Toepassing is geen wetenschap

Twee maanden lang is wiskundige en taalfreak Hugo Brandt Corstius gastschrijver aan de Technische Universiteit Delft. Om over vorm te praten....

Delft kent hij niet. Hij is er nooit geweest, althans, niet in functie, niet als wiskundige. En Delftenaren kent hij ook nauwelijks. 'Er kwamen wel wiskundigen vandaan, maar dat was een minder slag.'

Toch treedt Hugo Brandt Corstius (67), wiskundige, informaticus, taalkundige en professioneel ruziemaker, vanaf 2 april voor twee maanden aan als gastschrijver van de TU Delft. Hij houdt twee lezingen - een over de mislukking van de vertaalcomputer en een over de grammatica van vormen. Bovendien geeft hij vijf colleges over techniek en taal, zo luidt de aankondiging.

Wat heeft een Brandt Corstius in Delft te zoeken? En wat zoekt een technische universiteit in Brandt Corstius?

'Een knutselaar ben ik niet', antwoordt hij. 'Niet zoals Henk Hofland, die vorig jaar gastschrijver was in Delft. Ik heb wel eens op het strand een vuurpijl in elkaar gezet, maar erg hoog kwam die niet. En ik heb wel eens luciferdoosjes gekocht om iets van te bouwen, maar het lukte me niet om ze fatsoenlijk aan elkaar te lijmen.'

In een Parijs' schrijverscafé zit hij achter een kop koffie. Hij woont om de hoek, een paar blokken verderop ligt de Sorbonne, waar hij een paar maanden per jaar Neerlandistiek doceert. Geen knutselaar dus, maar, zeker in deze omgeving nogal een intellectueel.

Hij is vooral bekend als schrijver, als de man achter de pseudoniemen Stoker, Maaike Helder, Battus en Piet Grijs. Vanaf de jaren zestig schreef hij columns in Vrij Nederland, de Volkskrant en NRC Handelsblad. Maar achter de pseudoniemen zit ook dr. Hugo Brandt Corstius, de wiskundige, de programmeur, de man die in 1970 in Amsterdam promoveerde op het proefschrift Exercises in Computational Linguistics.

'De informatica was in de jaren zestig de opzienbarendste wetenschap in de wiskunde, wat ik toen studeerde. Ik had er een intuïtie voor. Dus ging ik computerprogramma's schrijven, ook al hadden we nog geen computers. We ontwierpen machinetaal, een programmeertaal voor een machine die nog niet eens bestond.'

Brandt Corstius en zijn collega's werkten aan het Mathematisch Centrum in Amsterdam aan Algol, Pascal, C, C++, computertalen die nog steeds worden gebruikt. Het gebruiksvriendelijke Basic vondt hij een ramp. 'Een ellendige taal. Een taal moet zo abstract mogelijk zijn.'

Hetzelfde geldt, wat hem betreft, voor gewone talen. Taal is eigenlijk ook een computertaal, maar dan een slechte. Slecht, in de zin van: inefficiënt, dubbelzinnig.

'Je kunt dezelfde boodschap op verschillende manieren zeggen, je kunt fouten maken en toch word je nog begrepen. Een hoop is overbodig.'

Dus ging hij op zoek naar de ideale grammatica voor een taal. Hij zag taalkunde als een exact vak en ging, als volgeling van de linguïst Noam Chomsky, op zoek naar een systeem van regels dat alle zinnen van de taal zou voortbrengen, maar geen verkeerde zinnen. Brandt Corstius, de taalkundige: 'De betekenis van woorden is onbelangrijk. Het wordt pas interessant als je de woorden van hun betekenis ontdoet. Het gaat om de structuur.'

Ook het eindeloze gegoochel met woorden in boeken als Opperlans! komt voort uit die liefde voor structuur. 'Lezers ergeren zich eraan. Maar ook daar gaat het me alleen om de vorm, om de perverse woorden en woordcombinaties, los van hun betekenis.'

De exacte benadering van taal leidde wereldwijd tot een zoektocht naar een automatische vertaalmachine. Door twee talen mooi in logische structuren op te delen, kun je de ene met de juiste regels in de andere omzetten, was de gedachte. Brandt Corstius raakte ook betrokken bij de ontwikkeling van de vertaalcomputer, maar hield er snel mee op. In zijn afsluitende lezing in Delft, op 22 mei, legt hij uit waarom, en zal hij de perfecte vertaalmachine failliet verklaren.

Het is vooral de betekenis van woorden en de rommelige structuur van bestaande talen, die de vertaalmachine dwarszitten, zegt Brandt Corstius. 'Het komt erop neer dat twee talen elkaar niet precies dekken. Elke taal deelt de werkelijkheid anders in, elke taal verschaft een ander wereldbeeld. En daardoor kan ik nooit zo precies Frans praten als ik Nederlands spreek.'

De mogelijkheden voor de computer worden stelselmatig overschat, vindt de polemist. Neem nou de kunstmatige intelligentie. Heeft hij nooit serieus genomen. Typisch voorbeeld van Amerikaans optimisme. 'Ik verbaas me steeds weer over dat hele naïeve van die lui. Ze willen helemaal niets precies weten. Het is allemaal op toepassing gericht. Toepassing is mooi meegenomen, maar dat is toch geen wetenschap? Het gaat er toch om hoe dingen in elkaar zitten?'

Hij trekt een vies gezicht bij het woord toepassing. Ook al verblijft hij straks bijna twee maanden aan een technische universiteit, dat zo ongeveer bij de gratie van de toepasbaarheid bestaat.

'Ik weet eigenlijk niet goed wat ingenieurs doen. Ik heb een tijd gewerkt op het Mathematisch Centrum in Amsterdam, waar een rekenmachine stond die dag en nacht rekende om de optimale hoogte van de dijken te bepalen. Het geld daarvoor was na de ramp in 1953 beschikbaar gesteld. In die berekening zat de kans op een overstroming, en de schade, en het aantal slachtoffers dat er zou vallen.

'Uiteindelijk was het resultaat dat de dijk vierenhalve meter hoog moest worden. Toen ging het voorstel naar de Tweede Kamer, en die maakte er vier meter van. Na al die jaren werken. Dat deed me anders denken over ingenieurs. Dat uitrekenen heeft helemaal geen zin. De vraag was eigenlijk: hoeveel geld hebben we voor die dijken over? Zo hoog moeten we ze maken.'

Toch, als Brandt Corstius aan Delft denkt, dan denkt hij aan mensen die dingen ontwerpen en bouwen. Dus gaat hij tijdens zijn gastcolleges ook ontwerpen en bouwen. Maar zonder dat hij enig praktisch nut op het oog heeft. Zijn opdracht aan studenten: iets maken in de vorm van iets anders.

'Het gaat me om een grammatica van vormen. Waarom heeft iets een bepaalde vorm? En dan bedoel ik niet dat de ene vorm mooier is dan de andere. Zulke uitspraken kan ik niet serieus nemen. Het gaat me niet om betekenis, nut of schoonheid ... het gaat me om de pure vorm.'

Dus omschrijft hij een trui als een ding dat behoort tot de klasse der dingen met vier gaten, en een broek als een ding met drie gaten.

Hij pakt een asbak van de tafel. 'Of neem deze asbak. Behoort tot de groep van ronde voorwerpen, vrij groot, van buiten iets groter dan van binnen, waardoor een rand ontstaat. Maar waarom dit extra randje hieronder, waarom deze vier inkepingen? alsof vier mensen tegelijkertijd hun sigaret in de asbak klemmen.'

Eigenlijk, concludeert hij, is een voorwerp een asbak zodra het maar staat op een plek waar een asbak hoort te staan - je gooit er wat as in en klaar, een asbak.

Maar heeft dat dan niet toch met nut en betekenis te maken? Precies weet hij het nog niet, geeft hij toe, de wetenschap van vormen is lastiger dan hij vermoedde. 'Ik dacht: vormen, daar weet ik niets van, dat vind ik leuk.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden