Tom Dixon: 'Er is geen excuus om nog meer spullen voor té rijke mensen te ontwerpen'

Houdt van lassen. De Britse topontwerper Tom Dixon is nog steeds een brood-nuchter mens, ondanks het succes. Verkopen, dat is wat hij wil. 'Dit is nog maar het begin.'

Uit de nieuwe collectie 'Void Light' Beeld Els Zweerink
Uit de nieuwe collectie 'Void Light'Beeld Els Zweerink

Als het je lukt om een geurkaars te verkopen voor 35 euro louter omdat je naam erop staat, dan mag je stellen dat je het tot A-merk hebt geschopt. Ontwerper Tom Dixon lukt het. De grootste naam in Brits design is hij, beroemd geworden met lampen en meubels die in musea staan, en nu duidelijk toe aan een volgende stap. In zijn winkel-annex-showroom-annex-restaurant in de Londense wijk South Kensington staan ze overal, die geurkaarsen, in koperen houders met ECLECTIC by TOM DIXON erop. Voorts zijn er sleutelhangers, waxinelichthouders, bagagelabels, boekensteunen, schaaltjes, snijplanken, suikerpotten, een taartschep, een pepermolen en een deurstopper in de vorm van een vergulde schoen. Het is véél, het is luxe, het is niet goedkoop. Nogal bling bling ook, met een champagnekoeler in blinkend koper en zo'n duurdoenerige theeset (pot, melkkan en suikerpot op een dienblad) die alleen voor de sier op de kast zal staan.

De vraag dringt zich op of je dit wel moet willen, als gerenommeerd ontwerper, om juist nu een hele serie nieuwe hebbedingen op de markt te brengen? Niet meer, maar béter ontwerpen is immers het credo van een hele nieuwe generatie designers. Sociaal ontwerper en Zomergast Daan Roosegaarde wijdde er onlangs zijn hele avond aan. Hij voerde Philippe Starck op om de boodschap te onderstrepen: zelfs die roept klaar te zijn met almaar meer, meer, meer.

Maar Tom Dixon (54) doet er niet moeilijk over: jazeker wil hij dit. De designer - hij stapt zijn eigen zaak binnen op afgetrapte gaatjesschoenen, zijn blinde poedel Molly onder de arm - reageert laconiek. 'Het is vanaf het begin mijn plan geweest om dit soort dingen te gaan verkopen. Ik ben begonnen met de grote, substantiële dingen - meubels en lampen, daarmee verover je een positie in de designwereld. Daarna volgen de accessoires, dat is voor mij vrij logisch. Ik ben heel blij dat het nu zo ver is. En er komt nog veel meer. Dit is maar het begin.'

Heeft het met de crisis te maken? Verkopen dit soort dingen beter, nu mensen geen nieuwe huizen meer inrichten?
'Ach, crisis. Ik weet niet beter of het is crisis. In de jaren zeventig was er de oliecrisis, toen ik begon als ontwerper was het crisis en nu is het ook alweer jaren crisis - en als het geen crisis is, is er meer geld in omloop, maar dat is ook nogal illusionair, niet? Oké, het komt meer dan ooit aan op ondernemerschap en flexibiliteit, maar dat is helemaal niet verkeerd voor een ontwerper. We doen nu iets meer ons best voor Azië en Zuid-Amerika. Dat gaat heel goed. Ik heb net nog voor 45 duizend euro meubels verkocht aan een particulier in Peru.'

De fatspot, een ontwerp van Tom Dixon. Beeld Tom Dixon
De fatspot, een ontwerp van Tom Dixon.Beeld Tom Dixon

Uw collega Philippe Starck noemt design een cynisch vak, vooral bedoeld als marketingmiddel. Een gelikt ontwerp zorgt ervoor dat mensen een nieuwe wc-borstel willen, ook als de oude nog prima is. Dixon haalt zijn schouders op.
'Moet hij vooral zeggen, hij is zelf het grootste voorbeeld. Waarom doet hij het dan nog? Natuurlijk, spullen ontwerpen is een tamelijk zinloze onderneming, maar het hele leven is een zinloze onderneming. Er zijn ergere dingen te bedenken dan mooie dingen maken. We kunnen niet allemaal kinderen in Syrië redden. Ja, design moedigt consumptie aan, maar het is niet zo dat je er mensen mee vergiftigt.'

Nou - overconsumptie is wel een enorm probleem.
'En daar hebben we allemaal schuld aan. Ik, maar jij ook.' Dixon wijst op de fotografe, die aangeschoven is. 'En zij ook. Zij maakt nu mooie foto's voor een blad dat over een paar dagen weer wordt weggegooid - jullie zijn ook deel van het probleem.'

Dixon is er de man niet naar om zijn gasten in te pakken met small talk of een politiek-correct verhaaltje. Over de uit Nederland meegebrachte stroopwafels zegt hij droog: 'Van het vliegveld, zie ik?' (klopt), waarna hij ze terzijde schuift. Humor heeft hij wel; op de vraag hoeveel interviews hij per week geeft, zegt hij: 'Zesenvijftig.' En als zijn hoofd tijdens de fotoshoot achter een hanglamp verdwijnt, mompelt hij: 'Dit is waarschijnlijk het beste voor de foto.'

Naast meubels en kandelaars hebt u een huis ontworpen in Monaco en onlangs een kledinglijn voor Adidas. Kunt u alles ontwerpen? 'Ik zou niet weten waarom niet.' Hij grinnikt: 'Het wordt misschien niet allemaal even goed, maar ik zou het graag proberen. Elektronica, telefoons, auto's - alles is design. Ik zie overal kansen.'

Broodnuchter
Als ontwerper zit Tom Dixon ergens tussen celebrity Philippe Starck en ambachtsman Piet Hein Eek in. Onder designliefhebbers is hij een beroemdheid, die zijn producten wereldwijd verkoopt in interieurwinkels van Brazilië tot Bahrein. Zijn spiegelende lampen Mirror Ball en Copper Shades, bestsellers uit zijn collectie, hangen in hippe hotelbars in Moskou en Hong Kong. De S-Chair, zijn doorbraak in 1989, werd aangekocht door musea als het Victoria & Albert in Londen en het Museum of Modern Art in New York.

Geen slecht uitgangspunt om een nog groter publiek te veroveren. Vandaar die nieuwe lijn woonaccessoires, vertelt een medewerker van Dixon later op de dag. 'Architecten en interieurstilisten kennen Tom Dixon allemaal, maar het grote publiek bleef een beetje achter. Meubels staan op de vierde verdieping van de warenhuizen, daar winkelt niet iedereen. Deze spullen staan bij de ingang, op de begane grond. Je neemt ze makkelijk mee, voor jezelf of als cadeautje. Vergelijk het met Prada: je ziet de prachtige jurken in de bladen, en je koopt een sleutelhanger.'

Copper shade, 2005. Beeld Els Zweerink
Copper shade, 2005.Beeld Els Zweerink

Hoe hoog zijn sterrenstatus ook rijkt, Dixon is ook een broodnuchtere Brit, echtgenoot en vader van twee dochters. Als het even kan, komt hij op de fiets naar zijn werkterrein hier, in een sympathiek-rommelige buurt langs een kanaal in Londen. In een oude fabriek opende hij drie jaar geleden zijn eigen designimperiumpje, net als Eek dat in Eindhoven deed. Behalve winkel en showroom heeft Dixon hier zijn studio, waar hij zeventig man voor zich heeft werken - veelal hippe twintigers die zich tijdens de lunch laten zien. Boven de winkel zit het door Dixon ingerichte restaurant Dock Kitchen, waar je 'je al trendy voelt als je er alleen maar naar binnen loopt' volgens dagblad The Independent.

Beneden zit Tart, een stuk eenvoudiger met quiches, salades en biologische thee, gerund door Dixons 20-jarige dochter Florence. De broodjes mogen mee naar boven, naar een groot terras. Op zonnige dagen als vandaag strijken er bezoekers en buurtbewoners neer naast chique lunchgasten (en Dixon zelf) op oude designstoeltjes uit de jaren vijftig.

Een feel good-plek is het al met al, waar Dixon in een oude, industriële omgeving zijn eigen spiegelende lampen combineert met de sloophouten tafels van Piet Hein Eek. Op zijn beurt verkoopt Eek in Eindhoven de meubels van Dixon; ze kennen elkaar goed. Maar nee, in Eeks nieuwe complex in Eindhoven is hij nog niet geweest, zegt Dixon. 'Dat is heel slecht van mij. Ja, ik wéét dat er een vliegveld is in Eindhoven. Oké, oké, ik zal binnenkort gaan.'

Piet Hein Eek heeft zijn eigen winkel geopend omdat interieurwinkels tot zijn frustratie alleen zijn geheide bestsellers inkochten, vertelde hij. Met een eigen winkel kon hij zijn complete collectie laten zien.

Was dat ook uw motivatie?
'Ja, dat was een reden, maar ik heb het ontwerpen sowieso altijd gecombineerd met de verkoop. Begin jaren negentig had ik al een interieurzaak, Shape, daarna ben ik jaren creatief directeur geweest van Habitat. Ik wil zien hoe het eraan toegaat op de winkelvloer, wie mijn klanten zijn, wat ze kopen en wat ze links laten liggen. Iedereen hier in het bedrijf moet zien wat er in de winkel gebeurt. I like a shop.'

En shoppen, houdt u daar van?
Dixon trekt een vies gezicht. 'Nee, helemaal niet. Ik hou niet van kopen. Ik hou van verkopen.'

null Beeld Els Zweerink
Beeld Els Zweerink

Laswerk
Dixon is autodidact; na een introductiecursus aan een kunstacademie hield hij het al snel voor gezien. Rond zijn 20ste speelde hij als bassist in een band, Funkopolitan, en zette hij met vrienden een paar clubs op. Allemaal avond- en nachtwerk, dus, zegt hij, overdag had hij tijd om 'een beetje te pielen'. Omdat hij er lol in had, begon hij te lassen op de braakliggende terreintjes waar hij woonde en repeteerde met de band. Stoelen vooral, metalen stoelen van gevonden schroot. Niks zo leuk, zegt hij, als 's ochtends iets maken en het 's avonds verkopen voor een paar tientjes.

In zijn pas verschenen koffietafelboek Dixonary staan een paar van die vroege stoelen afgebeeld: uit ijzeren ornamenten opgebouwde modellen die zijn liefde voor techniek verraden. Vraag je hem door wie hij is beïnvloed als ontwerper, dan zie je zijn antwoord terug in dat laswerk: 'Meer door ingenieurs dan door designers, eigenlijk. Mannen als Eiffel en Buckminster Fuller' (Amerikaans uitvinder van o.m. het zogeheten geodetische koepelgebouw, EvV). 'En door kunstenaars uit de Britse beeldhouwtraditie, die loopt van Henri Moore tot aan Anish Kapoor. Dat zijn mijn helden.'

Door een motorongeluk kreeg Dixon een blessure, waardoor hij moest stoppen met bas spelen. Hij stortte zich fulltime op het ontwerpen. Na de stoelen kwamen de lampen, de tafels, maar ook de mediapresentaties, de feestjes - geen Brits artikel over Dixon uit die tijd of zijn 'neus voor publiciteit' wordt genoemd - en de beroemde klanten als Paul Smith en Jean-Paul Gaultier. De Britten omarmden de angry young man in zijn gescheurde jeans en zijn leren motorjack. De tijd was er rijp voor, eind jaren tachtig; design was in opkomst, en waar Frankrijk en Italië in Mendini en Starck hun sterontwerpers hadden, was er in Engeland ook behoefte aan zo'n naam. In 1989 brak Dixon definitief door met zijn inmiddels iconische 'S-chair', een golvende stoel van vlechtwerk, door het Italiaanse designlabel Cappellini op de markt gebracht. Later volgden hits als de 'Jack', een lichtgevend plastic kruis waar je ook op kunt zitten, en de lampen 'Mirror Ball' en 'Copper Shade'.

Wat is uw beste ontwerp?
'Dat weet ik niet, het is jouw vak om dat uit te maken. Ik weet wel dat mijn succesvolste ontwerpen op een bepaalde manier neutraal zijn, wel expressief, maar niet modieus. De 'Mirror Ball' bijvoorbeeld, daar ziet iedereen iets anders in: een heksenbal, een kerstdecoratie, een ruimteschip, het is al van alles genoemd. Ik denk dat dat er goed aan is, dat het in elke context iets anders kan zijn. Terwijl dat niet mijn bedoeling was: het idee was camouflage. Ik dacht: zo'n spiegelende bol verdwijnt in de ruimte, maar hij is juist heel zichtbaar. Maar mijn beste ontwerp? Nee. Ik heb er geen. Ik ben nooit tevreden. Er kan altijd wel iets beter.'

Wat kan er beter aan de 'Mirror Ball'?
'O, van alles. De elektra, de manier waarop je de lamp erin draait, het feit dat-ie van plastic is en niet van glas. Ik zou veel meer ingenieur willen zijn dan ontwerper.'

Op welk ontwerp bent u dan het meest trots?
'Kan ik ook niet zeggen. Het is alsof je tussen je kinderen moet kiezen.'

Ja, dat zeggen ontwerpers dan altijd.
'Ach ja, dat weet ik wel, en het heeft ook niets met mijn kinderen te maken, maar zo werkt het niet voor mij. Ik zat eens bij Audi toen ze daar zeiden: wat we echt heel graag zouden willen, wat echt heel belangrijk voor ons is, is dat je iets ontwerpt dat in een museum komt. En ik zei: yeah, I've got one of those. Ik had me echt nog nooit gerealiseerd hoe prestigieus het was dat mijn stoel in het MoMA staat.'

'Veel belangrijker voor mij was de stap van zelf dingen maken, naar het laten produceren. Groeien, internationaal worden. Misschien moet ik de 'Jack' dan noemen, dat was mijn eerste massaproduct.'

Hoe ontwerp je een museumstuk? Is er een truc?
'Haha, nee, er is geen truc. Hoewel: Nederlanders zijn er goed in. Het Vicoria & Albert koopt tegenwoordig niets anders meer dan dingen uit Eindhoven. Droog-dingen, Lidewij Edelkoort-dingen, allemaal design waarbij het verhaal vooral belangrijk is. Leuk als verzamelobject, maar commercieel succesvol zijn al die ontwerpen niet. Zo werk ik niet. Ik wil dingen maken die mensen kopen.'

Waarmee we terug zijn bij de discussie onder designers of je vooral meer consumptiegoederen moet bedenken, of duurzame oplossingen voor problemen. Dixon gaat er ditmaal serieuzer op in. 'Begrijp me niet verkeerd, dat vind ik een belangrijke discussie. Ik vind ook dat design een sociale rol kan en moet spelen, in de openbare ruimte bijvoorbeeld. Als je ziet hoe hier in Engeland de taxi's vroeger ontworpen werden, telefooncellen en de bussen: prachtig klassiek van ontwerp, door de overheid gefinancierd en bedoeld om lang mee te gaan. Sommige van die bussen rijden nog rond, die zijn zeventig jaar oud! Maar door de bezetenheid van de regering om alles te willen privatiseren de laatste jaren, gaat dat allemaal teloor. De ziekenhuizen, net zo. We waren in Engeland altijd zo trots op ons National Health System, we hadden mooie ziekenhuizen, met goed ontworpen wachtkamers, maar daar gaat geen geld meer naartoe. Doodzonde. Ik zou graag goeie ontwerpen willen bedenken voor de openbare ruimte.'

Dus toch? Ontwerpen voor een betere wereld? Hij lacht: 'Het energieprobleem kan ik niet oplossen. Ik kan mensen wel aanmoedigen om over hun consumptiegedrag na te denken. Daarom heb ik een stoel ontworpen die gegarandeerd duizend jaar meegaat. Serieus, ik heb geprobeerd er een verzekeringsmaatschappij voor te vinden, maar er is er geen een die het wil dekken.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden