White Powder (2001), schetste hij de Britse muziekindustrie vanaf de jaren vijftig en de altijd innige relatie tussen drugs en de business. Het boek werd een hit en standaardwerk door de met smaak en gevoel voor oh-la-la geschreven seks-, drugs- en rock 'n' roll-anekdotes die Napier-Bell, vaak uit de eerste hand, optekende. Nu is er een kloek boekwerk van bijna vierhonderd pagina's dat de wereldwijde muziekindustrie beschrijft als een geldbelust, corrupt, dwaas en eigenaardig instituut waar een 'constante vriendelijke oorlog woedt tussen artiesten en platenmaatschappijen'.


Napier-Bell: 'Ik wilde dit al voor Black Vinyl White Powder doen, maar ik kreeg slappe knieën. Toen ik aan dát boek begon begon, zeiden mensen al: 'Hoe ga je in hemelsnaam vijftig jaar Britse muziekgeschiedenis samenballen in een boek?' Ik ontdekte tijdens mijn research dat er achttienduizend boeken zijn die met het onderwerp te maken hebben. Over iemand als Bowie bestaan al 37 biografieën. Dus de hele muziekindustrie...?


'Wat me uiteindelijk over de streep trok, was H. G. Wells' History of The World. Dat is maar 270 pagina's en hij heeft niets belangrijks over het hoofd gezien.'


In Ta-Ra-Ra wordt een en ander weggelaten maar het belangrijkste behandeld. Napier-Bell schetst een overtuigend beeld van de evolutie van de industrie door exemplarische figuren en gebeurtenissen uit te lichten en als casus te behandelen voor een bepaald tijdvak. Rode draad: hoe de steeds wisselende manier van geld verdienen consequent vorm en wezen van het artistiek product bepaalde.


'In de Amerikaanse vaudeville van de 19de eeuw duurde een liedje zo'n vijf minuten. Het was zo lang omdat de artiest het refrein vijf, zes keer zong zodat het in de hoofden van de theaterbezoekers werd geramd. Die moesten, er vertrouwd mee geraakt, vervolgens de bladmuziek kopen. Daarmee werd het geld verdiend.


'In de 20ste eeuw werden popliedjes drie minuten lang omdat het singleformat dat dicteerde. Daarmee werd het geld verdiend. Nu nog wordt 80 procent van de popmuziek volgens een eeuwenoude ijzeren formule gemaakt omdat die het beste verkoopt. Het was nooit: 'Wow, wat een geweldige muziek, laten we ons inspannen om een manier te vinden waarop we die kunnen slijten.' Nee, meer: 'Laten we de muziek veranderen om er meer van te verkopen.' De industrie is gemaakt door mensen als Walter Yetnikoff, de voormalig topman van CBS Records, en David Geffen, de oprichter van Geffen Records en met Steven Spielberg en Jeffrey Katzenberg oprichter van Dreamworks. Best aardige lui die wel iets hebben met muziek. Maar hun eerste en enige motivatie is 'geld verdienen'. Er is echter geen enkele reden om ze daarvoor te veroordelen. Zonder hen zou de muziekindustrie niet eens bestaan.'

U bent als de prototypische manager zelf ook een exponent van popmuziek. Waarom begint u uw verhaal in 1710?

'Dat was het jaar dat het concept van auteursrecht, het copyright, werd uitgevonden. Voor het eerst ontdekten musici en schrijvers, en in het directe gevolg daarvan de uitgevers die al snel die auteursrechten opkochten, een manier om goed aan hun talent te verdienen. Vanaf toen al dicteerde het commerciële aspect de richting van de kunst.'

Geldt dat niet voor elke kunstindustrie? Of dat nu de muziek is met zijn CEO's of de beeldende kunst met zijn invloedrijke galeriehouders.

'Bij populaire muziek werkt het toch fundamenteel anders dan bij, zeg, beeldende kunst. Er bestond nooit de behoefte om die op grote schaal te populariseren. Populaire muziek is vanaf het begin heel bewust met dwang en in bulk aan het grote publiek gevoerd. Daarbij is het de enige kunstvorm waarbij het artistieke product en de advertentie daarvoor samenvallen. Dat wat je hoort, is ontworpen om zichzelf te verkopen. Er zijn maar weinig dingen in leven waar dat voor geldt. Seks wellicht.'


Het zijn vooral de platenmaatschappijen geweest in de popindustrie die het meest aan de kunst hebben verdiend. De grote wereldwijde corporaties, de zogenoemde majors, heden ten dage Warner, Sony en Universal, bepaalden het landschap. Het feit bijvoorbeeld dat de jaren tachtig de megaster hebben gebaard - Madonna, Prince, Michael Jackson - had net zoveel, of misschien meer nog met centen, dan met tijdsgeest te maken.


Napier-Bell: 'Opslag en distributie van cd's is duur. Je kon beter drie artiesten hebben die miljoenen verkopen dan dertig die honderdduizend platen wegzetten. Dus forceerden grote platenmaatschappijen met enorme multimediale investeringen de smaak van het publiek naar de grootste gemene deler en creëerden zo hun megasterren.'


Als manager speelde Napier-Bell het spel van boodschapper tussen de 'boosaardige' platenmaatschappij en de 'pure' kunstenaar. Een tussenpositie die nogal wat vindingrijkheid en sluwheid vereist. Wil je succesvol zijn voor je band, moet je tot het uiterste gaan.

En als je tegen een act aanloopt waarvan je de muziek geweldig vindt maar je aanvoelt dat de verkoopbaarheid - eerste voorwaarde voor succes - nagenoeg nul is. Wat dan?

'Heel slim marketen. De band Japan in de jaren tachtig bijvoorbeeld. Het kostte me drie jaar om een albumdeal voor de band te sluiten. Toen dat album in Engeland uitkwam, speelden ze nog steeds shows in pubs voor tachtig man. Ik kreeg het idee ze in een U-bocht eerst in Japan zelf te laten doorbreken.


'De jongens van de band zagen er erg soft uit en droegen make-up. Japanse tienermeisjes waren gek op die mooie androgyne types. Probleem was alleen dat dat soort tienersterren heel silly popsongs zongen, vergelijkbaar met K-pop nu, terwijl mijn band van de esthetische esoterische rock was. Ik heb een plan opgesteld met platenlabel RCA die vond dat hun look briljant was maar hun muziek niet. We zijn in Japan een fanclub begonnen en hebben de Japanse tienerblaadjes overvoerd met informatie, foto's; alles, minus de muziek, om Japanse tienermeisjes verliefd te laten worden.


'In zes maanden tijd werd Japan de populairste band in Japan en geen van die fans had ook nog maar één noot gehoord. Het was puur gebouwd op image. Toen het album daar uitkwam, verkochten we de eerste ochtend 30 duizend exemplaren; evenveel als het aantal leden dat de fanclub telde.'

U heeft als, naar eigen zeggen, rasopportunist geopereerd in een industrie waar list en bedrog de modus operandi is. Heeft u nooit zo'n opportunistisch besluit genomen waar u later spijt van kreeg?

'Doel je ergens specifiek op?'

Misschien dat voorval rond Freddie Mercury in de jaren tachtig? U kreeg er lucht van dat Queen ook bezig was met concertplannen in China en daarbij Wham! mogelijk als eerste zou inhalen.

'Neeeuh.' Hij haalt doodgemoedereerd zijn schouders op. 'Ach, ik heb nooit letterlijk tegen de Chinezen gezegd: 'Freddie is homo.' Ik heb een brochure in China verspreid met daarin die andere woordenboekdefinitie van het woord Queen, verluchtigd met glitterletters en een foto van Freddie met lipstick op. Maar kom op, Freddie had een manager die er wat aan had kunnen doen en ik ben zelf ook homo, dus dat maakt het minder erg.' Hij lacht.

Met zoveel kunst- en vliegwerk is een popmanager zelf haast ook een kunstenaar. Nooit aan gedacht zelf een magnum opus te scheppen? Een eigen boyband wellicht?

'Ik heb ooit met Paul Morley (Brits gezaghebbend muziekpublicist en indertijd manager van de jarentachtigband Frankie Goes To Hollywood, red.) een gesprek gehad waarin het fenomeen ter sprake kwam. Drie weken later heb ik hem gebeld en gemaild met het voorstel om zoiets samen te doen, maar ik heb er nooit meer wat over gehoord en dan beschimmelt zo'n idee.


'Overigens heeft Paul natuurlijk als bedenker van Frankie Goes To Hollywood zijn eigen perverse versie van een boyband gemaakt. Ik ben eerlijk gezegd meer het type manager dat de structuur neerlegt waarin de artiest zelf creatief kan opereren. Trouwens, het product van een manager die totale creatieve input heeft, die de liedjes schrijft, de bandleden uitzoekt, een geweldig imago verzint en de muziek produceert, hoeft niet per se een boyband te zijn. Het beste voorbeeld is Village People. Jacques Morali heeft daarmee echt een kunststukje afgeleverd.'


Naast zijn werk als consultant produceert Napier-Bell zijn hobbyproject Raiding The Rock Vault: een Las Vegas tribute-rockshow die hij 'een trucje om geld te verdienen' noemt.

Zou u in het veranderde muziekklimaat niet nog steeds als manager willen functioneren?

'Ik zou niet weten hoe het nu aan te pakken. Niet omdat ik denk dat de industrie fundamenteel is veranderd; dat is ze niet. Het feit dat fysieke geluidsdragers misschien compleet zullen verdwijnen is totaal irrelevant.


'Je hebt in deze business drie dingen nodig. Ten eerste de bron van de muziek. Dat zijn de sterren, niet noodzakelijkerwijs de beste muzikanten maar types met een bepaalde persoonlijkheid die bijna wanhopig succesvol willen zijn in het publieke domein en bereid zijn daarvoor hun muziek te compromitteren aan de industrie. En ja, daar vallen ook een David Bowie en een Thom Yorke onder. Ten tweede een manier waarop je hun product populair kunt maken. Hoe krijg je een nieuwe artiest goed over het voetlicht? En ten derde: hoe verdien je daar geld aan? Er is nooit een gebrek aan mensen geweest die dat laatste konden uitvogelen. Ik zelf zou niet weten hoe je dat in de nabije toekomst zou moeten doen, maar het feit dat cd's verdwijnen betekent niet dat er geen nieuwe slimmeriken zullen opstaan die dat wel gaan uitvinden.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden