Toneelvader

'Sorry dat ik je onderbreek Pleuni, maar ik versta die zin nooit.' Het werken met 'zulke grote acteurs' is niet makkelijk, zegt Ton Lutz....

'Mooi hè?' Liefkozend glijdt zijn blik langs de rijkelijk met schilderijen behangen wanden van zijn Amsterdamse grachtenhuis. 'Dit heeft mijn oudste dochter gemaakt. Dit is van mijn broer.' De schilder Lutz die er allang niet meer is. 'Hij zong op zijn zeventiende al liedjes in het Leidsepleintheater. Hij was ons allemaal de baas.'

Ton Lutz, acteur en regisseur, is nu 82. 'Ik geloof het zelf niet.' Met meer dan tweehonderd regies op zijn naam en evenzovele rollen is hij een levend symbool van de Nederlandse theaterhistorie. 'Ik ben een Tweeling, de ene helft is regisseur, de andere acteert.'

Komende week gaat zijn nieuwste regie in première, Lied in de schemering van Noel Coward, met Willem Nijholt, Pleuni Touw en Anne-Wil Blankers. 'Ze vroegen me of ik dat wilde doen. Ik las het stuk, vond het mooi en ach, zolang ik nog in orde ben, doe ik dit er wel bij.' Naast zijn regies geeft hij nog steeds les op de Amsterdamse toneelschool.

'Hierna begin ik met een workshop Drama en Poëzie. Fysiek ben ik nog goed. Ik heb alleen een beetje last van mijn enkels. Een vertraagde bloedsomloop, daardoor loop ik wat stijf.'

Hij is de oudste van het trio toneel-Lutzen, Ton, Luc en Pieter. Sinds vorige maand zijn er nog maar twee over. Luc, met wie hij op de televisie twee jaar geleden nog het Requiem van Perosi zong, is onlangs overleden. 'Hij was hier, we gingen naar de Kring om te biljarten en drie dagen later belde hij op dat hij zo moe was. Hij ging naar de internist, ze zetten röntgenstralen op zijn lijf en zijn hele lever was aangetast. In drieënhalve week was hij dood. Voor hij stierf pakte hij mijn hand: 'Ik heb een prachtig leven gehad.' Ik zei: 'Ik hoop dat je vrede vindt.' Hij antwoordde: 'Die heb ik al.''

Onverhoeds schiet hij vol. 'Het was zo ontroerend. Hij had een oecumenische dienst besteld als symbool tegen wat er in Dublin gebeurt. Dus werd hij begraven met een dominee en een priester die hand in hand stonden. Prachtig.' Weer komen de tranen. 'Hoe ouder ik word, hoe sentimenteler.'

De halve Nederlandse toneelwereld is door hem opgeleid. Toneel is denken, dat credo heeft hij iedereen bijgebracht. 'Kijk, als ik tegen iemand moet zeggen: ik hou van je. Dan is er dat gevoel. Maar er is ook het beséf dat dat gevoel er is. Alleen maar voelen is animale vreugde.'

Twee keer is hij onderscheiden met de Louis d'Or, in 1995 kreeg hij de Oeuvreprijs van de schouwburgdirecties. Bij de uitreiking noemde Peter Oosthoek hem de Toneelvader des Vaderlands. 'Ik ben een geboren toneelschoolmeester. Hoeveel aankomende acteurs en regisseurs ik niet aan me voorbij heb zien trekken. Peter Oosthoek is mijn oudste leerling, die is nota bene 67!'

Een rijzige man, tanig en gewend aan gezag. We praten in zijn studeerkamer, hoog in het huis. 'Hier wordt gedacht.'

Zelden kijkt hij je aan, hij praat moeiteloos voor zich uit. Net zo moeiteloos is zijn carrière gegaan.

In het eerste jaar van de oorlog debuteerde hij al bij een gezelschap, terwijl hij nog op de toneelschool zat. Op het formulier van de Cultuurkamer vulde hij 'nee' in op de vraag of hij lid wilde worden. In 1943 kwamen Nederlandse SS-ers hem van de toneelschool halen. Hij had op het stadhuis van Delft mensen van het verzet geholpen aan valse persoonsbewijzen. De Duitse officier in Scheveningen zei: Sie wussten vielleicht nicht dass es Juden waren. Lutz antwoordde: 'Höre mal, ich bin Schauspielstudent, man sagt ich bin talentiert. Jetzt kann ich weinen, aber ich brauche nicht zu weinen. Ich habe hiermit nichts zu tun.'

'Die officier keek me aan, pakte de telefoon en liet een vrijgeleide voor me uitschrijven.' Later werd hij weer opgepakt en kwam in de gevangenis van Groningen terecht. 'Mijn celgenoot werd een dag voor de bevrijding gefusilleerd.'

Eenmaal thuis bij zijn moeder ('Ben je daar?') hoorde hij dat Richard Flink langs was geweest. Of hij diezelfde avond naar de Stadsdoelen wilde komen. Flink raadde hem aan niet meer terug te gaan naar de toneelschool en auditie te doen bij het Residentietoneel in Den Haag. 'Ze lieten me helemaal uitspreken en na afloop zei Johan de Meester: jongeman, ik wil graag dat je bij het gezelschap komt. Na een half jaar speelde ik een grote rol.'

In 1951 - inmiddels zat hij bij de Nederlandse Comedie - zou er een Griek komen om een klassieker te regisseren voor het Holland Festival. Iedereen bij het gezelschap zat met zijn handen in het haar, niemand kon hem verstaan. Er moest een soort tekstregisseur komen. 'Ton Lutz. Die weet tenminste iets van verzen. Ik weigerde, ik ken mezelf, twee kapiteins op een schip, dat wordt niks. Weer een paar weken later bleek dat die Griek helemaal niet kwam. Ik moest het maar alleen doen. Mag ik daar even over nadenken, vroeg ik. Ja, zei Guus Oster, maar niet te lang. Ik heb 65 duizend gulden subsidie van het Holland Festival en dat kan ik niet missen.'

In 1969 richtte hij Globe op, in 1977 haalde Hans Croiset hem naar het Publiekstheater. 'Daar ben ik in 1984 opgehouden omdat ik 65 werd.' Tijdens de nadagen van de Nederlandse Comedie maakte hij uitstapjes naar de kleine zaal. Zoals in De keizer en de architect van Assyrië in De Brakke Grond onder Kees van Iersel. 'Ko van Dijk vond het belachelijk dat ik dat deed. Wat ga je nou in dat schijthuis staan met studenten en dilletanten? Jij hoort hier! Dat was dan de Stadsschouwburg. Maar ik had het daar een beetje gehad. Elke dag probeerde ik de lakens op bed anders neer te leggen, maar elke keer lagen ze weer net als altijd. Die Gijsbrecht elk jaar. Het heette een traditie, maar het was een slechte gewoonte. Mooie verzen, maar ik vind het een rotstuk. Er gebeurt niks. Het ging om geld, geld en nog eens geld. 's Middags in B-bezetting voor de scholen, 's avonds in A-bezetting. Dat heeft niks met kunst te maken.'

Wat vindt hij van het huidige toneel? 'Daar ben ik gauw mee klaar. Elke tijd krijgt het toneel dat ze verdient. De chaotische werkelijkheid, het nieuwe proberen, alles moet anders. Nog meer geluid, video, straks staan ze nog te spelen op biljartballen.

'Maar ze komen altijd weer tot de essentie terug. Het draait om de waarachtigheid waarmee je het doet. Toneel, zoals Shakespeare al zei, is holding up a mirror to nature. Je hebt holle en bolle spiegels, dat zijn dan de verschillende -ismen. Maar mensen die theater maken, zijn altijd op zoek naar een relatie met de werkelijkheid. Dat heb ik tenminste mijn leven lang geprobeerd.'

Daarom doet hij ook dit nieuwe stuk van Coward. 'Over mensen die een façade om zich heen bouwen omdat ze willen meedoen in een maatschappelijke orde waarin ze voor outcast worden uitgemaakt. Vreselijk.' Een beroemd schrijver, homoseksueel, verschuilt zich achter een huwelijk. Zijn eerste vrouw weet van de jongen waarop hij ooit verliefd is geweest.

'Dan komt er een tweede vrouw in zijn leven, een stevige dame die alles voor hem doet: kookt, tikt, zijn post behandelt. Een slavin. Hij trouwt met haar, zij wil hem beschermen tegen de boosheid van de wereld die vat op hem zou krijgen als hij openlijk homoseksueel zou zijn. Een nichtenmoeder, maar ook een drama.'

'Het stuk verwijst naar figuren als Somerset Maugham en Coward zelf en natuurlijk ook naar Willem Nijholt die het heel mooi heeft vertaald. Het is ooit gespeeld door Paul Steenbergen en Myra Ward in Den Haag. Ik heb die voorstelling nooit gezien. In Engeland speelde Vanessa Redgrave de rol van Pleuni Touw. Willem vond dat zij te veel de actrice speelde die een actrice speelt. Ik duld dat niet. Maskers af.

'Het was niet makkelijk drie zulke grote acteurs bij elkaar te brengen. Maar de laatste vier, vijf dagen heb ik er wel vertrouwen in. Tenslotte is het een belangrijk stuk. Dat outcast-probleem bestaat nog steeds, ook hier. 's Nachts gaan hier toch hele gangs het Vondelpark in om poten te rammen?'

Zelf loopt hij 's avonds laat ook liever niet meer op straat. Daarom heeft hij ook geweigerd toen Ivo van Hove hem vroeg voor Oidipous. 'Ik heb geen zin meer om midden in de nacht thuis te komen.' Tweeënhalf jaar geleden is hij 's nachts overvallen. 'Hier op de brug. Er komen twee donkere jongens aan. Ik dacht: die komen de weg vragen, maar ineens kreeg ik een mes in mijn zij. Die jongen zegt: 'Als je schreeuwt, steek ik je dood.' Ik: 'Dat durf je niet, lafaard.'

''Heb je geld bij je?' vroegen ze. 'Ja.' 'Hoeveel?' 'Honderddertig gulden.' Ik zei: 'Ik zal je wat leuks vertellen, ik geef het jullie omdat je het blijkbaar nodig hebt om allerlei rotzooi in je lijf te spuiten. Intussen had ik mijn portemonnee zo gemanipuleerd dat ze mijn pasjes niet konden zien. Vervolgens wilden ze met me mee naar huis, kijken of daar nog iets te halen viel.

'Ik weet niet waar ik het vandaan haalde, maar ik zei: 'Dat zou ik niet doen want ik heb een heel gevaarlijke hond.' Meteen trokken ze dat mes weg. Wat bleek naderhand? Surinamers zijn als de dood voor honden, omdat kolonisten die altijd meenamen om zich tegen die zogenaamde wilden te beschermen.'

Het voorval greep hem toch aan. De volgende avond in de Brakke Grond kon hij geen taxi krijgen. 'Ik ben gaan lopen door allerlei donkere steegjes, gewoon om mezelf te trotseren. Er gebeurde niets.'

Het liefst doet hij zijn werk overdag. Nog liever samen met Ann Hasekamp, zijn vrouw. Een toneelhuwelijk, ontelbare malen hebben ze samen op de planken gestaan. 'Als er een leuke eenakter geschreven zou worden voor Ann en mij en die konden we spelen als lunchvoorstelling, zou ik dat wel mooi vinden.'

Al 44 jaar zijn ze samen. Tijdens een logeerpartij zag hij een meisje op de trap staan. Ann. Hij was meteen verloren. Maar ze was verloofd met een ander. Acht jaar later ontmoetten ze elkaar weer, toen zijn ze allebei gescheiden. 'Ik was getrouwd met een Groningse, bij wie ik zat ondergedoken. Ineens was ze zwanger. Zij wilde niet trouwen, maar ik vond dat het kind een vader moest hebben. Het ging niet, dankbaarheid is geen basis.'

Uiteindelijk komen de albums tevoorschijn. Familiefoto's. Acht kinderen op een rij, hij de oudste. Zijn vader was tabaksimporteur ('Geen dubbeltje mee te verdienen in de oorlog'). Veel toneelfoto's ook: 'Kijk, van deze cast ben ik de enige die nog leeft.

Een heel jonge Hugo Claus. En hier, met Ann, in De Min in het Lazarushuis.

Waarom heeft hij nooit zelf een stuk geschreven? 'Dat is me vaak gevraagd, maar dan had ik een drieling moeten zijn. Ik heb heel veel vertaald, ben versgevoelig, tekstgevoelig en heb gevoel voor poëzie.' Hoe gevoelig is hij voor kritiek? 'Toen ik de jonge Hugo Claus in Rotterdam lanceerde, schreef een criticus: de jonge Lutz moet het maar eens met een zakje ijs op zijn hoofd proberen. Zulke formuleringen gaan te ver. Het is niet niks om daar te gaan staan, de deurtjes open te zetten en bij je naar binnen te laten kijken. En intussen te roepen: een plaats kost vijfentwintig gulden.'

Een paar dagen later is hij aan het werk. Op de eerste rij, alert, het tekstboek op zijn schoot. Meteen staat hij op als er een woord verkeerd wordt gezegd. 'Sorry dat ik je onderbreek Pleuni, maar ik versta die zin nooit. Dat komt omdat je voordat zegt, het is vóór.'

Een strakke tekstregie, het is zijn handelsmerk. Niks teveel, de tekst doet het werk. Als de televisie een scène op wil nemen, is hij de eerste die voorstelt welke dat mag zijn. En na afloop: 'Het is een mooi stuk. Tevreden? Ach, helemaal tevreden ben ik nooit.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden