Tolstoi zet zelfs Tolstoi bij het vuil

Het pamflet over kunst dat Lev Tolstoi in de laatste fase van zijn leven schreef, is om te lachen en te huilen.

Lev Tolstoi: Wat is kunst?

*


Uit het Russisch vertaald door Hans Boland


Met een voorwoord van Arnon Grunberg


Athenaeum; 160 pagina's; euro 19,95.


Wat een onnavolgbare, allesverzengende en - het moet gezegd - karikaturale haat tegen kunst en kunstenaars spreekt er uit Wat is kunst? (1897) van Lev Tolstoi! Al op de vijfde bladzijde van het pamflet is het raak: daar memoreert Tolstoi een bezoek aan een balletvoorstelling en ergert hij zich wild aan 'de halfnaakte vrouwen [die] geile bewegingen maken en hitsige guirlandes vormen: één groot vertoon van ontucht is het'. De toon is gezet.


En dan de hemeltergende luiheid van kunstenaars: Tolstoi gruwde ervan. 'Kunstenaars hebben allemaal de hulp van werkende mensen nodig (...) om hun luxeleventje te kunnen leiden.' Voor het onderhoud van 'zijn vaak zeer gerieflijke leventje' hield de kunstenaar in zijn tijd onbeschaamd zijn hand op bij de overheid, ten koste van 'het volk, dat daar koeien voor moet verkopen'. En: 'honderdduizenden vakmannen - timmerlieden, metselaars, schrijnwerkers, behangers (...) - brengen het geld op' teneinde 'de elite' het zogenaamde 'kunstgenot' te bezorgen waar die edele vaklieden een - gerechtvaardigde - hekel aan hebben.


Twee namen schoten mij te binnen bij deze even doldrieste als benepen tirade: Hans Teeuwen en Geert Wilders. Uit Teeuwens programma Hard en zielig (1994) is de schuimbekkende monoloog over 'werklozen en buitenlanders' die, aldus Teeuwen, in tegenstelling tot de bakker, slager, tuinman, smid en anderen met een eerlijk beroep 'de hele dag maar een beetje in hun bed blijven liggen stinken en het liefst de kantjes ervan af lopen'.


Dat fragment uit Hard en zielig is ook twintig jaar na dato hilarisch, en Teeuwen kan, indien hij er een vervolg op wil maken, vanaf nu terecht bij Tolstoi.


Tegelijk doemt de vrees op dat Wat is kunst? in handen valt van Geert Wilders en zijn partijgenoten. De spindoctors van de PVV kunnen uit Wat is kunst? hele paragrafen lichten en overnemen in een verkiezingsprogramma. Met Tolstoi als schutspatroon kunnen de PVV'ers fulmineren tegen subsidievretende nietsnutten die op kosten van de belastingbetaler hun obscure linkse hobby's ongestraft kunnen blijven uitoefenen.


Wat is kunst? leest intussen fijn weg, dat dan weer wel. Ook op hoge leeftijd was Tolstoi niet in staat één slechte zin te formuleren. Zijn boutade is welsprekend en onderhoudend. Tegelijk is Wat is kunst? op den duur dodelijk vermoeiend als voor de zoveelste keer het woord 'verloederd' valt. Kunst- en literatuurcritici zijn volgens Tolstoi 'verloederde creaturen die lijden aan een enorme zelfoverschatting' - touché! Leuk om te citeren op feesten en partijen - succes gegarandeerd.


Helaas zijn bij Tolstoi dan al Richard Wagner, Johannes Brahms en Richard Strauss de revue gepasseerd, om nog maar te zwijgen over 'de totaal overschatte muziekcomposities van Bach en Beethoven'. Hun muziek is al verwerpelijk en ontaard, en hun composities geven blijk van een dito verloedering.


En de literatuur? Baudelaire, Verlaine, Zola, Huysmans, Rilke en talloze anderen - het zijn niets anders dan veredelde pornografen die zichzelf én hun leespubliek demoraliseren. In de beeldende kunst zijn Edouard Manet en Claude Manet de verpersoonlijking van alweer diezelfde verloedering en degeneratie - maar dat is geen wonder, want in de beeldende kunst nam volgens Tolstoi die verloedering al een aanvang met 'de onbenullige schilderkunst van Rafaël en Michelangelo'.


Godallemachtig - is er dan niemand in de kunst die deugt? Is vrijwel álle kunst verwerpelijk, overschat en 'verloederd'? Tolstoi's ziedende antwoord: ja! Zichzelf spaart hij evenmin. Want: 'Al mijn eigen werk [reken] ik tot de slechte kunst, met uitzondering van het korte verhaal 'God ziet de waarheid', dat aanspraak maakt op (...) inhoudelijke goede kunst.' Met terugwerkende kracht verwierp Tolstoi dus eigen meesterwerken als Anna Karenina (1877) en Oorlog en Vrede (1989). Dat is pijnlijk om te lezen.


Wat was er in Tolstoi gevaren dat hij niet alleen vrijwel alle kunst van derden maar ook het grootste deel van zijn eigen oeuvre bij het afval zette? Het antwoord schuilt in de titel van het korte verhaal 'God ziet de waarheid'. Tolstoi zag omstreeks 1890 'het gelaat van God'. Dat was na een ingrijpende geloofscrisis die hem naar eigen zeggen, in het aangrijpende pamflet Mijn biecht, op de rand van waanzin en levensbedreigende depressie bracht.


Na zijn bekering veranderde Tolstoi van schrijver in een soort sjamaan en goeroe, die lijdzaam verzet predikte tegen alle instituties op het gebied van politiek, kunst en wetenschap. De schrijver liet zijn baard staan, hulde zich in lompen, zag af van de royalty's die zijn boeken opbrachten en stelde zijn huis, het landgoed Jasnaja Poljana (dat 'heldere open plek' betekent), open voor armen, zieken en verdrukten. Op het landgoed werd het een komen en gaan voor behoeftige Tolstoi-discipelen die dweepten met hun nader tot God gekomen held en spirituele leidsman. Die leidsman predikte voor een actief door God geregeerd wereldrijk. Serieus.


Tegen het einde van Wat is kunst? pleit Tolstoi oeverloos en bladzijden lang in zalvende woorden voor de enige aanvaardbare vorm van kunst, kunst 'die niet verdeelt maar verbroedert'. 'Kunst zou moeten bewerkstelligen dat ideeën van broederschap en naastenliefde (...) gaan appelleren aan de gevoelswereld van ons allemaal.' Bovendien 'moet kunst geweld liquideren'.


Ik zeg het hier nu kort en bondig, maar Tolstoi herhaalt deze taak van de kunstenaar zeker twintig, dertig keer, net zolang tot de lezer murw is gebeukt. Hier wordt niet evangeliserend een voet tussen de deur gezet, hier werpt de pamflettist zich met zijn volle gewicht tegen de voordeur, en zal niet rusten voordat die deur uit de scharnieren hangt, waarna de kunsthatende godvrezer loeiend van geloofsijver over ons heen walst.


In deze godvrezende - en laatste - fase van zijn leven schreef Lev Tolstoi talrijke pamfletten à la Wat is kunst?. Geen van die geschriften werd bij mijn weten ooit in het Nederlands vertaald. En dus moesten we maar aannemen dat Pietro Citati in zijn biografie Tolstoi (1983) gelijk had met de constatering: 'De verhandelingen waarin Tolstoi na zijn geloofscrisis zijn gedachten probeerde te ordenen, tonen een middelmatig redeneerder, een vervelende polemist en een slecht auteur van leuzen voor de massa. Als we de platte en nijdige argumentaties vergeten, vragen we ons af waar Tolstoi zijn briljante (...) intelligentie verborgen heeft.'


Dankzij de vertaling van Wat is kunst? weten we: biograaf Citati had het bij het rechte eind.


Brandende vraag is waaróm het monomane geschrift in hemelsnaam moest worden vertaald. Is het een grap of om te huilen?


Zelfs vertaler Hans Boland lijkt het pamflet met lange tanden te hebben geconsumeerd. Bij hoofdstuk 3 permitteert Boland zich een voetnoot: 'Tolstois dringende advies om hoofdstuk 3 niet over te slaan, mag de lezer op gezag van de vertaler naast zich neerleggen.'


Het voorwoord bij Wat is kunst? van Arnon Grunberg laat de lezer in zo mogelijk nog grotere verwarring achter. 'Tolstoi's boutades doen af en toe denken aan Gerard Reve, die ook graag het volk verheerlijkte en de valsheid van de elite verachtte', stipt Grunberg aan. Hij ziet kennelijk over het hoofd dat Reves gesundes Volksempfinden zich altijd kenmerkte door een onontwarbare kluwen van ironie, schmieren en rooms-katholieke clownerie. Bij Tolstoi is het allemaal bittere en boze ernst.


Droogjes concludeert Grunberg: 'Weinig lezers zullen het op alle punten eens zijn, maar dat hoeft toch ook niet: waarom slechts kennis nemen van opinies die je al had?'


Niemand schiet er iets mee op om louter kennis te nemen van 'opinies die men al heeft', maar dat betekent niet dat we hoeven te worden blootgesteld aan krankjoreme haatserenades die - en dat is wel de grootste tragiek van Wat is kunst? - onbedoeld lachwekkend zijn, grotesk en meelijwekkend tegelijk.


Het was prettig geweest als deze Tolstoi van ná zijn bekering postuum tegen zichzelf in bescherming zou zijn genomen en dat dit pamflet onvertaald was gebleven, opdat we met ongebroken ontzag meesterwerken als Anna Karenina en De dood van Ivan Iljitsj hadden kunnen blijven herlezen.


KWAADAARDIG EN NAïEF

Wat is kunst? van Lev Tolstoi verscheen tussen december 1897 en maart 1898 in het Russische tijdschrift Voprosy filosodii i psichologii (Vragen over filosofie en psychologie). Toen Arnon Grunberg Tolstoi's essay voor het eerst las, in een Duitse DDR-uitgave uit 1979 (Über Literatur und Kunst) was hij verbijsterd. 'Zelden had ik zoiets gelezen', schrijft hij in het voorwoord bij de Nederlandse vertaling die er mede dankzij hem nu is gekomen. 'Kwaadaardig en naïef tegelijkertijd, erudiet maar ook volstrekt oneerbiedig omdat hierin een beroemd schrijver een aanval doet op alles wat de burgerlijke samenleving als onaantastbaar is gaan beschouwen: Wagner, de late Beethoven, Baudelaire en ook Shakespeare. Ze worden weggezet als oplichters, vergiftigers van het volk, hoeren of klungelige dilettanten.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.