Tijdens carnaval gaat niemand verkleed als liegende minister

Toine Heijmans in Venlo

Van carnaval begrijp ik niets, maar ik snap het wel. Het is vooral de vraag wat ik daar moet. Er is niks nieuws over te melden, elk jaar hetzelfde liedje, protocol en alcohol. En dan met een notitieblokje langs de grote optocht staan in Jocusrijk.

Voor nieuws moet ik op het Binnenhof zijn, de kathedraal van het opportunisme. Daar is een liegende minister ontdekt en om de lieve vrede liegen de collega's een eindje met hem mee. Die van het Binnenhof lopen alle dagen in vermomming, hun blauwe pekskes aan, de stropdassen strak, en dan sjiengele sjiengele boem in parade op zoek naar iets dat ze zijn kwijtgeraakt.

Belangrijk hoor, en veel succes, maar ik wend de steven toch maar richting vastelaovend. Jan is er al vier dagen. 'We staan bij de Loco', appt hij. 'Gouden jassen.'

Uit de autoradio druppelt politiek. Kamerleden lanceren plannetjes alsof ze eenden voeren. De leden Bergkamp en Hermans komen met een deeltijdverpleeghuis, het lid Van Meenen wil privacy voor schoolkinderen, gevaarloze motietjes en camouflagestrategietjes. Het lid Van Meenen wil niets zeggen over de liegende minister, hij begraaft zijn mening in ijdele grapjes. Het is een man met last en ruggespraak. Was ik de radio dan kukelde ik hem van de zender maar het enige wat ik nu kan doen is aan de knoppen draaien en zoeken naar vasteloavendliedjes.

Die begrijp ik niet, maar ik snap ze wel.

Jan staat aan de overkant van de Parade, ik zie gouden jassen glimmen. Tussen ons ruist de rivier van de grote optocht. Jan kan wachten, ik sta hier goed, een ijsbeer brengt een glaasje bier of was het een oranje konijn en ze vragen waarom ik geen pekske draag en ik zeg: dit is mijn pekske, het pekske van de journalist. Met z'n notitieboekje onhandig op dat glaasje bier.

Mijnwerkers. Geisha's. Aardmensen. Vliegeniers met vogelnesten op hun kop. Iedereen keert z'n lijf binnenstebuiten bij vastelaovend. Al die gevoeligheden blootgesteld. Mannen met grandioze epauletten op hun schouders slepen traag voorbij, hoeden hoger dan de maan, medailles rinkelend op de borst als echte Kamerleden. Het is de kalmte van het carnaval, de vanzelfsprekendheid van urenlang dagenlang op je voeten te staan. De mijne raken koud. Een glaasje bier van een gouden jas, een omhelzing en een kus erbij. Het is Toni. Of Fonzie. Namen zijn niet van belang.

Jan (midden) tussen de gouden jassen.

Niemand is verkleed als liegende minister. Die zijn gewoon niet interessant genoeg.

Jans gezicht is anders en dat komt niet door de pruik. Over Jan moet ik vertellen dat hij een roman schreef die mij vastelaovend leerde kennen: Naar de overkant van de nacht. Hij is geen Venlonaar, de rest van zijn vereniging evenmin, maar dat maakt niet uit. Proberen me van alles te vertellen maar ik snap het al. De gouden jassen komen uit Côte d'or, ze zijn een aangespoeld barlingteam, en Jan staat nu te hannesen met een zakflesje Jägermeister en twee glaasjes bier tegelijk, en Zwaan diept flesjes roze Flügel op uit een merkloos linnen tasje en deelt ze rond. Het is net middag. Het dopje van de Flügel klemt Zwaan op haar neus - dat is verder geen onderwerp van gesprek.

Iemand prikt een verenigingsspeldje op mijn jas. Nu ben ik ergens op aan te spreken. Al die speldjes en medailles, al die vermommingen zijn verzoeken om contact. De vastelaovendmens is een levend rekwest.

D'n euverkant van de nach is een vastelaovendliedje van Frans Pollux, heel teer, luister eens en kukel de carnavalskrakers van de zender. Ze zingen hier liedjes dieper dan de rivier. Zwaan komt Lé en Mariet tegen, Mariet zegt dat ze de échte Marietje is, die van het vastelaovendliedje. Lé vertelt over Frans Boermans, de liedjesschrijver, en zegt dat ze vroeger een keer 's avonds thuiskwamen en Chriet Titulaer aantroffen met Henk Terlingen in de woonkamer, die er een feestje waren begonnen.

Een van de gouden jassen pakt mijn notitieboekje en zegt wat er geschreven moet: 'ALLES'. 'Dat is tevens de titel van jouw nieuwe boek.' En Jan vertelt dat vastelaovend nuttig is 'om dingen te verwerken', ik versta nog wat woorden als 'vrijheid' en 'saamhorigheid', iemand komt met glaasjes bier en roept: 'hete soep!', maar dan drijf ik al verder de stad in tussen edelherten, mozaïekmeisjes en een levende Armand.

Staat een man met een punthoed schor te roepen vanaf een scheepswagen, 'sámen, sámen' en 'zó mooi is dit' en weer: 'sámen, sámen'. Zou een politicus het roepen, geloofde ik het niet.

Het moeilijkste van vastelaovend lijkt me het losmaken, het terugkeren naar de schijnwerkelijkheid. In Sittard gaat dat met een begrafenis. Jan knalt nog door tot zes uur in de ochtend. Ik trek me terug het grijze land weer in, het land van de liegende minister en zijn raad van elf opportunisten.

Langs de stad schuurt de Maas, de kalmste van de grote rivieren, maar met een sterke onderstroom.