Toneelgroep De Wereld

Toneelgroep Amsterdam - eigenwijs, vernieuwend en vaak op reis - wordt wereldwijd gezien als hét theatergezelschap van Nederland. Volgens Hein Janssen moeten we dat bij het 25-jarig jubileum ook maar eens in Nederland vaststellen. Karolien Knols laat drie actrices aan het woord over hun unieke gezelschap en zijn leiders.

'The best performance I've ever seen: The Roman Tragedies', schreef Simon Stephens in The Guardian. Dat was in 2009, toen Toneelgroep Amsterdam optrad in het prestigieuze Barbican Theatre in Londen. Afgelopen najaar speelde de groep van Ivo van Hove Romeinse tragedies ook in New York: drie uitverkochte zalen (1.500 man per avond) in het prestigieuze B.A.M. Multimedia immersive Shakespeare, stond als kop boven de recensie in The New York Post. Ook in de sociale media werd de voorstelling driftig besproken, met 'This is so fuckin dope!' als afdoende samenvatting.


Het mag duidelijk zijn: Toneelgroep Amsterdam is wereldwijd een graag geziene gast. Komend najaar reist het gezelschap onder meer naar Moskou om daar Scènes uit een huwelijk van Ingmar Bergman te spelen. Vlak daarvoor wordt eerst nog St.-Petersburg aangedaan, met De Russen!.


Die internationale exposure is niet nieuw. De groep reist al een aantal jaren de wereld over - van Sydney naar Luik, van Athene naar Tokio. In eigen land onttrekt die internationale roem zich een beetje aan onze waarnemingen. Wat we hier intussen wel weten: Toneelgroep Amsterdam was en is het grootste en toonaangevendste theatergezelschap van het land.


Dit jaar bestaat de groep 25 jaar, een jubileum dat onder meer wordt gevierd met een fototentoonstelling in het Amsterdamse FOAM (met theaterfotografie van Jan Versweyveld, vast scenograaf van de groep) en de documentaire Bloot, een film over acteren die eind deze maand door de NTR wordt uitgezonden.


De toonaangevende positie van Toneelgroep Amsterdam is natuurlijk historisch zo gegroeid. De Stadsschouwburg Amsterdam heeft in zijn geschiedenis nagenoeg altijd de grootste toneelgroep in huis gehad, inclusief de daarbij horende subsidiegelden. Maar het gezelschap heeft het daarbij klaargespeeld om zich al 25 jaar lang voortdurend in de toneelkijker te spelen. Daaraan kwam uiteraard ook de nodige hoofdstedelijke arrogantie te pas, maar niettemin: in Amsterdam gebeurde en gebeurt het, wat toneel betreft.


Jazeker, in die 25 jaar hebben we ook De Trust en later Theatercompagnie van Theu Boermans omarmd, Johan Simons baarde opzien met zijn Hollandia, Ivo van Hove maakte in de jaren negentig van Het Zuidelijk Toneel iets bijzonders en Guy Cassiers ontwikkelde bij het Ro Theater een hogere vorm van theateresthetiek. En toch: Toneelgroep Amsterdam regeert, in voor- en tegenspoed.


Voor dat succes zijn twee mannen gezichtsbepalend geweest: Gerardjan Rijnders ('GJ' voor intimi) en Ivo van Hove ('Ivo van Hove' voor intimi). Rijnders leidde het gezelschap vanaf de oprichting in 1987 tot en met 2000, Ivo van Hove in de bijna dertien jaar daarna, tot op heden. Twee uitersten, die er niettemin voor zorgden dat de groep al die tijd spraakmakend is geweest en gebleven, met ups en downs, momenten van diepe inzinkingen en grote euforie. Dat komt mede doordat de groep altijd een groot ensemble acteurs in huis heeft gehad, met grote namen - van Annet Nieuwenhuijzen tot Pierre Bokma, van Ton Lutz tot Halina Reijn - en regisseurs die tot de besten in hun vak behoren. Dat gold destijds voor Rijnders, dat geldt ook voor Van Hove. Beide mannen markeerden in hun leiderschap ook een tijdsbeeld: Rijnders leidde een tikkeltje anarchistische toneelclub, Van Hove werd directeur van een strak georganiseerd cultuurbedrijf.


Recalcitrant, eigenwijs, vernieuwend, nogal onnavolgbaar, soms tamelijk onuitstaanbaar en een tikkeltje zelfgenoegzaam. Dat zijn wat kernwoorden die van toepassing zijn op de eerste helft van een kwart eeuw Toneelgroep Amsterdam. Rijnders trad in 1987 aan toen Het Publiekstheater (vaste bespeler van de Stadsschouwburg) en Toneelgroep Centrum (vooral actief in Bellevue) op dringend verzoek van de gemeente Amsterdam een fusie aangingen. Beide groepen liepen artistiek op hun laatste benen, het was tijd voor een groot nieuw hoofdstedelijk toneelgezelschap. Rijnders had zich intussen bewezen als eigenzinnig theatermaker bij Zuidelijk Toneel Globe, waar hij aan de haal ging met het wereldrepertoire en schrijvers als Gerrit Komrij binnenhaalde.


Rijnders' eerste voorstelling in Amsterdam werd meteen een ijkpunt in de naoorlogse Nederlandse theatergeschiedenis: Bakeliet. Montagetheater zou het genre gaan heten - een postmoderne mix van muziek, citaten uit de (toneel)literatuur en krantenknipsels, eigen teksten en improvisaties. De acteurs (onder wie Sigrid Koetse, Catherine ten Bruggencate en Ann Hasekamp ) wisten vaak niet eens wat ze op het podium eigenlijk stonden te doen. Het publiek raakte verdeeld in voor- en tegenstanders, maar keek intussen wel zijn ogen uit. Rijnders zou het genre montagetheater verder vervolmaken met producties als Titus, geen Shakespeare, Count your blessings en het schitterende Ballet. Daarnaast stofte hij Griekse tragedies af en verraste met eigen toneelstukken, vaak voor de kleine zaal, zoals Liefhebber (over een gefrustreerde toneelcriticus).


Toneelgroep Amsterdam was in die tijd het thuishonk van een generatie acteurs die was gevormd in de jaren zeventig, en daar hoorden gezelschapsvergaderingen, inspraak en zeggenschap bij. Rijnders zat na afloop van de repetities vaak in het café en daar kon je bij hem aanschuiven. Rijnders gooide ook regelmatig zijn kont tegen de krib, omdat hij zich niet senang voelde in die klassieke schouwburg met dat lijsttoneel en die lastige directeur (Cox Habbema, in die tijd). Wilde de directeur toegankelijk theater, dan maakte hij een ondoorgrondelijke roadtrip. Wilde zij alle aandacht voor de grote zaal, dan wilde hij zijn eigen vlakkevloertheater. Uiteindelijk verhuisde hij demonstratief naar het Transformatorhuis op het terrein van de Westergasfabriek. Het publiek trok achter hem aan, naar de rand van de stad, naar die opgelapte fabriekshal waar de TA-huisband speelde en onder meer Srbrenica! van Guus Vleugel en Ton Vorstenbosch werd gespeeld, een voorstelling die in die tijd voor de nodige ophef zorgde.


Na acht jaar wilde Rijnders eigenlijk weg bij het gezelschap, maar het bestuur vroeg hem nog een kunstenplanperiode van vier jaar te blijven, zodat men voor een goede opvolging kon zorgen. Die opvolger werd uiteindelijk gevonden: het werd niet Theu Boermans, zoals het merendeel van de acteurs en het personeel wilde, maar Ivo van Hove, de favoriet van het bestuur.


Van Hove's debuut in Amsterdam werd een fiasco: The Massacre at Paris, een historisch drama van Christopher Marlowe (over de Franse godsdienstoorlogen), met op toneel een batterij aan enorme gietijzeren kerkklokken, die weliswaar welluidend klonken maar het publiek niet echt bij de les hielden. De hang naar imponeren overschaduwde de inhoud. Van Hove's belangrijkste karaktereigenschap is echter dat hij bij tegenslag altijd weer overeind krabbelt. Toch ging het moeizaam tussen de deels nogal vrijgevochten acteursploeg van 'GJ' en de veel terughoudender en volgens strakke schema's werkende Vlaming Van Hove. Erg welkom voelde hij zich niet. 'In die begintijd zag ik bij Breukelen een groot bord staan: GO HOME! Zo voelde ik het', zei hij daar later over in een interview.


Van Hove wapende zich door een schild om zich heen te bouwen, wat hem de bijnaam Iglo van Hove opleverde, als omschrijving van zijn soms ijzige uitstraling. Aardiger gezegd: hij is Vlaams gereserveerd, slechts in kleine kring laat hij zijn emoties zien. Eind 2003 voltrok zich niettemin een ernstige crisis: een deel van de acteurs kon niet wennen aan zijn stijl van leidinggeven. Midden in het repetitieproces van Rouw siert Elektra werd Van Hove overvallen door een brief waarin de acteurs hun onvrede over de gang van zaken binnen het gezelschap uitten. Van Hove was geschokt, vroeg een week time-out, dook onder in zijn huis in Antwerpen en kwam daarna gelouterd terug om de voorstelling af te maken. Nadien zijn er nog heel wat goodwillgesprekken overheen gegaan.


De directeur ging door, werkte keihard (ook in het buitenland) en verstond de kunst de juiste mensen om zich heen te verzamelen: acteurs die hem op handen droegen en een toegewijde staf. Maar het belangrijkste was: hij maakte spraakmakende voorstellingen, die een eigen stijl hadden en een breed publiek trokken. Het theater van Van Hove is letterlijk bij de tijd: multimediaal, doortrokken van moderne vormgeving, het gaat meestal niet over politieke of maatschappelijke idealen, maar over de individuele mens die liefde en aandacht zoekt, en dat doorgaans niet vindt. Daarin was hij uniek en eigenwijs, mede omdat collega-theatermakers zich met heel andere thema's bezighielden. Boermans en Simons bijvoorbeeld met bloed en oorlog, Cassiers met het verbeelden van verloren tijd en schoonheid (Proust).


Maar een jaar of vier geleden belandde ook wonderboy Van Hove in een artistieke impasse, en verviel hij in herhaling. Weer een theaterbewerking van een door hem bewonderde filmmaker (Bergman, Antonioni, Visconti, Pasolini, Cassavetes). Weer die scenografie van Jan Versweyveld, die, hoe prachtig vaak ook, altijd erg bepalend is en veelal dezelfde onderdelen bevat: kantoormeubilair, videoschermen, ingewikkelde geluidsapparatuur, huisjes, grijze muren. Als het echter allemaal klopt, dan klopt het ook wonderbaarlijk: Angels in America, Romeinse Tragedies, Opening Night,De Russen!. Soms gaat het mis (die naargeestige, niet leuke De Vrek, 2011), dan weer valt alles op zijn plaats (Husbands, over verloren vriendschap, 2012). Pas geleden nog regisseerde Van Hove het fraaie tweeluik Na de repetitie & Persona (naar teksten van Ingmar Bergman): voor zijn doen ingetogen, maar hartstochtelijk theater over al het moois en lelijks dat tijdens ons leven uit onze handen glipt.


Toneelgroep Amsterdam staat 25 jaar na zijn oprichting nog steeds aan de top. Het gaat goed met de groep: internationaal aanzien, een hecht thuisfront in de Stadsschouwburg Amsterdam, voorstellingen die een breed publiek trekken. Dat heeft ook te maken met de uitstekende samenwerking met de huidige schouwburgdirecteur Melle Daamen, die met zijn open programmering en speciale evenementen een tamelijk jong publiek weet binnen te halen, in een gebouw dat vroeger nogal eens als de thuisbasis voor de culturele elite werd beschouwd.


Heel erg veel concurentie op dit topniveau is er eerlijk gezegd op dit moment in Nederland niet. Natuurlijk, soms worden er spannende voorstellingen gemaakt in Arnhem of Rotterdam of Groningen, maar door gebrek aan middelen en pretenties zijn die toch vaak ook minder spraakmakend. Hopelijk ziet ook Theu Boermans in dat hij het aan zijn stand verplicht is de komende jaren met zijn Nationale Toneel in Den Haag die gezonde concurrentie met schwung aan te gaan.


Intussen speelt Toneelgroep Amsterdam gemiddeld de helft van zijn voorstellingen in eigen stad, een kwart elders in het land en een kwart in het buitenland. In samenwerking met De Toneelschuur in Haarlem zijn jonge theatermakers als Eric de Vroedt en Thibaud Delpeut ondersteund. Het ensemble is op peil en met de Rabozaal in de schouwburg is een tweede podium gerealiseerd waarop de groep, niet gehinderd door het klassieke lijsttoneel, zich van zijn meer geavanceerde kant kan laten zien. Regelmatig ook worden gastregisseurs van naam en faam uit het buitenland uitgenodigd, onder wie Christoph Marthaler en Thomas Ostermeier, naast onder anderen Johan Simons en Luk Perceval.


Afgelopen najaar was er wel weer enige onrust en gemor. Sterspelers als Fedja van Huêt en Jacob Derwig verlieten (overigens om persoonlijke redenen) het gezelschap, in Het Parool verscheen een heftig artikel waarin Van Hove als veelverdiener werd bestempeld (vanwege zijn regelmatige en goed betaalde gastregies in het buitenland) en de interne sfeer als een angstcultuur werd gekarakteriseerd. De crisis werd in de kiem gesmoord. Een paar vragen in de gemeenteraad, en dat was het.


Van Hove is intussen bijna dertien jaar de baas van 'het topgezelschap met topacteurs' (zoals vaak te lezen is in de eigen persberichten). Hij maakt er geen geheim van dat deze plek voor hem, met al die internationale mogelijkheden, nog steeds de ideale basis is. Uiteraard wordt er gespeculeerd over de vraag wat te doen als hij onverhoopt weggaat. Zou het tijd zijn voor een nieuw tijdperk, en zo ja: wie zou dat dan moeten inluiden? Wie is de theatermaker met leidinggevende capaciteiten, die gepokt en gemazeld is in het vak en bovendien het vizier gericht heeft op het Europese theater?


Het zal niet eenvoudig zijn in eigen land zo iemand te vinden. Theu Boermans zit vast bij het Nationale Toneel, Johan Simons zit hoog en droog in München, Guy Cassiers in Antwerpen. Relatief jonge theatermakers als Thibaud Delpeut en Erik Whien moeten nog de nodige vlieguren maken voordat ze goed toegerust een groot stadgezelschap met internationale ambitie kunnen leiden, voor zover ze die ambitie al zouden hebben.


Zou de toekomstige leider van Toneelgroep Amsterdam dan uit het buitenland gerekruteerd moeten worden? Jazeker, en zijn naam is Luk Perceval. Vlaming, controversieel regisseur, die net zo goed Shakespeare en Tsjechov binnenstebuiten keert als een toegankelijke toneelversie van Coetzee's In Ongenade maakt, waarvoor de zalen vollopen (binnenkort weer te zien, bij Toneelgroep Amsterdam). Hij was al eens artistiek leider van Het Toneelhuis in Antwerpen, maakt nu furore in Duitsland en beschikt over een groot Europees netwerk. Eén probleem: Percevals agenda schijnt tot 2019 vol te zitten.


Een opvolgingskwestie lijkt voorlopig echter niet aan de orde. De zilveren historie van Toneelgroep Amsterdam kan dus vooralsnog helder worden ingedeeld in het tijdperk van de theatermaker-provocateur Rijnders en dat van de theatermaker-manager Van Hove. Het toneellandschap mag dan in de afgelopen 25 jaar behoorlijk zijn veranderd, Toneelgroep Amsterdam veranderde mee en heeft daarin altijd zijn vaste en onontkoombare positie weten te behouden. Dat zullen ze binnenkort ook in Moskou te zien krijgen, in St.- Petersburg, elders in de wereld, maar bovenal in Amsterdam.


inbetweens in FOAM

In het Amsterdamse fotomuseum FOAM is op dit moment de tentoonstelling inbetweens te zien, met theaterfotografie van Jan Versweyveld. Hij is sinds 2001 scenograaf bij Toneelgroep Amsterdam en is vanaf 2005 ook de huisfotograaf van het gezelschap. Met bijzondere opnamen uit voorstellingen, onbewaakte momenten uit repetities en beelden uit de coulissen. T/m 17 maart, www.foam.org.


Op de voet gevolgd

De NTR zendt op 26 februari in Het Uur Van de Wolf de documentaire Bloot- een film over acteren uit, gemaakt door Paul Cohen en Martijn van Haalen. Zij volgden regisseur Ivo van Hove en de acteurs Hans Kesting, Roeland Fernhout, Barry Atsma en Halina Reijn tijdens het maken van de voorstelling Husbands. 'Bloot is een prikkelende documentaire over de essentie van acteren, over kunstenaarschap en de menselijke behoefte aan verbinding.' Te zien op 26 februari, Nederland 2, 22.55 uur.


Opvolgingskwestie

Uiteraard wordt er gespeculeerd over de vraag wat te doen als Ivo van Hove weggaat. Zou het tijd zijn voor een nieuw tijdperk, en zo ja, wie zou dat dan moeten inluiden? Meer dan eens wordt dan Luk Perceval genoemd: Vlaming, controversieel regisseur, die net zo goed Shakespeare en Tsjechov binnenstebuiten keert als een toegankelijke toneelversie van Coetzee's In Ongenade maakt, waarvoor de zalen vollopen (binnenkort weer te zien, bij Toneelgroep Amsterdam). Eén probleem: Percevals agenda schijnt tot 2019 vol te zitten.


De 10 favoriete voorstellingen van Hein Janssen

1. De Hoeksteen (1988), tekst en regie Gerardjan Rijnders. Hollands kitchensinkdrama met Joop Admiraal als armlastige moeder die zelfs haar parkietje moet opeten.


2. Lulu (1989) van Frank Wedekind, regie Ivo van Hove (als piepjonge gastregisseur). Opzienbarende voorstelling met Chris Nietvelt als verloren ziel Lulu, die vermalen wordt in een door mannen gedomineerde, verdorven wereld.


3. Ballet (1990), tekst en regie Gerardjan Rijnders. Sublieme montagevoorstelling waarin de acteurs met muziek, dans en eigen teksten op zoek gaan naar geborgenheid, in monumentaal decor van Paul Gallis.


4. Andromache (1990) van Euripides, regie Gerardjan Rijnders. Trojaanse vrouw gaat ten onder aan oorlog en mannen, in hevig gestileerde tragedie, met Chris Nietvelt in adembenemende titelrol.


5. Een soort Hades (1997) van Lars Norén, regie Gerardjan Rijnders. Noréns psychoanalytische ensemblestuk, opgevoerd in het Transformatorhuis op en rond ziekenhuisbedden; het publiek kwam lamgeslagen naar buiten.


6. Angst en ellende in het rijk van Kok (1999) van Guus Vleugel, regie Gerardjan Rijnders. Vleugel schreef vooruitziende satire over homoseksueel die in de grachtengordel belaagd wordt door kut-Marokkaantjes, ver voordat dat begrip bestond en de discussie erover urgent werd.


7. Kruistochten (2005) van Alan Ayckbourn, regie Ivo van Hove. Sleutelrol voor kat Jaap die op het dak van een huis vol ontevreden middleclasspersonages neerkeek op hoe goed Van Hove deze moderne tragikomedie van Ayckbourn naar zijn hand zette.


8. Opening Night (2006) naar John Cassavetes, regie Ivo van Hove. Prachtig ensemblespel met Elsie de Brauw als losgeslagen actrice in de voze wereld van theater en film, die het benauwde repetitielokaal verre overstijgt.


9. Angels in America (2008) van Tony Kushner, regie Ivo van Hove. Even aangrijpende als barokke toneelopera over vriendschap, verlangen en dood in door aids en angst aangetast tijdperk. Magistrale mix van pathos en intimiteit.


10. Husbands (2012) naar John Cassavetes, regie Ivo van Hove. Drie jeugdvrienden ontvluchten huis en haard om midlifecrisis te beteugelen, maar verliezen meer dan ze lief is. Treurig, wijs en louterend.


SIGRID KOETSE (77), BIJ TA 1987-2000

Toen Sigrid Koetse in 1987 bij Toneelgroep Amsterdam begon, was ze 52 en gepokt en gemazeld in het klassieke repertoiretoneel: Shakespeare, Tsjechov, Pinter, Brecht. Ineens stond ze in Bakeliet, de eerste montagevoorstelling van Gerardjan Rijnders.


Totaal andere werkwijze dan ze gewend was: 'Op de eerste repetitiedag had GJ een boek bij zich over de familie Baekeland, de uitvinders van het bakeliet, en zei hij: zoek er maar wat tekst uit. Je beseft niet hoe eng het is, zo'n eerste keer improviseren, met al die nieuwe mensen om je heen. Gerardjan kon zo over zijn bril kijken, en niks zeggen... Hij liet ons soms een dag rommelen, om vervolgens alle touwtjes in handen te nemen en strak te trekken - en dan was het meestal in één keer goed.


Ik heb in die tijd drie keer buiten gestaan en gedacht: ik ga nu naar kantoor om ontslag te nemen. Het is dankzij Ann Hasekamp dat ik ben doorgegaan. Ann zei: 'Ben je helemaal gek, opstappen? Ze was ouder dan ik, maar ze blikte of bloosde niet bij wat Gerardjan van haar vroeg. En toen dacht ik: ze heeft gelijk, ik móét ook wennen. Achteraf gezien is het de meestbepalende beslissing in mijn carrière geweest om te blijven, want ik heb dertien fantastische jaren gehad.'


Een opborrelende lach: 'Ik weet nog dat Ann en ik tijdens de première het toneel op werden gereden. Op een soort bar. Met ons gezicht naar de zaal. Die elf andere vrouwen achter ons en Paul Koek die fantastische muziek maakte op zijn drumstel. Maar ja: wel een lawaai. Ik zag op de eerste rij alleen maar verschrikte ogen - de zenuwen waren meteen weg.'


Ze kreeg een Theo d'Or voor haar rol in Bakeliet. Kreeg daarna van Rijnders de ene mooie rol na de andere. 'Hij zag het zitten met me. En ik met hem.' HetJachtgezelschap van Thomas Bernhard, Terug in de woestijn: 'Ik ben zo blij dat ik die rollen heb mogen spelen. Callas in de bovenzaal: heel zwaar in mijn eentje op het toneel, maar een knalsucces. Richard III, ook fantastisch. Ik als ouwe koningin Margareth, met die grote scheldkanonnades. En die moeilijke, prachtige vertaling van Komrij.


Rijnders heeft haar blik op het theater veranderd, zegt Koetse. 'Ik vond veel toneel daarna saai.' Koetse kan niet goed uitleggen waar het precies aan lag: 'Rijnders dacht anders. Avontuurlijker. Tijdens de repetities voor Richard III hebben we een hele tijd gediscussieerd over de vraag hoe ik als koningin moest opkomen, vlak voor ik tekeer zou gaan tegen mijn hofhouding. Van achter uit de zaal op komen lopen, door de hofhouding heen? Werkte niet. Ineens zei GJ: 'Ik weet het. Je gaat vooraan op het toneel liggen, zonder licht. Niemand ziet je nog, dan gaat er een spot aan, kom je omhoog, en dan begin je.' Ik zou zoiets nooit hebben bedacht, als een vod in mijn mooie kostuum op de grond gaan liggen, maar het bleek zó goed te zijn. Wham! Vanuit het niets was ik er.'


In 2000 namen ze beiden afscheid van Toneelgroep Amsterdam, met Bernhard, een stuk dat Rijnders voor haar had geschreven. Daarna ging Koetse met pensioen. 'Als Gerardjan was gebleven, was ik misschien langer doorgegaan. Of had ik nog eens een gastrol gedaan.'


Voor de premières van haar oude club is ze sindsdien altijd uitgenodigd. 'Ik heb in het begin moeten wennen aan Ivo's stukken, maar tegenwoordig kom ik uiterst tevreden uit de zaal. De Russen! vond ik fantastisch. En Nora. Weet je wat ik zo leuk vind? Dat ik de ontwikkeling van al die jonge collega's van vroeger kan blijven volgen. Want ze waren niet alleen heel lief voor me, ze zijn ook nog eens erg goed geworden.'


CHRIS NIETVELT (51), BIJ TA VAN 1988-1994 EN 2005-HEDEN

Ze hebben een keer, het was voor een generale repetitie van Titus, geen Shakespeare, 120 oesters laten aanrukken, 'want dat scheen iets te doen met je'.


Na al die jaren vervult het haar nog steeds met een warm gevoel: hoe ze eind jaren tachtig als ensemble werkten. Pierre Bokma was er toen nog, Catherine ten Bruggencate, Annet Nieuwenhuizen, Titus Muizelaar. Regisseur Gerardjan Rijnders, een fenomeen voor de nog jonge Nietvelt.


Voor de Belgische was de transfer naar het Amsterdamse gezelschap niettemin een cultuurshock. 'Zeker is dat niets zeker is': dat was het motto van de nieuwe club. Behalve dat dat betekende dat ze alles konden spelen, van klassiek repertoire tot montagevoorstelling tot zelfgeschreven werk, was er ook geen sprake van hiërarchische verhoudingen, dus de stemming was, hoe zal ze het zeggen, enigszins anarchistisch.


'We hadden het een keer over fietsendiefstal en iemand zei: 'Als mijn fiets wordt gestolen, steel ik er gewoon een terug.' Waarop ik vroeg: 'Maar ga je dan niet naar de politie?' De hilariteit die toen ontstond, begreep ik niet.'


Het eerste stuk waarin Nietvelt een (kleine) rol speelde was Titus, geen Shakespeare. Het was Rijnders' tweede spraakmakende montagevoorstelling, waarin delen van Shakespeares Titus Andronicus werden verweven met het verhaal van de in 1984 door neonazi's vermoorde Amerikaanse radiopresentator Alan Berg.


'De improvisaties die Gerardjan van zijn acteurs vroeg: dat was totaal nieuw voor mij. Ik zie nog Celia Nufaar achter een strijkplank, met een verhaal waarbij ze putte uit haar eigen jeugd. Ik dacht: amai, dat je durft zo kwetsbaar te zijn.'


Een jaar later speelde ze de hoofdrol in Lulu van Frank Wedekind. Gastregisseur was de jonge Ivo van Hove. Opvallend verschil tussen Rijnders en Van Hove toen, zegt ze: 'Gerardjan werkte vanuit een maatschappelijk engagement of verzon nieuwe theatervormen. Ivo begon, begint nog steeds, bij de psychologie, bij wat iemand drijft. Hij is nieuwsgierig naar de relaties tussen mensen.'


Na zes jaar hield ze het bij Toneelgroep Amsterdam voor gezien. 'Het eerste jaar zag je het publiek denken: laat maar eens zien wat jullie kunnen. Het tweede jaar: niet zo slecht wat ze doen. Het derde en het vierde jaar riep iedereen: wow, Toneelgroep Amsterdam! En toen werd het te gemakkelijk. Ik ging achterover leunen. Daar kwam bij: ik was 32. Ik wilde nog zo veel.'


In 2005 keerde ze terug, gerijpt bij ZT Hollandia onder Johan Simons. Ze kwam in een totaal nieuw ensemble, dat een trauma te verwerken had na het vertrek van Rijnders. Van Hove introduceerde een andere stijl van werken: gedisciplineerd, ordelijk, hiërarchisch. 'Het is achteraf gezien verbazingwekkend hoe snel Ivo weer één ensemble heeft gesmeed.'


Tegelijkertijd met Nietvelt voegden zich Frieda Pittoors, Fedja van Huêt en Hadewych Minis, allen van Hollandia, bij de groep. In datzelfde jaar kwamen ook Jacob Derwig en Eelco Smits naar Amsterdam. Nietvelt: 'Wat wij deelden, was een waarachtige manier van spelen en daarmee gaven we een positieve impuls aan een verdeeld gezelschap.'


Een hoogtepunt in het oeuvre van Toneelgroep Amsterdam noemt Nietvelt Romeinse Tragedies (2006/2007), en niet omdat ze voor haar rol van Cleopatra een Theo d'Or won. 'Ivo had drie Shakespearetragedies aan elkaar gesmeed, scenograaf Jan Versweyveld bedacht dat het publiek op het toneel moest zitten want dat verbeeldde de zich ontwikkelende democratie, de beamers en tv-schermen op toneel werkten geweldig en dan stonden we ook nog eens met het complete ensemble op het toneel.'


KARINA SMULDERS (32), BIJ TA SINDS 2002

Ivo Van Hove geeft Karina Smulders al tien jaar dezelfde aanwijzing, de belangrijkste, wat haar betreft: niet zuinig spelen, maar voluit. 'In Ivo's woorden', zegt Smulders, 'niet calvinistisch, maar katholiek. Daarmee daagt hij me uit altijd een stap verder te gaan.'


Ze zat in het derde jaar van de toneelschool in Maastricht toen ze in 2001 werd gecast voor een rol in True Love van Toneelgroep Amsterdam. Ze moest een meisje spelen met wie door een paar mannen werd gedold, in een scène die leuk begon, maar eindigde in een aanranding.


Op haar eerste repetitiedag, de cast was toen al drie weken aan het repeteren, stelde ze zich voor en ging aan de kant zitten kijken tot Van Hove vroeg waar 'dat meisje' was. Of ze de film Deliverance kende, vroeg hij, en ze loog van ja. Die scène in het bos, zei Van Hove, zo'n soort sfeer wilde hij. Roeland Fernhout zat in het stuk, en Mimoun Oaïssa, Jorre Vandenbussche. Smulders: 'De jongens gingen los en ik durfde, hoe eng ik het ook vond, met hen mee te spelen. Het ging goed, meteen al de eerste dag.'


Een jaar later had ze een contract op zak en speelde ze Desdemona in Othello. 'Een droomrol in een klassiek stuk, met die enorme Hans Kesting als tegenspeler en dan die prachtige zaal die ik de eerste keer niet eens ín durfde te kijken. Ik dacht: ik kan alleen maar alles verkeerd doen.'


De recensies waren lovend: een nieuwe ster was geboren. Hoe het dan toch enkele jaren kan duren voor je dragende rollen krijgt, in Smulders geval: Zomertrilogie, Na de zondeval (ze speelde Marilyn Monroe) en Persona/Na de repetitie? Ze windt er geen doekjes om: 'Als jongste actrice van het gezelschap ben ik lang de baby gebleven, het kleine zusje. Ik kreeg de jonge, naïeve rollen, die gingen me ook goed af. Maar na een jaar of vijf - Halina Reijn zat inmiddels ook bij het gezelschap, ze was maar een paar jaar ouder dan ik, maar ze kon al zo veel meer - heb ik tegen Ivo gezegd: 'Wat zij doet, wil ik ook.' Waarop Ivo zei: 'Profiteer er maar van dat je nog even in de luwte kunt spelen.''


In Ifigeneia in Aulis (2008) werkte ze voor het eerst niet met Van Hove, maar met gastregisseur Robert Woodruff. 'Ivo is mijn vader, begrijp je, bij Ivo kan ik me afhankelijk opstellen. Te afhankelijk soms. Bij een gastregisseur moet je volwassen zijn, meer je eigen inbreng hebben. Dat was voor mij een belangrijke les.'


Ze vond het moeilijk om daarna weer terug te vallen in de rol van 'het kleine zusje van de groep' en ze wilde dat ook niet meer. Anderhalf jaar geleden, de jonge Hélène Devos was net aangenomen, heeft ze het Van Hove op de man af gevraagd: 'Betekent het dat ik een ander soort rollen aankan of ga ik afvloeien?'


Het was het eerste. 'Eindelijk verantwoordelijkheid. Ik moet echt aan het werk.'


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden