'Toen hoorden we het front naderen'

Maria van Dinther-Wilmsen: 'In Kevelaar was een opvang voor Hollanders die in Duitsland gewerkt hadden en dan ging je op transport naar Eindhoven.'..

Maria van Dinther-Wilmsen (1918) werd medio april 1945 bevrijd in Gernrode (Duitsland).

'Kijk, dit zijn de verlovingsfoto's. Het staat er ook op: de verloving van Maria, Pasen '44. Natuurlijk, hij was soldaat, al die Duitse jongens waren toen in het leger en het was een Gochse jongen. Daar woonden wij, in Goch, vlak over de Duitse grens. Daar woonden zo'n twee- of drieduizend Nederlanders en of je een Duitser of een Hollander was speelde geen rol.

Het gebeurde wel dat Nederlandse jongens die met Duitse vrouwen waren getrouwd, en dat waren er in Goch heel veel, soms wat gezanik kregen. Want die mannen maakten niks mee, die zaten maar op die fabriek of op dat bureau en die anderen kwamen met verlof uit Polen of Frankrijk en brachten wat mee. Maar die Hollandse jongens zaten gewoon op de fabriek en er zijn er geweest die zich vrijwillig meldden omdat die vrouwen ze het leven zuur maakten - zo van: daar gaan wij niet mee uit.

Er is ook eens een vergadering geweest, daar werden die Nederlandse jongens opgeroepen, in de Bierhalle, en toen ze binnen waren ging de deur op slot. Dat vond mijn broer een beetje raar. Hij denkt: wie doet dat nou? Er werd een speech gehouden: jullie zijn allemaal Nederlander, maar jullie wonen in Duitsland en jullie arbeiten voor das Deutsche Volk en jullie eten Duits brood en profiteren van alle goede dingen die we euch bieten en dan is het toch niet meer als een plicht dat jullie je ook inzetten voor het Duitse volk. En dan konden ze tekenen. Dat ging met een beetje bravoure, zoals die Duitsers dat konden, dat je maar een lapzwans was als je het lef had om dat niet te doen. Mijn broer heeft er wel last van gehad.

En op deze foto staat: Wer hat die schönste Beine? Urlaub in November '44. Dat heeft mijn broer ook geschreven. Toen kwam mijn verloofde een keer met verlof en zaten we bij ons zo uit het keukenraam met de benen naar buiten. Mijn moeder lag toen al een dik jaar in het ziekenhuis, ik ging drie keer per dag naar haar toe, maar toen kwam een grote oproep dat Goch leeg moest. Mijn broer kon niet weg, want die moest aan de Westwall werken en ik kreeg via de politie een bescheiden dat ik bij mijn moeder mocht blijven vanwege haar ziekte.

Mijn aanstaande schoonvader was bij de Volkssturm en die mocht ook niet weg. Die man was voor de tweede keer getrouwd, ik kende die vrouw eigenlijk nog niet, en zij is toen met mijn vader terechtgekomen in Gernrode in de Harz, met Sinterklaas '44 was dat. Ze kregen een slaapkamer met maar één bed, ze hadden ook geen andere keus.

Ik ging dagelijks naar mijn moeder en kort voor de kerst denk ik: dat loopt af. Ik heb mijn vader geschreven, attest van de dokter erbij, en hij is teruggekomen met mijn aanstaande schoonmoeder . Ze kwamen na de kerst, mijn moeder is 2 januari overleden en begraven op 5 januari, door hoge sneeuw zijn we er heen gegaan. Mijn schoonmoeder wou niet meer weg, mijn vader ook niet en we leefden zo'n beetje dahin tot die zevende februari kwam.

Het begon ermee dat mijn vader zei: ik voel me niet lekker, ik ga vroeg naar bed. Mijn vader sliep beneden, ik sliep ook beneden en mijn broer sliep boven. Op de mansarde, zei men dan vroeger, dat was een zolderkamer met zo'n dakkapel. Hij ging naar boven en stoof weer naar beneden: o, moet je eens komen kijken, de hele hemel is verlicht, zo mooi. Wij naar boven, mijn vader en ik, vier trappen hoog. Dat was prachtig, maar toen begon het. Wij weer naar beneden en heel vlug de kelder in.

We zaten met zijn drieën bij elkaar op schoot eigenlijk en de muren van de kelder bewogen, nou, dat heeft zowat een uur geduurd. Ons huis was niet kapot. We hadden wel geen water, geen gas en geen stroom, maar we zijn er toch nog acht dagen gebleven. Mijn vader heeft bij een boer lapjes stof geruild en Schinken opgehaald, zo viel er altijd wel iets te matsen. Hij kende de boeren en we zijn ook de dorpen afgegaan, maar je kon nergens terecht, die boeren wilden ons niet hebben, en dan had je last van vliegers, ik weet nog dat we verschillende keren moesten duiken.

Mijn schoonvader zei: ja, wat doen we, dan en dan vertrekt van het Braune Haus in Uedem een transport. Toen hebben we met ons vijven, mijn schoonouders en wij, besloten om de avond tevoren naar Uedem te lopen, daar moest je 's morgens om acht uur bij het Braune Haus zijn, dan kon je mee. Ik weet nog: ik heb ergens gelegen op de grond, ik heb gedroomd en ik schrok wakker met een schreeuw. Toen hoorden we het front naderen, hoorde ik het gebulder.

's Morgens zijn we naar het Braune Haus gegaan, daar stonden een heleboel mensen. Het was een prachtige dag, de zon scheen en er komt zo'n Aufklärer, een vliegtuig, vijf minuten later waren we in een winkeltje, dat had zo'n triplex voor het raam, daar zijn we door gedoken, over de toonbank en de kelder in. Mijn vader bleef nog in die winkel staan en die is door de luchtdruk in zo'n meterkast gedrukt en toen riep mijn broer: eruit, want hier brandt het, eruit! Over die toonbank gehold, koppeltje duiken, de straat op. Het was een ravage, we raakten mekaar kwijt, ik ben een andere kelder in gelopen en heb naast een soldaat gezeten die mijn hand heeft vastgehouden.

Mijn broer is me naderhand gaan zoeken en die vond mij. De hele stad brandde, er was een groot veld dat bezaaid lag met doden, en wij zijn de stad uit gelopen en hebben tot 's avonds in een wegberm gezeten. Er kwam iemand langs die zei: er komt straks een transport, dat gaat naar Wezel, en jullie moeten allemaal mee. We hebben daar gelegen tot dat transport kwam, we kregen ieder een dikke schijf van dat bruine, harde brood en toen kwamen we 's avonds in Wezel in die kelder.

Daar waren mensen, die hadden allemaal zo'n vaste plaats, die kwamen daar elke nacht en waren kwaad op ons, maar ja, wij konden het ook niet helpen. Om twaalf uur werd onze groep opgeroepen, gingen we in de trein en zijn we naar Dortmund gereden, daar hebben we de hele nacht in een kolenmijn gezeten en de hele dag ook. De andere morgen zijn we per trein naar Hannover gebracht en kregen we dikke sneden brood met een soort gehakt. Naderhand zeiden ze dat het paardevlees was, maar het was lekker.

Daarna zei mijn vader: nou gaan we naar Gernrode, daar hebben we een opvangadres. Toen zijn we inderdaad met de trein via via naar Gernrode gekomen en we hebben nog gezongen in de trein ook, net of we met vakantie waren. We kwamen ook in een ontzettend mooie omgeving en wij hebben daar veel gewandeld, maar die mensen daar waren best kwaad op ons, want het was een dorp van zesduizend inwoners en er waren minstens vijfduizend evacués.

Ze hadden een hekel aan ons en we kookten schijnbaar lekker, want Frau Schultz, bij wie we in in huis waren noemde ons die verfressene Rheinländer. De kamer die mijn vader eerst met mijn schoonmoeder had was voor mijn schoonouders en wij kregen een zolderkamer met twee bedden. Ik sliep bij mijn vader en ik was toen vijf-, zesentwintig jaar en mijn vader was, ja, toch wel een beetje losbollig, maar er is nooit niks gebeurd. Toen mijn vader ziek was heb ik een keer bij mijn broer geslapen, maar daar hield ik geen deken bij over, dat was zo onrustig, daar kon ik niet bij liggen.

De oorlog stelde daar niks voor. Mijn vader was een keer het bos in gelopen, alleen, kwam hij terug met varkensvlees dat hij van Amerikanen had gekregen, was hij Amerikanen in het bos tegengekomen. Op een gegeven moment hadden we Duitse soldaten, die wilden bij ons in de kelder hun geweren kwijt, die wisten niet waar ze het zoeken moesten en die zochten ook een beetje hulp bij ons.

Boven ons woonde Frau Schutzmeyer en daar zat een Duitse luitenant en mijn vader zat er ook. Die luitenant zal wel een paar flessen drank bij zich gehad hebben, want mijn vader werd zo vrolijk, die ging zingen en dat wou die officier niet. Frau Schutzmeyer was mijn vader natuurlijk liever kwijt als rijk, maar mijn vader ging niet, die zat zo gezellig, het was een hele verwarde avond en mijn vader zong het hoogste lied.

Daarna kwam er een keer een Amerikaan bij ons binnen en die was knoerzat, die kwam zo'n beetje wartaal uitslaan, we waren een beetje bang. We verstonden er ook geen woord van, natuurlijk, maar ja, ik had een grote foto hangen van mijn verloofde in uniform en daar zat hij maar naar te kijken met dat schietgebeuren dat hij bij zich had, god ja, hij is weer weg gegaan en er is niks gebeurd, maar zo'n beetje van die rare dingen gebeurden.

Die bevrijding is er eigenlijk zo maar in stille trom gebeurd en in een mum van tijd hadden we rood, wit en blauw op de jas, zo gewiekst was mijn vader wel. Van de Hitlervlag kon je rood en wit afnemen, maar waar hij dat blauw vandaan had?

Die Amerikanen zijn niet lang gebleven, misschien vier weken, en toen kwamen de Russen. Die zeiden: kom maar mee. We hebben eerst met een hele ploeg in Halle gelegen en na een dag of drie zijn we verhuisd naar een kazerne in Merseburg, daar kreeg je een kamer en dat was best te doen, hadden we drie stapelbedden en ik sliep onder mijn vader.

Daarna hebben we een nog een lange treinreis gemaakt: we kwamen in Kassel, Eisenach en Leipzig. Die Russen zeiden: als je maar reist, dan kom je wel ergens. Maar we gingen de verkeerde kant op, twee dagen en een nacht, en toen zijn we in een kolentrein die we eerst schoon hebben gemaakt, toch weer in Goch gekomen. Dekens om ons heen in die open trein, want het was al september en we hebben twee dagen over de reis gedaan. Met een eensgezindheid, ik bedoel, als iemand op de po moest: in een emmer en niemand schaamde zich voor zijn blote kont.

Ons huis was verwoest, maar we hebben nog wat uit de kelder gehaald. Mijn poëzie-album was er nog, kijk, daar staat nog vooraan geschreven: Alle die im Buche stehen, wünsche ich viel Gluck und wohl Ergehen. Op een zolderkamer konden we heel even terecht en toen zijn we naar Holland gegaan. In Kevelaar was een opvang voor Hollanders die in Duitsland gewerkt hadden en dan ging je op transport naar Eindhoven.

Daar werden we in de Philips-hallen allemaal ontluisd en gevraagd of we politiek betrouwbaar waren - nou, wij waren nergens bij geweest en dat hadden we allemaal bij ons. We zijn naar familie gegaan, zo'n beetje een maand zijn we overal geweest en toen hebben we in Asten een zolder gehuurd, waar je zo'n luik omhoog moest doen, en dan werd er een kartonnen muur neergezet en een schot met een deur. Dat was ons nieuwe huis, ik vond er niks aan.

Ik had heimwee naar Goch. Want ja, Asten was eigenlijk best een leuk dorp, maar het was echt zo'n boerendorp en de mensen zeiden je allemaal wel goeiendag, maar je zat met dat Duitse accent en daar moesten ze niks van hebben. En we hadden geen geld, we hadden geen pannen, we hadden helemaal niks, het was een doffe ellende. Mijn latere man, wat ik toen nog niet wist natuurlijk, heeft zo een draad naar binnen getrokken en dan moesten we de peer aandraaien, zo hadden wij licht daar in Asten.

We hebben toch nog veel plezier gehad, tot ik bericht kreeg dat mijn verloofde terug was, met Pasen '48. Ik droeg nog gewoon mijn verlovingsring en ik zei: als hij terugkomt ga ik achter hem aan, naar hem terug. Maar hij had al die tijd in Rusland in krijgsgevangenschap gezeten en brieflich was er geen enkel contact, ja, ik heb hem wel geschreven en ik had ook twee of drie brieven gekregen, maar er kwam helemaal geen hartelijkheid, en ja, wat moet je dan?

Eigenlijk had je moeten zeggen: ik wil erheen. Maar je kon toch niet met de fiets daarheen gaan? Er was geen vervoer en die grenzen waren niet open, dat was net de ellende. Dat is niks meer geworden, ik heb hem nooit meer gezien.

Ik had toen kennis aan mijn man, hij had dat hele huis mee opgebouwd, hij was ontzettend gedienstig. Mijn vader zei: ik zou wel willen dat ge trouwt. Ik was 31 toen ik trouwde en we hebben nog best een goed huwelijk gehad, dat wel, maar ik ben onderhand vast 23 jaar alleen en soms denk ik wel eens - zit ik bij de radio op zondag van wie ze dan zoeken en zo - nee, mijn verloofde was twee jaar ouder als ik, die zal nu tachtig zijn, nee, ik moet er niet aan beginnen. Ja, alte Liebe rostet nicht, aber sie wird schimmerlich, zeggen ze wel eens, er komt schimmel op. Dit is een kaartje van mijn verloofde, die heb ik toch nog trouw bewaard, met een postzegel van Hitler.'

Volgende week: 'Daar stonden we dan in die zebrapakken en dat was een groot voordeel, want je werd nergens lastig gevallen door een Rus.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden