TNO-onderzoeker Jacobs vergelijkt rol Economische Zaken met taak van voetbaltrainer 'De ploeg in het veld moet het doen, niet de coach'

Dany Jacobs, de TNO-man die geldt als dè wetenschapper achter het Nederlandse industriebeleid, is een optimistisch mens. Hij vindt het dus ook niet zo'n ramp voor de economie als Fokker omvalt....

Van onze verslaggever

Harko van den Hende

AMSTERDAM

Dany Jacobs hoort niet tot de mensen die zeggen dat de Nederlandse overheid haar taak schromelijk heeft verwaarloosd door geen geld te steken in Fokker. Succesvol industriebeleid zit volgens hem anders in elkaar. Hij valt ook niet onder de categorie klagers die in het faillissement van Fokker de voorbode zien van de ondergang van de hele Nederlandse economie. Er zijn volgens hem genoeg sterke sectoren over. Sterker nog, hij denkt dat Nederland een van de modernste economieën van de wereld is. Maar, zegt hij er met een lach bij, 'ik ben van nature erg optimistisch'. Dat neemt niet weg dat hij meent wat hij zegt.

Jacobs kent de Nederlandse economie op z'n duimpje. Hij speurt als senior-onderzoeker van TNO al jarenlang naar de economische kracht van Nederland en doet ook regelmatig verslag van zijn bevindingen. Mede aan hem heeft het Nederlandse industriebeleid de 'clusterbenadering' te danken, al is hij het niet helemaal eens met de betekenis die het ministerie van Economische Zaken aan dit begrip geeft.

Wat hem betreft overschrijden clusters de klassieke indeling van landbouw, industrie en diensten. Ze bestaan uit gespecialiseerde en tegelijkertijd nauw verbonden bedrijven. Ze vormen een 'produktienetwerk' zoals bijvoorbeeld de chemie, de bouw, de multi-media, het transport of de commerciële dienstverlening in Nederland.

En de 'maakindustrie', waartoe ook Fokker behoorde. Maar over Fokker wil hij niet teveel zeggen, al is het maar omdat hij de details van de onderhandelingen van de laatste weken niet kent. Over het nu uiteengevallen Fokker-cluster weet hij veel. Jacobs was vorig jaar leider van een groep TNO-onderzoekers die onderzoek hebben gedaan naar de betekenis van Fokker voor Nederland.

'Het is waar dat nu Fokker is omgevallen meer verloren gaat dan Fokker alleen. Een belangrijke trekker voor innovaties is weg. Je krijgt problemen met de kennisinfrastructuur. Het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium is bijvoorbeeld voor 40 procent afhankelijk van Fokker. Ook toeleveranciers kunnen op termijn problemen krijgen. Maar een goed bedrijf doet dan iets. Ik hoop dat dat ondernemersschap er ook is.'

Een gebrek aan Oranje-gevoel voor Fokker kan Jacobs, als Vlaming, moeilijk kwalijk worden genomen. Maar hij vind dat dergelijke sentimenten ook niet thuishoren in een industriebeleid. 'Je kunt natuurlijk gehecht zijn aan een bedrijf. Maar uiteindelijk moet de beslissing toch op economische gronden worden genomen. Ik ben absoluut niet principieel tegen steunverlening door de overheid ter overbrugging van een tijdelijke probleemsituatie. Kijk naar DAF of RSV. Daar is nog heel wat leuks van overgebleven. Maar het moet wel gebeuren op basis van een reëel business-plan.

'Ik ben het dan ook niet eens met de mensen die naar aanleiding van Fokker zeggen dat Nederland geen industriebeleid voert. Het Nederlandse beleid is niet al te specifiek gericht. Het gaat in Nederland meestal om relatief kleine bedragen met af en toe een uitschieter. Dat is het goede industriebeleid.'

Hij ziet dan ook weinig in een beleid zoals dat bijvoorbeeld in Frankrijk wordt gevoerd, waar nog steeds grote bedragen worden uitgetrokken om bepaalde industrieën, zoals de vliegtuigbouw, overeind te houden.

'Het probleem met zo'n nationaal kampioenenbeleid is dat deze bedrijven zich van de markt gaan afwenden en hun perspectief op de overheid gaan richten. In zo'n beleid is het leuk meegenomen als een bedrijf winst maakt, maar als er verliezen zijn, wordt verwacht dat de overheid direct klaar staat. Zoiets moet je ten koste van alles vermijden. Zo creëer je alle voorwaarden voor slecht management. Bedrijven hebben zo geen prikkel meer om te presteren. Nederland heeft gelukkig niet overdreven veel geld om dit soort grappen uit te kunnen halen.'

De rol die de overheid zich volgens Jacobs moet aanmeten is niet die van suikeroom maar van voetbalcoach. 'Dat is een heel belangrijke rol. Je probeert als coach je ploeg sterker te maken en sterker te laten spelen. Dan heb je er ook niets aan om de beste spelers te beschermen tegen de competitie. Ze moeten spelen. Maar het is wel de ploeg die op het veld staat, niet de coach.'

Waaraan meet hij het succes van de coach af? 'Doelpunten'

Om vaak genoeg te kunnen scoren, moet Nederland volgens hem af van de gedachte dat de internationale concurrentiestrijd alleen is vol te houden met 'harde' technologie. Snellere chips, sterkere kunststoffen, zuinigere machines. 'Softe' eigenschappen van produkt en bedrijf worden steeds belangrijker om te kunnen overleven. Design, marketing, kwaliteit. En niet te vergeten een goede relatie met de klant.

'Philips was al lang een uitvindersbedrijf. Maar andere dingen zoals de marketing, de organisatie, deden ze minder goed. En dan verkoopt een produkt niet.'

De veel betreurde daling van de uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling in Nederland verstoort de nachtrust van Jacobs daarom ook niet echt. 'Geld uitgeven is niet zo moeilijk. Geef het maar aan mij, ik geef het wel uit', lacht hij. Het gaat erom wat je ermee bereikt. Ik heb ook niet de indruk dat Nederlandse bedrijven niet investeren in onderzoek en ontwikkeling als ze kansen zien liggen.'

Zijn eigen onderzoeken stemmen hem wat dat betreft hoopvol, al heeft hij soms twijfels over de door hemzelf vergaarde cijfers, 'terwijl er toch grote telbureau's zijn in Nederland'. De 'kennisexport' van Nederland, en dan gaat het om de verkoop van bijvoorbeeld technische adviezen, juridische diensten, tv-produkties of muziekopnamen aan het buitenland, ligt ver boven het Europese gemiddelde.

Maar daarmee heeft de Nederlandse economie de internationale concurrentiestrijd nog niet gewonnen. 'Het concurrentiespel houdt in dat iedereen efficiënter moet worden. Dat gaat eindeloos door. Daar ontkomen we niet aan. Maar het is niet alleen concurrentie op kosten. Ook op toegevoegde waarde. Dat betekent dat je iets doet voor een klant dat hij zo interessant vindt dat hij ook bereid is daarvoor te betalen.

'Neem IHC Holland. Dit bedrijf zat in de scheepsbouw, maar daarmee viel weinig te verdienen. Ze hebben zich toen gespecialiseerd in complexe baggervaartuigen. Nu hebben ze 60 procent van die wereldmarkt. Ze maken produkten die een meerwaarde hebben voor de klant en waarvoor de klant ook betaalt. Dat is toch een meer relaxte positie dan bedrijven die puur op de kosten moeten concurreren. Ja maar, zeggen managers dan, het is niet gemakkelijk zo'n positie te bereiken. Inderdaad, het is niet gemakkelijk, is mijn antwoord. Maar het is wel je job.'

De meest gebruikte manier die bedrijven nu toepassen om in ieder geval zo goedkoop mogelijk te produceren, is zich louter te richten op de zaken die ze zelf het beste kunnen, de core-business. De rest moet van buiten komen. Zo ontstaat bijna als vanzelf een netwerk van bedrijven die als toeleverancier, adviseur of marketeer bij de fabricage en verkoop van een eindprodukt betrokken zijn.

Deze netwerk-economie is volgens Jacobs veel belangrijker dan tien jaar geleden. Maar deze ontwikkeling heeft ook gevaarlijke kanten. 'Netwerken kunnen ook inflexibel maken. Een zelfstandig bedrijf kan sneller inspelen op een nieuwe situatie. Bijvoorbeeld door een directeur te ontslaan. Dat kan in een netwerk niet. Een bedrijf kan niet de directeur van zijn leverancier ontslaan. Een van de meest flagrante voorbeelden van een inflexibel netwerk was die van Fokker en Dasa over de rompen. Fokker wilde de prijs van de door Dasa geleverde rompen omlaag hebben maar kreeg te maken met een toeleverancier die niet bewoog.'

In het ideale netwerk van Jacobs worden zulke vervelende boodschappen gemakkelijker geslikt omdat alle bedrijven inzien dat zij baat hebben bij de verandering. Hij weet ook wel dat dit nu een droombeeld is. Verandering is goed, vooral als het bij een ander gebeurt.

'Men moet niet onderschatten hoe conservatief ondernemers zijn. Zelfs reorganisaties waarvan men weet dat zij succes zullen hebben, worden tegengehouden omdat zij te veel overhoop halen. De hardleerse organisatie heeft nog altijd meer aanhangers dan de lerende organisatie. Wat dat betreft is het goed dat er een markt is. Er gebeurt maar heel weinig uit eigen motivatie. Zo zijn we toch allemaal? We hebben een prikkel nodig.'

Inflexibele netwerken of hardleerse organisaties, Jacobs wordt er niet ineens zwartkijker van. Alle zwaarmoedige verhalen over de Nederlandse economie zonder Fokker ten spijt, blijft hij geloven in de overwinning. Ook op de zo gevreesde Aziatische concurrentie.

'Ja, ik ben heel optimistisch. Ik ben er echt van overtuigd dat Azië nog in de problemen zal komen. Het gaat er niet om dat zij slecht zijn, maar dit deel van Europa is wel een van de modernste stukken van de wereld. Goed, het klinkt natuurlijk allemaal iets te positief. In Nederland moet je altijd een beetje een tobber zijn. Je moet altijd denken dat het fout zal gaan. Dat heeft ook z'n voordelen. Het houdt je heel alert.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden