Tju tju tju tjo tjo tjo

'In een drukke winkelstraat in Amsterdam denk ik opeens: hé, ik hoor een koperwiek! Onbewust heb je dat ene geluidje er uitgefilterd.' In het broedseizoen zijn de vogels op hun drukst....

In deze lenteweken houdt Edward van IJzendoorn 's nachts de ramen dicht. Pal onder zijn slaapkamer zit een merel, en die begint om zes uur 's ochtends zo enthousiast te zingen, dat Van IJzendoorn geen wekker hoeft te zetten. Laat staan als daarna ook de koolmees de slaap van zich afschudt. 'Die tettert er flink op los.'

In april en mei zoeken de broedvogels hun nesten op en elke tuinbezitter weet wat dat betekent: toenemend kabaal in heg en struik. Het territorium moet verdedigd worden, en dat gaat gepaard met verhit getsjilp en gekwetter. De doorsnee natuurliefhebber neemt dat gratis zangkoor voor lief, zonder de oorsprong van elk tsjilpje of kwettertje te hoeven weten.

Edward van IJzendoorn doet het anders. Hij hoort tot de kenners die precies bijhouden wat zich in hun tuin afspeelt. Serieuze vogelaars hebben een tuinlijst, waarin ze noteren hoeveel soorten ze tussen de coniferen zien. Van IJzendoorn, een wiskundeleraar die woont op de rand van het Noord-Hollandse duinreservaat, schat dat hij 'tussen de zeventig en tachtig soorten' op zijn lijst heeft. Niet eens zo'n spectaculair aantal, vindt hij, maar dat komt omdat hij wat minder fanatiek is dan vroeger. 'Ik ben er vér in gegaan, een beetje monomaan.' Twintig jaar geleden woonde hij elders en telde z'n lijst nog 128 soorten. 'Ik maakte er ook echt werk van. Bijvoorbeeld als troepen ganzen overvlogen. Kolganzen en brandganzen zijn makkelijk te herkennen, maar bij rietganzen is het opletten.'

Een vogelgids heeft Van IJzendoorn niet nodig, ook niet bij lastig te determineren soorten. 'Soms moet je even goed kijken, maar dan weet je het wel.' Hoewel hij thuis is in de Europese vogelgebieden ('ik weet wat er zit'), blijft hij gehecht aan zijn achtertuin. 'Iedere vogelaar kijkt in zijn tuin, dat blijft een bijzondere plek.' Het heeft ermee te maken dat de liefde vaak dáár begon, denkt hij. 'Ik weet nog dat ik als kind ziek in bed lag. Door het raam zag ik een rechthoekig stuk lucht, waar af en toe een vogel doorheen schoot. Fascinerend. Zo is bij mij het opletten begonnen.'

Luisteren is daarbij net zo belangrijk als kijken, vindt Van IJzendoorn. 'In een drukke winkelstraat in Amsterdam denk ik opeens: hé, een koperwiek! Onbewust heb je dat ene geluidje er uitgefilterd. Meer dan de helft van de waarnemingen doe je op je gehoor.'

De typering van vogelgeluiden in de veldgidsen (de ortolaan: 'tju tju tju tjo tjo tjo') acht hij verspilde moeite. 'Tsjoek tsjoek. Ik weet nooit wat ik me erbij moet voorstellen. Je moet het zelf leren. Neem het roodborstje, een makkelijke vogel om te herkennen. Maar als je die voor het eerst hoort zingen, heb je geen idee. Je loopt er honderd keer langs, je denkt goh, wat zingt die leuk, en de 101ste keer wil je weten wat het is. Dat valt knap tegen, want hij zit verscholen in de struiken. Na een kwartier zoeken zie je hem eindelijk: blijkt het verdorie een roodborstje! Twee weken later hoor je 'm wéér, en je hebt geen idee wat het is. Je bent het vergeten! Dus daar ga je weer. Zoeken en kijken en zoeken - net zolang tot je het niet meer vergeet. Er is geen andere manier.'

Midden in de huiskamer van Arnoud van den Berg staat een telescoop. Niet om de overbuurvrouw mee te begluren: het apparaat is permanent gericht op de perenboom en de meidoorn in Van den Bergs achtertuin. Daar hangt een rij korven vol zonnebloempitten en ongebrande pinda's, die uit de wijde omgeving mezen en vinken aantrekken. Soms zit er een leuke zeldzaamheid tussen.

De meeste Nederlanders strooien pas vogelvoer als het vriest. De Vogelbescherming waarschuwt dat je in het broedseizoen niet mag voeren, maar dat vindt de Noord-Hollandse beroepsornitholoog onzin. Van den Berg doet het op z'n Amerikaans: het hele jaar door, in onbekrompen hoeveelheden, in stoere metalen voederkorven en -pijpen (merk Droll Yankee; gegarandeerd eekhoornbestendig) die hij in de Verenigde Staten koopt.

Met een enkele pinda schiet je niets op, zegt Van Den Berg. 'Soms heb je tegelijk acht pimpelmezen, vier koolmezen en een glanskop in je tuin. Als er dan één zak pinda's hangt, wordt het ruzie.' Van den Bergs methode heeft succes. Zijn tuinlijst vermeldt tegen de honderd soorten, met echte rariteiten als de notenkraker en het bladkoninkje. Ook de reguliere bezoekers maken indruk, door de forse aantallen waarin ze af- en aanzwermen. Glanskoppen, pimpelmezen, groenlingen, kauwtjes, mussen, gaaien en koolmezen komen in bonte troepen op de feeders af.

'Kijk', wijst Van den Berg, terwijl hij de telescoop verstelt: 'Een roodborstje onder de voerpijp.' Het dier pikt de schilfertjes op die de andere vogels laten vallen; zijn snavel is te fijntjes om de pitten te kraken. Ook het winterkoninkje wipt geregeld langs. 'In slechte pitten kunnen wormpjes zitten. Het winterkoninkje heeft dat meteen door. Die klimt dan ook de pijp in.'

Feeders zijn nu ook in Nederland te koop, maar toen Van den Berg ze importeerde waren ze een nieuw verschijnsel. De vogels moesten er aan wennen. 'Mezen bleken snelle leerlingen. Die hadden binnen een dag door hoe zo'n voederpijp werkt. De groenling deed er een maand over, en de vinken. . . dat duurde járen. Die kwamen alleen op de grond, tot eentje eindelijk doorhad dat je op dat richeltje kunt zitten. Toen hij het voordeed, konden ze het opeens allemaal. Kauwtjes zijn nog slimmer dan mezen. Als je een pindanetje aan een touw hangt, hijsen ze dat op om er beter bij te kunnen.'

Zo valt er vanachter je huiskamerraam heel wat te ontdekken, vindt Van den Berg. 'Als je groenlingen voert, voer je indirect ook de sperwers, want die eten groenlingen. Laatst zat hier een sperwer in het gras, vlak voor het raam. Dat was wel een hoogtepunt.'

Nog spectaculairder is de zeearend die Van den Berg onlangs aan zijn lijst toevoegde. 'Ik wist dat hij ergens in de Kennemerduinen zat. Ik heb vaak naar hem gezocht, maar hij bleef onvindbaar. Tot ik hem opeens pal boven mijn huis zag.' (Orthodoxe vogelaars zullen tegenwerpen dat de zeearend daarmee nog geen plaats op de tuinlijst verdient: volgens de hardliners is die voorbehouden aan wat zich tussen maaiveld en dakgoot beweegt.)

Een tip tot slot: 'Nooit je tuin ingaan. Dan jaag je alles weg. Vooral niet tuinieren ook. Een goede vogeltuin moet woekeren.'

Ook zonder tuin kun je een vogellijst bijhouden. Het bewijs levert een flatetage in Haarlem-Noord, waar Dirk Moerbeek een grandioos uitzicht geniet op het oude veenweidegebied van de Hekslootpolder - Moerbeeks voortuin, zeggen collega-vogelaars jaloers. Met twee verrekijkers en een telescoop onder handbereik zit de bioloog annex beeldend kunstenaar en vogelillustrator paraat. Geen gordijnen of frutsels in de vensterbank, niets dat het panorama belemmert. 'Hier zit ik graag, direct aan het raam.'

Moerbeek heeft maar één klacht: langs de polder is een rij bomen geplant. 'Slecht voor het uitzicht. Ik heb de gemeente geschreven of het niet minder kan, maar die blijkt niet gevoelig voor mijn klacht.'

Dankzij dikke voorzetramen hoor je niets van de rondweg die langs de flat loopt. De polder ligt er in paradijselijke stilte bij: een onafzienbare lap groen, vol kieviten en grutto's die statig tussen de koeien rondstappen. Moerbeek pakt de kijker en inspecteert wat zich verder roert. Nijlgans, kluut, tureluur, smient, bergeend. . . Tegen de dertig soorten turft hij. Een goede oogst voor april? 'Mwah. Veel pap en weinig krenten.'

De afgelopen jaren liep Moerbeeks 'raamlijst' op tot 135 soorten, met fraaie passanten als de zwarte ibis, kraanvogel, stelkluut, poelruiter, zwartkopmeeuw, visarend en slechtvalk. Een flatbewoner hoeft zich niet te behelpen, wil hij maar zeggen. Zelfs het piepkleine balkonnetje doet mee: daar landen kauwtjes en spreeuwen, die nieuwsgierig naar binnen gluren. Vindt hij het niet jammer dat hij achter driedubbel glas zit en de vogels nooit hoort kwetteren? 'Ik ben visueel ingesteld. Vogelzang onthoud ik slecht.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden