Toneelvader des vaderlands

'Vroeger vonden ze dat ik op prins Bernhard leek. Vinden ze trouwens nog wel...

'Ach wat. Iek zeg maar zo: maain frau zegt altaid dat iek heel koet Nederlandsch schpreek.'

Het witte Louis Seize-stoeltje heeft hij verruild voor een met kattenagels bewerkte canapé. Sporadisch kijkt hij de bezoeker aan. Citaten marsbereid, plakbloek bladerklaar. Buiten klinkt regelmatig de stem van een rondvaartboot-gids. Godlof, zegt Lutz gemelijk, wordt op rondvaarten niet vermeld: en in dit grachtenhuis hier tegenover woont de bekende toneelspeler Ton Lutz, samen met zijn vrouw Ann Hasekamp - u weet wel, die gevierde actrice.

Lutz heeft de Toon Hermans voorbij zien varen, de Johan Cruijff gesignaleerd en de Wim Sonneveld. 'Maar ik heb nog niet de eer gehad. Eh, waarrrr o waar heb ik die foto nou?'

De drie toneel-Lutzen, Ton (de oudste), Luc en Pieter hadden ooit een vierde broer. Die schilder was. Die in Katwijk op het klein-seminarie bij de Franciscanen zat en na een jaar gierend van heimwee thuiskwam. 'Kijk hier. Hij zong al op z'n zeventiende liedjes in het Leidsepleintheater. Hij was ons al-le-maal vóór.'

'En ik, ik had als oudste in dat grote gezin van acht kinderen, waarin elk dubbeltje werd omgekeerd, voor het eindexamen Nederlands een tien. Dat komt niet veel voor. Ik kon mooi opstellen schrijven, vonden ze. Vond ik zelf ook, want ik gooide mezelf niet weg. Gedichten, dingetjes: kwijtgeraakt. Mijn broer is dood, en de kist met alles wat ik heb geschreven, is in een opslagplaats verdwenen. Zo gaan die dingen. Ik weet er nog wel eentje die ik geschreven heb toen ik 65 werd. Ik ben van het sterrenbeeld Tweelingen, het gedicht gaat zo:

Met het automatisch pistool in de hand/ staat mijn andere ik in mij klaar/ maar mijn andere andere ik, mijn ik dus/ geharnast van top tot teen/ houdt alles in evenwicht./ Er wordt vaak geschoten, maar niets geraakt./ Zo blijf ik wie ik ben.

'Niet onaardig, vind ik zelf.'

Kutz, stond er in de plaatselijke krant, toen hij slaagde voor het mulo-diploma. Kutz. Ze hebben hem er wat mee gepest, na de rectificatie. Bij diezelfde Nieuwe Delftsche Courant, waar hij nog de oude spelling hanteerde ('hij schopte den bal ver voor zich uit'), mocht hij Bach een schaakmeester in de muziek noemen. Hij was als leerling-journalist immers van alle markten thuis en hij heette Antoon, ook wel Toon. Maar daar werkte al een Toon; Toon Gruwel en de hoofdredacteur met de bijnaam Pijpie Knijters zei: ik noem jou geen Toon, ik doe er een o-tje af, anders kom ik in de war.

'Ik heb met Ton verkeerd en meer van hem geleerd dan van de beste boeken', zei collega-acteur Peter Oosthoek onlangs, vrij naar Brederode. Mister Toneel? Heel toneelspelend Nederland heeft het vak van hem geleerd. Antonius Cornelis Lutz regisseerde tweehonderd toneelstukken en speelde een navenant aantal rollen. Na twee keer de Louis d'Or (in 1968 en 1983) vorige maand onderscheiden met de Oeuvreprijs van schouwburgdirecties. Nu, op z'n 76ste, zoemt een nieuw stuk in zijn hoofd. Van Eli Asser: over de deportatie van joodse geestelijk gehandicapten uit een tehuis in Apeldoorn, 1943.

'Eli werkte daar zelf als leerling-verpleger. Het is zijn verhaal. Een geheim waar hij zelden over sprak. Waar hij zich nu van bevrijd heeft door het op te schrijven. Op zijn afdeling was de laatste patiënt gestorven voordat iedereen door de Duitsers weggehaald zou worden. Eli Asser was verliefd op een meisje dat er werkte. Ze deden hun ster af, ze gingen niet mee op transport naar de vernietigingskampen. Ze waren alles kwijt, ze waren met z'n tweeën over.

'Eli kwam naar me toe en zei: ik ga een stuk schrijven en ik wil graag dat jij de hoofdrol speelt. Met Ann. Maar ik wilde geen ja zeggen voordat hij geschreven had: doek. Want ik heb een keer te gauw ja gezegd op een synopsis van Paul Haenen dat me achteraf tegenviel als dramatische compositie. Brutale winterbekentenissen, over verstopte homo-erotiek. Dat vind ik een ook heet hangijzer, dus dat wou ik wel doen, ten slotte. Het heeft nog een groot publiek bereikt. Het stuk van Asser gaat over een keuzemoment dat zijn leven bepaald heeft. Het heeft te maken met: de oorlog zijn we vergeten, daar praten we maar niet meer over.'

- Gepraat over de Tweede Wereldoorlog irriteert de jongere generaties maar?

'Ja. Maar dat is natuurlijk he-le-maal niet waar. Ik heb kort geleden aan jongeren een soort openbare les gegeven, masterclass met een kapsoneswoord, en dan sta je versteld van de gretigheid waarmee ze in de grote problematiek van het wereldgebeuren plonzen. Troje, Rotterdam, Dresden, Hiroshima, Sarajevo, Srebrenica: de mens heeft niets geleerd. Dan zou je zeggen: waar maak je anders theater voor, als je vindt dat het de spiegel van de werkelijkheid moet zijn? Je doet het for better and for worse.

'Asser komt met zichzelf in conflict door een incident dat hij jaren met zich meedraagt. Dat schrijft ie op. Maakt van de hoofdpersoon een architect van 72. Die is op een feestje ter gelegenheid van de verjaardag van het hoofd van een beoordelingscommissie die min of meer sanctie moet geven aan een hele opdracht: het Europees museum. 345 miljoen, dat is niet niks. Hij heeft 'm in z'n zak, loopt kotsend weg uit de yup-achtige schmeichelaars- en lapzwanzensfeer van het diner en verlangt zijn jas bij de garderobe.

'Hij rijdt met z'n auto tegen de vangrail, wordt ter ontnuchtering ingesloten. Beelden uit z'n verleden komen naar boven. Hij begint een liedje te zingen uit de patiëntenrevue uit 1943, kort voordat het gesticht is leeggehaald: 1500 man, doktoren, verplegers, patiënten, allemaal. Het stuk is bitter, cynisch en geestig en toont ervaringen die tot verstopte trauma's zijn geworden. Hij heeft z'n eigen kinderen er niet over geïnformeerd.

'Het ene moment ben ik 72, dan weer 19 of 30. Zelfs 6 jaar. Droombeelden die in een politiecel vorm krijgen.' De titel Rembrandt was mijn buurman is ontleend aan een uitspraak van een oom, die de hoofdrolspeler inprentte: als je ooit in de narigheid komt, dan zeg je: weet u wie hier voor u staat? Mijn naam is Mathieu Verdoner, ik woon in de Joden Houttuinen nummer 5 en Rembrandt was mijn buurman.

Lutz zelf in de oorlog? Afwerend gebaar. Als militair de Duitse inval meegemaakt. Toen de Nieuwe Delftsche Courant zichzelf ophief, en zo ontkwam aan Duitse censuur, werkte hij op de persdienst van de Nederlandse Unie in Den Haag, 'totdat een knokploeg van de NSB ons eruit sloeg.' Op het stadhuis van Delft hielp hij anderen aan gestolen persoonsbewijzen, waarvoor hij tot twee keer toe werd gearresteerd. In het eerste oorlogsjaar had hij al bij de Haagse Spelers van Pierre Balledux gedebuteerd.

Bij het Residentietoneel ('de god Paul Steenbergen speelde daar') wilden ze hem niet hebben, al had hij bij het r.k. jongelingentoneel nog zo'n fraaie Godefridus van den Breemortel (Anton Coolen) neergezet. 'Jongeman, er zijn al zoveel nonvaleurs aan het toneel.' En lid worden van de Cultuurkamer, controle-apparaat van de bezetter? Nee, vulde hij in op het formulier. 'En de geschiedenis herhaalt zich: ook het gezelschap-Balledux heft zichzelf op.'

In 1943 kwamen ze hem aan de Toneelschool halen, Nederlandse SS'ers. De vader van Guus Hermus gaf hem nog een boterham met bokking mee. De eerste die hij bij de SD in Den Haag zag, was een jongen van z'n school in SS-uniform. Door een grote bek op te zetten, redde Lutz zich uit de beschuldiging dat hij joden aan valse persoonsbewijzen had geholpen. In 1944 zou hij daarvoor andermaal worden gepakt. In Groningen, waar hij ondergedoken zat. Een celgenoot zei: 'Bij de bevrijding drinken we een stevig glas in Amsterdam.' Hij werd gefusilleerd. 'Ik ben naar zijn vrouw gegaan om te vertellen wat z'n laatste woorden waren.'

Zelf overal ingerold en doorgerold. Zoals in Gorcum, mei 1940. Gemobiliseerd dienstplichtige Lutz ziet z'n hand bloeden. Granaatscherf. 'Had me de kop kunnen kosten, maar het was m'n tijd nog niet.' Komt na drie weken met hand in mitella thuis en hoort z'n moeder nog zeggen: ''Mooi! Terug van het front bij zijne moeder. Stel je niet aan.''

'Zeker, dat had met aanstellen te maken. Aandacht trekken. Misschien is toneelspelen ook wel aandacht trekken. In aanleg is het een egocentrische bezigheid. Maar als het om het wezen van de theaterkunst gaat, ben je eigenlijk alleen maar bezig met anderen, je medespelers.'

- Hoe is dat in het dagelijks leven. Is het gemakkelijker voor een acteur om te veinzen? Te huichelen?

'Aan studenten vraag ik: is toneelspelen een creatieve of recreatieve kunst? U bent wat anderen van u gemaakt hebben, dus het is herscheppend. Maar het spelen van een rol is een levend mens creeëren. Die om acht uur 's avonds op 42-jarige leeftijd geboren wordt en om elf uur op 64-jarige leeftijd doodgaat, bij wijze van spreken. Binnen die tijd is het, zoals Orson Welles zegt, not unreal but true. Doen alsof en daarin geloven. En dat is iets anders dan de groenteboer die zegt dat z'n boontjes zo fantastisch zijn, terwijl hij de onderste boontjes in een zakkie doet die al een beetje aangestoken en verrot zijn. Dat zou ik niet kunnen.

'Dat is iets heel anders dan een rol te spelen om de mensheid in de spiegel te laten zien hoe slecht hij is. Of hoeveel recht mensen hebben om zichzelf fatsoenlijk te noemen. . . Je hebt gebroken spiegels waarin het absurde toneel thuishoort, lachspiegels waarin misschien John Lanting thuishoort. Ik ben voor de enigszins aangedane, verweerde spiegel, waar je heel goed in moet kijken wat je doet. Dat is dan een moeilijker repertoire, zoals je wilt. De Grieken, Shakespeare. Dat spiegelbeeld vind ik een belangrijke metafoor voor de toneelkunst.'

- U hebt zelf geschreven. Nooit bij het bestuderen van een rol gedacht: dit zou ik anders hebben gedaan?

'Die aanvechting heb je wel als je een stuk doet dat twtintig jaar geleden vertaald is. Het klinkt krankzinnig, maar de vertaling is gauwer gedateerd dan een oorspronkelijk werk. Ik heb een stuk van Ed Hoornik geregisseerd waarin ik lagen ontdekte waarvan hij zich niet bewust was. In De Kersentuin van Tsjechov zegt de zieke broer tegen de dokter: jij dood ook bang. Charles Timmer, fantastische Ruslandkenner hoor, vertaalt, hou je vast: ''Als jouw laatste uurtje geslagen heeft, zul je ook aardig in de penarie zitten.'' Wèg maatvoering van het stuk. Met hulp van Chiem van Houweninge, die tolk Russisch is geweest, is het veranderd in ''Als jij doodgaat, sterf je ook van de angst''. Dat is binnen het Hollands tenminste nog een leuke woordspeling.'

Als ze zeggen dat Lutz een voortrekker was bij het toneel, dan loopt hij daar niet voor weg 'uit weet ik voor wat voor valse bescheidenheid. Maar ja, ik heb veel veranderd in het naoorlogse toneel.' Ze mogen hem ijdel noemen en dan zal hij zeggen: een neringdoende mag wel op z'n winkelruit plakken dat hij de betere waar levert, en als acteur mag je zeker niet in de spiegel kijken en zeggen: het ging fijn vanavond?

Hoewel. Soms zijn hem de abstracties in het metier wat te groot. Van nieuwe generaties moet alles altijd anders, ja, dat haalt je de koekoek. We bouwen ook anders dan vroeger, kijk maar uit het raam. Maar het toneel was inderdaad te museaal. Onlogisch was de Actie Tomaat in de jaren zestig daarom zeker niet. Hoorde bij de opstand tegen het establisment. Maar als oprichter van Globe verscheen Lutz' fysionomie in een vakbondskrantje, met als onderschrift: van: typische toneelregent.

'Degene die me dat flikte was een Kleinmaler die een grotere rol wou hebben. Dick Scheffer, hij is nou dood. Ik zei: vind ik niet geschikt voor je. Ben je dan een boze directeur? Ik heb toch geen salarisverlàging gegeven? Ik was nooit established. Never. Maar ik ben geen revolutionair. Als je revolte maakt en alles wat geweest is wegdoet, dan heb je verschroeide aarde en verder niks. Als je het verleden niet kent, kun je niet aan de toekomst beginnen.

'Daar was een oude acteur, Pierre Myin, buitengewoon integer, aardig kereltje. Speelde bescheiden rollen. Die kreeg van actievoerders een microfoon onder z'n snufferd met de vraag: ''Wat heb jij eigenlijk je leven lang gedaan?'' Schandalig. En waarom ik een stuk van Goldoni deed uit 1700. Terwijl ik Hugo Claus al lang had gebracht.' Dertig jaar na dato kan hij nog razend worden om het non-talent dat toen z'n kans greep. 'Maar dat non-talent, zoals u het noemt, is al lang weer verdwenen. Hoor of zie je niks meer van, zoals dat gaat.'

Tot in lengte van dagen zal regisseur Sam Bogaerts weten dat die in King Lear, Lutz' laatste grote rol, ten onrechte een coupure heeft vervangen door een rouwzang. Lutz zelf zal altijd ijveren aan een concept. Schaterend vertelt hij over Van Dalsum die na de bevrijding in Zuid-Limburg amateurs toedonderde: ik wil een kathedraaaaal op het toneeeelll. Gaat dat niet? O neeee? Dan maar in de zaaalll. Dan maar geen publiek. Jullie spelen toch voor jullie plezierrr?

Zelf maakte Lutz Haagse amateurs mee die met een dicht doek alleen voor zichzelf wilden spelen. 'Zelfbevlekking, riep ik. Onanie! . . U doet het voor geld, zei een amateur eens. Wij doen het voor ons plezier. Waarop ik antwoordde: u redt uw leven door de kunst en ik geef mijn leven voor de kunst. Applaus.'

Toen Ko van Dijk een oude man speelde die in een tehuis zat en veel verdriet had, plengde hij bittere tranen. 'Heb je dat gezien? Fantastisch, zei een collega tegen me. Ik zei: ja, Ko van Dijk huilde, ja. Maar heb je Paul Steenbergen ook gezien? Die huilde niet. Maar die had verdriet.' Theater is muziek, luidt Lutz' credo. 'In mijn regieboek schrijf ik altijd aanwijzingen op als andante, alegretto, of vivace.'

- U heeft een toneelhuwelijk.

'Ik heb Ann al in 1945 leren kennen. Toen was het raak. Maar zij was verloofd. En toen zijn we allebei met een ander getrouwd. Gewoon. Ik ben getrouwd met het Groningse meisje bij wie ik ondergedoken zat. Zij was pianiste en muzieklerares. Toen ik in 1954 directeur bij het Rotterdams Toneel werd, was Ann er. En werd bevestigd wat negen jaar eerder ontstaan was. Je doet degene verdriet bij wie je weggaat. Maar waar doe je mensen meer verdriet mee? Dat je valse schijn ophoudt en dan mooi weer speelt met een soort Strindberg-huwelijk: bij elkaar weg willen en toch bij elkaar blijven.

'Ik heb me kapot gewerkt in de jaren van dat eerste huwelijk. Dat heeft me gered. Misschien ook wel het feit dat mijn sterrenbeeld Tweeling is. De ene helft kon de andere het zwijgen opleggen.

'Ik speel veel met mijn vrouw samen. Zij zegt altijd: het verlengt je huwelijksgenoegen. Maar wij zijn geen mensen die dag en nacht over toneel praten. Een liefdesscène op het toneel tussen ons, is niet per definitie intenser. De motivatie tot de liefde is in een stuk immers van een totaal andere structuur dan je zelf als emotionele herinnering hebt aan je eerste uren van groot gevoel. Je moet er juist voor waken dat die persoonlijke realiteit vorm krijgt, hoeveel je ook van elkaar houdt, als acteurs. Hé, dat zeg ik vandaag voor het eerst. Vind ik wel een leuke gedachte.

'Trouwens Nicolaas Weinberg, die de prachtigste decors voor me heeft gemaakt, stuurde me pas deze kaart met een tekst van Tsjechov: ''Bent u verliefd? Ja, gedeeltelijk''. Tsjechov is fantastisch.'

- Zijn er op uw leeftijd acteurs met wie u zich verwant voelt?

'Ach nee. Er zijn mensen die gezegd hebben dat ik iets heb van John Gielgud, God hebbe zijn ziel. Vooral die hees aangeblazen stem. Dat zie ik zelf niet zo. Maar ik kan hem wel heel goed imiteren. . . Ik heb nooit gesolliciteerd naar een rol, naar regie, naar docentschap. Alles kwam vanzelf op mijn pad. Ik ben altijd gevraagd. De enkele keer dat ik droomde van een rol die ik zou moeten spelen, heb ik hem nooit gekregen.'

De musical Irma la douce naar Nederland gehaald. The sound of music ook. Tsjechov van de samowar ontdaan. Van Euripides tot Heijermans; van Molière tot Ionesco; van Elektra tot Über alle gipfeln ist ruh; en van Defresneprijs tot van Dalsumprijs: 'Ik hoor dat onschuldige schepsels in de schouwburg zó door de macht van het spel gegrepen werden, dat ze onmiddellijk schuld beleden', zegt Ton Lutz Hamlet na.

Hij vouwt zijn handen, gefixeerd door Penelope de poes. Zoals haar naamgenote op Odysseus' terugkeer wachtte, zo pleegt zij haar medebewoners in huize Lutz te verwelkomen na een voorstelling. 'Wat ik háát', zegt Lutz, dat is The Actor's Studio in New York. De absolute identificatie met je rol. Een stompzinnige leugen, want dan ben je niet meer in staat om te controleren wat je staat te doen. Want wat is toneel? Toneel is heilig liegen.'

En de animale trend met faecaliën op de planken, vervult hem met afgrijzen. 'Je mag het publiek best affronteren. Maar er zijn theatermakers in binnen- en buitenland die publiek het liefst tegen de muur zouden zetten. Zet mij er maar bij, zou ik bijna zeggen. Al ben ik niet van het establishment.

'Kijk, de jongste generatie acteurs ken ik niet zo goed. Maar er is talent. Een jongen als Pierre Bokma bulkt van het talent. En zo'n Gijs Scholten van Aschat idem dito. Zo zijn er nog wel een paar. Hoeveel heb ik er niet les gegeven? Vierhonderd, vijfhonderd? Peter Laseur, Joop Admiraal, Ramses Shaffy, noem maar op. M'n oudste leerling, Peter Oosthoek, is al 61 jaar!

'Soms kom ik zo iemand op straat tegen. Sommigen zeggen maestro, omdat ze me geen Ton durven noemen. Pierre Bokma zegt altijd pappa tegen me. De eerste keer dat ik met hem samen speelde was ik z'n vader.'

- Ton Lutz, de godfather van Nederlands toneel.

'Zeg ik niet hoor. Maar Peter Oosthoek heeft me in zijn laudatio bij de uitreiking van de Oeuvreprijs toneelvader des vaderlands genoemd. Dat is aardig, vindt u niet? Citeer dat maar.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden