Toen kunst nog levenselixer was

HET HOOFD van Jan Paul Bresser moet uitpuilen van de herinneringen. Hoe vaak schrijft hij niet dezelfde zin: 'om nooit te vergeten'....

Marian Buijs

Jarenlang schreef Bresser commentaren en recensies over wat zich aan belangwekkends aandiende in de kunst, in het bijzonder in het theater. Eerst in het Eindhovens Dagblad waar hij zijn loopbaan als journalist begon, daarna bij de Volkskrant, waar hij jarenlang chef kunst was. Tenslotte in Elsevier, waar hij tot dit jaar redacteur was. Altijd was hij bevlogen, altijd identificeerde hij zich met zijn onderwerp en dat is precies wat je leest in zijn boek, Jaren van verbeelding. Daarin heeft hij na al die jaren zijn herinneringen te boek gesteld.

Bang om persoonlijk te worden is hij niet geweest. Dat de kunst, en met name het toneel, zijn levensader was, zal geen lezer ontgaan. Hij heeft ze hoog, de kunstenaars die hij aan bod laat komen: Freek de Jonge, Pierre Jansen, Erik Vos, Hans Croiset, Han Bentz van den Berg, Ton Lutz en al die andere grootheden uit de jaren zeventig en tachtig.

Met allemaal heeft hij aan tafel gezeten en telkens weer beschrijft hij die ontmoetingen, soms minutieus. Hij citeert zijn gesprekspartners, schetst zijn bewondering en plaatst ze in de tijd, te midden van hun werk. En telkens weer is er die gepassioneerdheid voor wat ze teweegbrachten in een tijd waarin kunst nog door grote groepen werd genoten als een levenselixer.

Het boek is onmiskenbaar bedoeld als een tijdsbeeld. Maar veel meer is dit het opmaken van een balans geworden, door een man die terugkijkt op zijn leven, op zijn loopbaan. Om erachter te komen wat destijds de vernieuwende kracht was van kunst, van toneel. Het was een periode waarin iedereen vond dat het anders moest, waarin de acteurs die het Werkteater zouden oprichten uit het keurslijf van een gezelschap stapten en zelf iets nieuws begonnen. Iets wat betekenis had, wat bij de barometer van de tijd paste.

En telkens weer komt zijn conclusie neer op de zeggingskracht. Als hij eindigt met Albert van Dalsum - naast wie hij in het gras zat, als klein jongetje dat nog van niks wist - stelt hij vast dat er in veertig jaar niets is veranderd. Dat het toneel in Nederland zijn eigen stem moet terugvinden met voorstellingen die, 'gestoeld op de stroom van het verleden en op de adem van het heden', ons niet alleen moeten vermaken, maar ook de ogen openen.

Bressers engagement spreekt uit elke bladzij. Dat is mooi, maar in die zin is zijn boek ook moraliserend. Dat toneel niet langer een waarachtig maatschappelijke functie heeft zal niemand tegenspreken. En evenmin dat de kijkcijfers steeds meer de norm zijn, net als bij televisie, dat toneel moet opboksen tegen de vermaaksindustrie, die zulke megavormen aanneemt dat het theater het er al bij voorbaat tegen aflegt.

Hier spreekt een gedrevene, iemand voor wie kunst bijna religieuze proporties aanneemt. Dat mag zo zijn, maar dat vormt tegelijkertijd de zwakte van het boek. Telkens weer die knieval, zonder enige relativering, werkt gek genoeg averechts. De hoofdstukken, steeds gewijd aan één figuur, ontberen elke aanzet tot kritiek. Sterker nog, ze plaatsen de figuren stuk voor stuk op een voetstuk. Het onbedoelde resultaat is pure nostalgie.

Gek genoeg geeft de bundel kritieken die jaren geleden is uitgegeven van Jac Heijer, de gewaardeerde criticus van NRC Handelsblad, een veel sterker tijdsbeeld van dezelfde periode waarin het toneel in een stroomversnelling raakte. Heijer was net zo'n gepassioneerd kijker, maar hij schuwde niet om kanttekeningen te plaatsen, waardoor zijn passie alleen maar hechter en sterker werd.

De buiging die Bresser keer op keer maakt voor de kunst wordt op den duur eentonig en geeft de lezer weinig kans zijn eigen conclusies te trekken. Of het nu Boudewijn Büch is - toen nog springlevend -, Louis Andriessen, Judith Herzberg of de schilder Constant, telkens weer spreidt hij pure bewondering ten toon, in fraaie zinnen gevat.

Bovendien is neerslag van zijn belevenissen wel erg persoonlijk. Wat kan het ons schelen hoe de lucht eruit zag terwijl Bresser aanbelde bij het huis van de Durlachers. En wat doet het ertoe wat er precies is gezegd aan de tafel in het huis van Doeschka Meijsing? Juist in die detaillering schiet Bresser zijn doel voorbij. Het is alsof hij zichzelf tussen de lezer en het verleden zet, waardoor het zicht op die tijd niet helder wordt.

Dat neemt niet weg dat het boek voor de liefhebber veel waardevolle informatie bevat. Zelden is de liefde van de critici voor theater groter geweest dan in de jaren zestig en zeventig. Zoals ze - geen van allen autorijders - elke dinsdagavond per bus naar het Mickerytheater gingen, een boerderij in Loenersloot, waar ze in de war raakten, waar ze geraakt werden door dat vreemde, nieuwe theater dat Ritsaert ten Cate uit de hele wereld naar Nederland sleepte.

Vanwege zulke beeldend neergeschreven anekdotes is het toch een aardige bundel die, zeker bij degenen onder ons die 'erbij' zijn geweest, gevoelens van heimwee oproept. Jammer blijft het dat Bresser niet wat meer afstand van zijn persoonlijke herinneringen heeft kunnen nemen. Dan zou het een belangrijk tijdsdocument zijn geweest. Nu blijven al die herinneringen te veel vastzitten in het ene brein waarin de beelden elkaar verdringen, en dat vervuld is van verlangen dat het toneel weer zo betekenisvol wordt als destijds.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden