Tobben en zuchten met de Duitse toonkunst

Niet verstaan worden en toch doorgaan. Dat was het onderliggende thema (met variaties) van de muzikale Duitsland-dag die gisteren gevierd werd in het Amsterdamse Paradiso, een centrum dat enkele weken geleden door kandidaat-Stonesluisteraars op een haar na onder de voet werd gelopen....

ROLAND DE BEER

Van onze verslaggever

Roland de Beer

AMSTERDAM

Onder de titel 'Muziek van Beethoven tot Kagel en Lachenmann' heeft het Holland Festival vier concerten met Duitse muziek op het programma gezet. In het Engels wordt gewag gemaakt van 200 years of German Music.

Dit lijkt hoog gegrepen voor een beknopte serie waarin de namen Mendelssohn, Schumann, Brahms, Reger, Pfitzner, Hindemith (en nog een paar) niet voorkomen. Maar inderdaad, de twee Duitsland-concerten in Paradiso boden recent werk van Mauricio Kagel en Helmuth Lachenmann. Ook de na-oorlogse componisten Bernd Alois Zimermann, Wolfgang Rihm en Heiner Goebbels kwamen aan bod, en via de Siegfried Ydill van Wagner en Eine Nachtmusik (uit 1922) van Max Brand werd een draadje gespannen naar een ver verleden, dat zich liet vertegenwoordigen door Beethoven en diens Zevende Symfonie - gespeeld door het Nederlands Blazers Ensemble in een bewerking voor blazers en contrabas.

Wat de diepere zin van deze compilatie ook geweest mag zijn (het muziekprogramma van het Holland Festival, dat zijn keuzeheer Elmer Schönberger afgelopen najaar zag vertrekken, blinkt niet uit door opzienbarende statements), het stond snel vast dat het Duitsland dat zich zondag in Amsterdam in woord en klank presenteerde, geen Duitsland was dat met zichzelf koketteerde. Het was het Duitsland dat, om met Wagner (1813-1883) te spreken, op zoek was naar het Edle und Wahre. En dat, als op 24 juni Helmuth Lachenmanns Tanzsuite mit Deutschlandlied haar Nederlandse première zal beleven in het Concertgebouw, zijn geliefde musiceerformules uit het verleden wil ontmaskeren als 'noodlottige ónwaarheid van comfortabele illusie, hardnekkig en angstig bezworen idylle en reactionaire bekrompenheid'.

In Paradiso was Duitsland zondag de artistieke omgeving waarin een componist als Wolfgang Rihm, zoals hij tijdens een componistendebat opmerkte toen gespreksleidster Pay-Uun Hiu hem het trefwoord verzet aanbood, de kunst opvat als een daad van 'verzet tegen het niet-bestaan, tegen het onmogelijke'. Of, om Helmuth Lachenmann aan te halen, van 'verzet tegen doofheid, tegen pogingen het luisteren te simplificeren, tegen onintelligente denkwijzen'.

Deze zondag was een dag van tobben en zuchten - waarbij ook een zucht van bewondering op zijn plaats was voor de verrichtingen van het NBE, het Asko Ensemble en het Schönberg Ensemble, en de dirigenten Michael Zilm, Zoltán Pesáo en Reinbert de Leeuw.

Tégen de gemakszucht en het onbegrip; doorgaan op het smalle pad. Het was ook een rode draad die door de muziek liep - van Zimmermanns cantate Omnia tempus habent uit 1958 tot Lachenmanns recente trio Allegro sostenuto en Rihms nog recenter Sphere voor piano, blazers en slagwerk.

Het isolement dat voor componisten in de jaren vijftig en zestig een bijprodukt was van razend enerverende speurtochten naar nieuwe muzikale materialen en compositietechnieken, is in latere jaren, naarmate er minder te speuren en te vernieuwen viel, een steeds groter probleem gaan vormen. Geen specifiek Duits probleem (weinig kunstenaarsfora hebben zo'n internationale populatie als de Ferienkurse in het nieuwe-muziekbastion Darmstadt), maar wel een probleem dat zichzelf vooral in Duitse muziekidiomen tot onderwerp heeft gepromoveerd.

De gespeelde composities vormden een tableau van de manieren waarop dit onderwerp zoal wordt gekoesterd (door Lachenmann), verworpen (door Rihm), bespot (Kagel) of weggeblazen (Heiner Goebbels), maar het was er, bijna permanent.

Het koperblaaskwintet Sine Nomine van Rihm, uit '85, is een geheel vrijwillig ondernomen, frenetieke worsteling met het weerbarstige, onwelluidende dat het begrip 'nieuwe muziek', aankleeft. Rihm, in vroeger (en ook later) werk gul met wijdse gebaren en fraseologieën, keert hier terug naar voorbeelden van Varèse en de vroege serialiteit, naar oerkernen van zijn muzikale taal.

In Rihms Erscheinung (Skizze über Schubert für neun Streicher) uit '78, is de welluidendheid van de samenklank geen doel maar een steen des aanstoots; omringende unisoni geven beurtelings een beeld van verbrokkeling, dan van vergeefse opbouw. Rihms Sphere, opgezet vanuit de stilte en culminerend in lapidaire crescendi, beukende dissonanten en vette tomtom-klappen, hoort in al zijn theatraliteit tot de best geslaagde Rihms - 'moderne muziek', die bijna geblinddoekt maar vol energie naar nieuwe, onbekende richtingen gebaart.

Waar Omina Tempus habent uit '58, van de zwaartillende Zimmermann, nog de onbevangenheid ademt die gepaard gaat met het bewandelen van nieuwe wegen, loopt het pad van Lachenmann in Zwei gefühle (voor sprekers en ensemble) en Allegro sostenuto (voor klarinetten, cello en piano, zondag met grote concentratie uitgevoerd door Harry Sparnaay, Taco Kooistra en Yoko Abe) hopeloos dood in iets dat je van de weeromstuit neo-pseudo-serialiteit kunt noemen: een feest van de hardnekkige fragmentering, waarin een componist van bladzij naar bladzij zijn wiel tracht uit te vinden. Lachenmann is de man van de troosteloze heldenmoed. Een Duitser uit één stuk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden