Tijdschriften en temperamenten

TS - Tijdschrift voor tijdschriftstudies bestaat vijf jaar, en dat wordt door de redactie op gepaste wijze gevierd met de uitgave van een lustrumboek, waarin minder gelukkige soortgenoten centraal staan: Floppen en fiasco's - Mislukkingen uit de tijdschriftgeschiedenis....

Het mislukte tijdschrift is gemakkelijk te herkennen, maar een waterdichte definitie ervan is moeilijk te geven. In het voorwoord houdt de redactie het op de volgende, werkbare afbakening: 'Een tijdschrift kan volgens ons als mislukt worden beschouwd wanneer het niet aan de doelstellingen van de oprichters of redacteuren beantwoordde of wanneer het (. . .) binnen een jaar weer van het toneel verdween.' Met het eerste criterium wordt vooral gedoeld op publicaties die in goede voornemens zijn blijven steken, en zelfs geen eerste aflevering hebben mogen beleven. Van de acht artikelen in het lustrumboek gaan er drie over zulke onvoldragen tijdschriftuitgaven. Bijvoorbeeld het 'Tijdschrift voor Vaderlandsche Jonge Juffers', voorgenomen door Betje Wolff en Aagje Deken, maar nooit verder verwezenlijkt dan in een wervend voorwoord (afgedrukt in het lustrumboek). Andere brachten het tot drie of vier afleveringen in onregelmatige verschijning. Over de uitgave van het Muzikaal tijdschrift werd zes jaar gewikt en gewogen, wat toch niet lang genoeg was om meer dan één jaargang (1836) te doen verschijnen.

Een ondoordachte bladformule, concurrentie, de kleine Nederlandse markt, financiële perikelen: ze komen in het lustrumboek regelmatig ter sprake als oorzaak van de floppen en fiasco's. Het aardigste struikelblok is echter wat in het voorwoord omschreven wordt als 'botsende humeuren en conflicterende temperamenten'. Jacobus Bellamy zat bijvoorbeeld opgescheept met medewerkers die veel beloofden maar weinig schreven. Adrianus Uyttenhooven zou voor Bellamy's De Poëtische Spectator een recensie schrijven van een dichtbundel, en deed daar een halfjaar over. Ronduit vermakelijk is de lijst die Jacob Geel, bibliothecaris van de universiteitsbibliotheek in Leiden, in februari 1838 aan J.R. Thorbecke geschreven heeft. Geel hoopte in het academisch milieu kopij te vinden voor een recensietijdschrift, maar de lijst van door hem benaderde of beoordeelde scribenten is vrijwel geheel een opsomming van hun uitvluchten en smoesjes om niet te hoeven schrijven. Met soms een uitzondering: 'Peelkamp belooft het meeste, mits ik hem boeken voorhoud.'

In dezelfde tijd deed ook J.W. Holtrop, bibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek, zonder veel resultaat een oproep aan geleerden om mee te werken aan het Driemaandelijksch Tijdschrift. Thorbecke leverde wèl kopij: een vernietigende kritiek op een boek over Johan de Witt. Een prima bijdrage, ware het niet dat het boek geschreven was door P. Simons, redacteur van het Driemaandelijksch Tijdschrift. Ook zulke temperamentvolle bijdragen bleken niet bevorderend voor het humeur van anderen en het voortbestaan van het tijdschrift.

Boven A.P. (Amsterdams Peil) moest een literair tijdschrift worden waarin vooral jonge Groningse schrijvers als Eddy Evenhuis, Max Dendermonde, Koos Schuur, en A. Marja hun talenten zouden bewijzen. Het zou een tegenwicht vormen tegen het tijdschrift Criterium, waar Ed. Hoornik de dienst uitmaakte. Het humeur heet hier 'Hoornik haten' en het bleek uiteindelijk niet genoeg om het blad te verwezenlijken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden