Top ministerie vreesde in 1984 'uitglijden' Deetman

Topambtenaar mr. Jan Vrolijk leidt het onderzoek naar mogelijke fraude in het hbo. Al in 1984 speelde hij een belangrijke rol bij een fraudezaak die de positie van de toenmalige minister Deetman in gevaar dreigde te brengen....

Van onze verslaggever Thom Meens

De Tweede Kamer buigt zich vandaag over de miljoenenfraude in het hoger beroepsonderwijs (hbo). De Kamer wil duidelijkheid van minister Hermans over wat er is gebeurd in de afgelopen jaren. Hogescholen voerden studenten op die niet bestonden, maar kregen daarvoor wel miljoenen aan rijksgeld. Anderen schreven buitenlandse studenten in voor korte cursussen, maar declareerden de normale prijs voor dagstudenten met diploma.

Hermans neemt de zaak hoog op en laat dat ook merken op zijn departement. Hij stuurde begin deze maand zijn directeur hoger beroepsonderwijs, Jacob Zuurmond, naar huis, omdat deze te laks zou zijn geweest toen hem signalen van mogelijk frauduleus handelen ter ore kwamen. Zuurmond heeft in kleine kring echter laten weten dat hij de zaak niet mocht onderzoeken van zijn baas Vrolijk.

Vrolijk heeft een lange staat van dienst bij de overheid. Hij werkte begin jaren tachtig als bestuursjurist bij de inspectie van het onderwijs.

De inspectie had bij een grote Haagse school gesjoemel ontdekt. Enkele honderden leerlingen stonden ingeschreven aan de moedermavo, maar bleken helemaal niet te bestaan. De school was in de jaren daarvoor mede bestuurd door de CDA'er Wim Deetman, in 1984 zittend minister van Onderwijs, in het jargon 'MO'.

Het advies van de jurist om geen aangifte te doen, kwam het departement goed uit. Men was bang dat de minister in de problemen zou komen als het tot een rechtszaak kwam. 'MO mag niet uitglijden', werd op het ministerie gezegd. In een intern memorandum wordt over de zaak gemeld: 'Zorgvuldigheid zeer gewenst, ook in verband met vroegere betrokkenheid MO; besluitvorming over mogelijke aangifte binnen DGDI (inspectie, red.) na gesprek bestuur.'

Die aangifte is er nooit gekomen. Betrokkenen uit die tijd zeggen dat de jurist formeel geen besluit kon nemen over wel of niet vervolgen: dat doet de inspectie zelf. Het ministerie van Onderwijs stelt in een reactie dat er 'volkomen ten onrechte vraagtekens worden geplaatst bij de integriteit van Jan Vrolijk'. Het weerspreekt de feiten evenwel niet.

In een volstrekt vergelijkbaar geval in hetzelfde jaar werd wel aangifte gedaan tegen het Regionaal Avondcollege West-Friesland in Hoorn. Aan de Haagse school schrijft minister Deetman op 13 juli 1984 een brief over 'niet voor bekostiging in aanmerking komende activiteiten'. In een brief van 25 juli aan de Hoornse school gaat het veel strenger over 'onregelmatigheden in het beheer'. Daarin meldt Deetman tevens: 'Is het Openbaar Ministerie ter zake geïnformeerd.' Bij beide scholen vordert het rijk te veel ontvangen geld terug: 1.702 duizend gulden in Den Haag, 1.617 duizend in Hoorn.

De Haagse zaak is pikant, omdat deze speelde net nadat de inspectie nieuwe regels had gemaakt over het doen van aangifte als er strafbare feiten werden vermoed. In 1983 schrijft inspecteur-generaal Jan Veldhuis van Onderwijs in een brief aan zijn medewerkers: 'Vertrekpunt is de wettelijke plicht van de inspecteur om aangifte te doen. (. . .) De inspecteur beslist zelf, na overleg met de inspectieleiding.' En: 'Opnieuw wil ik benadrukken dat de uiteindelijke beslissing om al dan niet aangifte te doen, formeel uitsluitend bij de inspecteur ligt.'

Nog geen jaar later schendt de inspectie deze regel als de Haagse inspecteur wordt verboden aangifte te doen. De fraude in Hoorn gaat wel naar het Openbaar Ministerie.

De minister is geschrokken van de twee fraudezaken. Hij wil dat de inspectie nog meer onderzoek doet naar frauduleus handelen in het avondonderwijs. Dat is tegen het zere been van de hoofdinspecteur voor het volwassenenonderwijs.

Hij schrijft aan zijn baas Veldhuis: 'Ik ben nog altijd bang dat het boven water halen van afwijkingen uit voorgaande jaren zich als een boemerang naar O. en W. zal kunnen keren. Het lijkt mij niet verstandig nog méér dan tot nu toe tijdens de reguliere leerlingtelling gebeurde, boven water te halen.'

Dat er veel mis is in het onderwijs aan volwassenen, is in grote kring bekend bij het ministerie. Directeur volwassenenonderwijs T. Steenmetser roept op 17 juli 1984 de minister en de staatssecretaris te hulp. Hij wil duidelijkheid over wat kan en mag.

Steenmetser schrijft: 'Thans worden de avondscholen geconfronteerd met een strakker beleid. Dit wordt door de scholen ervaren als een beleidsombuiging, staat op gespannen voet met de gegroeide werkelijkheid en biedt weinig of geen ruimte voor verdere beleidsontwikkeling.'

Die duidelijkheid komt er. De regels moeten voortaan worden nageleefd en bij fraude wordt het Openbaar Ministerie ingeschakeld. Alleen voor de aan de minister gelieerde school in Den Haag heeft dat dankzij het advies van Vrolijk geen consequenties. Zij hoeft slechts het te veel ontvangen geld terug te betalen, maar ontloopt een gang naar de rechter.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden