Tijdelijk verlies van gezond verstand

De Nederlandse media hebben zich slaafs en kritiekloos opgesteld in de berichtgeving over internet. Dat beweren althans Peter van Dijk en Erik-Jan Gelink in hun boek Gekte.com, dat komende vrijdag verschijnt....

Het allesoverheersende kenmerk van een hype is dat iedereen zijn emotie volgt en niet zijn gezonde verstand. In een beleggingshype kan dat betekenen dat als je buurman opeens makkelijk en snel rijk wordt, jij gaat denken: dat kan ik ook. In een mediahype is de emotie: de angst om achter te blijven, alleen te staan.

In mediahypes zijn redacties, die anders beweren zo kritisch te zijn, opeens bereid genoegen te nemen met slaafse verslaggeving. In de internethype en de daaropvolgende neergang hebben de Nederlandse media weinig originaliteit getoond en dagelijks de bestaande trends gevolgd en versterkt. Daarmee waren ze zelf een kritiekloze speler in de hype en vervolgens in het onthypen.

De Nederlandse internethype, die later op stoom kwam dan de Amerikaanse, oogde rustiger, maar kende behalve het tijdelijke verlies van gezond verstand, hetzelfde opgeklopte proza en de onmisbare popularisatoren, oftewel goeroes. Goeroes zijn essentieel voor een hype: ze moeten welbespraakt zijn, steun krijgen in de pers en de hysterie een vertrouwenwekkend gezicht kunnen geven.

In Amerika speelden mensen als Mary Meeker (topanalist bij Morgan Stanley), Louis Rossetto van het blad Wired, Nicholas Negroponte, hoofd van het Media lab van MIT, Al Gore, vice-president van de VS, die rol. Zij werden geassisteerd door de pers, die na de val van de Berlijnse Muur en de triomf van Amerika op zoek was naar nieuwe helden van het vrije ondernemerschap en hen vond in Marc Andreessen, de ontwikkelaar van Mosaic en Netscape, Jeff Bezos, de oprichter van Amazon.com, David Filo en Jerry Wang, oprichters van Yahoo!, en nog vele andere internetpioniers. Internet werd in de jaren negentig het symbool van een nieuw en vitaal Amerikaans ondernemerschap, los van oude conventies, internationaal en eigentijds.

In Nederland speelden in de media Francisco van Jole (de Volkskrant), Marie-José Klaver (NRC Handelsblad) en Ben Tiggelaar de rol van popularisatoren en in het bedrijfsleven Maurice de Hond, Vincent Everts (van MediaPlaza) en later Roel Pieper. Geen nerds met brilletjes, maar mediapersoonlijkheden die je kon bewonderen. De rol van de Nederlandse Al Gore werd waargenomen door minister Hans Wijers van Economische Zaken.

Nederland liep een jaar of vijf achter op Amerika en daardoor duurde de gekte hier eigenlijk slechts drie jaar: van 1998 tot begin 2001. Het NOS Journaal gaf in 1994 het startschot voor de publieke ontdekking van internet. Marleen Stikker vertelde op 15 januari in het 8-uur journaal haar verhaal van De Digitale Stad. Francisco van Jole nam de fakkel over; hij werd de eerste journalist in Nederland die systematisch over internet schreef. In zijn eerste boek De Internet-sensatie (1995) beschreef hij hoe hij verliefd werd per e-mail, hoe online discussies de autoriteiten belachelijk maakten.

In september 1994 begon Van Jole met een wekelijkse column in de Volkskrant; zeven jaar lang schreef hij puntige stukken over internet en beleed hij zijn lol in het nieuwe medium. Terwijl het merendeel van zijn lezers nog nooit een apenstaartje gezien had, schreef Van Jole op 19 september 1994: 'De digitale snelweg zal de maatschappij net zo veranderen als de auto, het vliegtuig en de telefoon dat de afgelopen decennia hebben gedaan. Wie de digitalisering afdoet als een hype of flauwekul weet domweg niet waar hij over praat.' De Volkskrant liep met deze inzichten voorop in de vaderlandse pers, hoewel eerlijkheidshalve vermeld moet worden dat het allereerste stuk over computernetwerken in een speciale bijlage 'Automatisering van Mens & Bedrijf' van NRC Handelsblad verscheen op 26 september 1984 van de hand van Pauline van de Ven.

De NRC begon als eerste dagblad een website in 1995 en er werden speciale internetbladen opgericht: Emerce en Internet in business. Ben Tiggelaar speelde de goeroe via Emerce. Hij schreef Internet Strategie, dat in 1999 en 2000 het best verkochte managementboek in Nederland werd. Volgens oud-NRC-columnist Dany Jacobs leek dit soort lectuur erg op de teksten die de dagbladen publiceerden: 'Ten eerste poneert Tiggelaar nogal stellig en kritiekloos een 17-tal trends, die je wel meer in de opgefokte ICT-literatuur kunt lezen: werknemers worden autonoom, klanten veeleisend, markten transparant, enzovoort. Ik zou daaraan toevoegen: konijnen trommelen, boeren boeren en het is mooi weer, tenminste af en toe. Alle kranten en bladen schrijven nogal enthousiast en welwillend over het nieuwe fenomeen.'

De media begeleidden de hype niet kritisch, maar versterkten hem. Een kleine greep uit de vele voorbeelden van welwillendheid. In Trouw van 11 maart 1995 mocht Michiel Frackers alles over zijn Planet Internet uitleggen. 'Je moet de consument nooit vragen of hij behoefte heeft aan Internet. Je moet hem zelf duidelijk maken dat Internet aan iedereen iets te bieden heeft. Neem onze eigen marketingmanager. Tot voor kort geen fanatieke internetgebruiker. Gebruikte het net eigenlijk alleen voor zijn e-mailtjes, totdat ik hem wees op een nieuwsgroep die helemaal gewijd is aan Franse wijnen - toevallig een grote hobby van hem. Nu is hij er niet meer van af te slaan.'

Op 21 januari 2000, vlak na de aankondiging van de overname van Time-Warner door AOL schreef Roel Janssen in NRC Handelsblad: 'Silicon Valley is het nieuwe beloofde land. Hier vond aan het einde van de twintigste eeuw de grootste legale schepping van rijkdom plaats die zich ooit op aarde heeft voorgedaan. Silicon Valley is ook California Dreaming, de economische triomf van de Amerikaanse westkust, waar creativiteit, jeugdigheid en energie de boventoon voeren en waar het weer alleen maar dollars regent. De verbluffende effecten hiervan zijn tot de rest van de wereld nog nauwelijks doorgedrongen.'

Nog een willekeurig voorbeeld. De cover van Emerce, januari/februari 2000: 'Boo! Hoe deze twintigers de mode-industrie op zijn kop zetten.' Binnenin: 'Op onorthodoxe wijze bouwde het Zweedse duo Malmsten-Leander een jaar lang aan een vierhonderd man sterk imperium. Doel: met de hipste modesite de wereld veroveren. Boo.com heet het vehikel, trendy streetwear de handel en stylejunkies vormen de doelgroep.'

De NRC opende op 2 april 1997 zijn opiniepagina voor internetadepten. Marcel Bullinga, een adviseur voor het nieuwe medium, filosofeerde erop los: 'Door de interactiviteit en de relatief geringe kosten zullen teledemocratische debatten (ingebed in de besluitvorming) gemeengoed worden. Het Internet zal gaan functioneren als Bommeliaanse draagvlakmachine. (..) Teledemocratisch ontstaan nieuwe instrumenten voor de in een democratie zobroodnodige controle en openbaarheid. (..) dat kan een aardverschuiving betekenen in de machtsverhoudingen tussen burgers, overheden en maatschappelijke organisaties.' Wie er iets van begrijpt heeft blijkbaar de nuance gevonden.

De stelling dat de Nederlandse pers, evenals de Amerikaanse, kritiekloos schreef over internet, is goed te verdedigen na uitgebreide lezing van de jaargangen van 1994 tot en met 2001 van de PCM-kranten, Het Financieele Dagblad en Quote, zoals die elektronisch opgeslagen worden door Factlane, de inmiddels verkochte databank van PCM. De media hebben over het algemeen tot aan het uiteenspatten van de zeepbel vooral ijverig, uitvoerig en enthousiast over internet geschreven.

Daar is niets op tegen, een nieuwe technologie leidt vaak tot nieuwe dromen en verwachtingen (elektriciteit, radio, film, televisie) - het probleem zit 'm er veeleer in dat toen internet instortte, diezelfde media met dezelfde ijver en hetzelfde enthousiasme begonnen uiteen te zetten hoe overdreven en hoe onzinnig de verwachtingen rond internet waren. Zonder enig geheugen. Dat leidt ertoe dat er in onze vaderlandse verslaggeving geen continuïteit te vinden valt, en vooral dat lezers geen afgewogen oordeel, geen perspectief krijgen, en dus geen baken hebben.

Een voorbeeld. Op 28 september 2002 brengt NRC Handelsblad een themanummer over internet. De hoofdkop is 'De digitale revolutie is mislukt'. Hier wordt een bekende journalistieke perceptiefout gemaakt. Een aantal bedrijven is failliet en honderden beleggers hebben zich hun centjes uit de zak laten praten door Nina Brink, Maurice de Hond of de ABN Amro, maar de digitale revolutie is geslaagd, die gaat door, sneller dan gedacht.

Meer mensen dan ooit gebruiken e-mail en hebben toegang tot het web; online winkelen neemt voortdurend toe; telebankieren is een groot succes; bedrijven kunnen voor hun bestellingen en verkoop niet meer zonder internet. Artikelen met deze strekking worden heden ten dage weer gepubliceerd, maar hadden na enig huis- en denkwerk ook vorig jaar geschreven kunnen worden. We citeerden NRC Handelsblad, omdat deze krant de evenwichtigste van Nederland heet te zijn en om die reden verdere citaten uit andere bladen overbodig maakt. Ten bewijze van deze overbodigheid, nog één citaat van gelijke strekking uit een andere evenwichtige krant, Het Financieele Dagblad, dat op 22 juni 2001 schrijft: 'Het vertrouwen in de interneteconomie is vervlogen'.

Er ligt maar één conclusie voor de hand: de journalistiek levert gewoon die schrijf- en beeldproducten af, waarvan de journalisten denken dat de markt ernaar vraagt. Ondanks de eigen pretenties. Niks geen objectiviteit of waarheid, geen richting of relativering. U vraagt, wij draaien. Aldus versterken en vergroten de media de ontwikkelingsgang van de gebeurtenissen. Ook column-koning Ben Tiggelaar trok in 2001 op de site van Adfoweb flink van leer tegen de media: 'Altijd op zoek naar iets nieuws werden de meest idiote en slechtdoordachte internetideeën gedurende de eerste maanden van 2000 de hemel in geschreven. En altijd op zoek naar iets nieuws werden vervolgens dezelfde initiatieven een half jaar later belachelijk gemaakt door dezelfde redacties. Vaak met zichtbaar genoegen en enige aandikking van het cijfermateriaal.'

Of, in de woorden van Maarten Huygen, in NRC Handelsblad van 1 april 2000: 'Uitstekende pers is een twijfelachtig voordeel, want journalisten, waar ik mij toe reken, zijn net jagers. Eerst zetten ze het wild uit en voederen ze het uitgebreid, om het vervolgens met veel genoegen af te knallen. Eerst bouw je de naam van je slachtoffer op met veel lovende berichtgeving, en als het dan vrolijk en met veel zelfvertrouwen rondhuppelt, richt je de camera - en bam. Zo kom je altijd als overwinnaar naar boven, want stijging of daling - er is altijd nieuws. Zoals de beurshandelaar wordt de journalist rijk van geruchten, slecht of goed. Bij de ingang verkoop je de confetti, bij de uitgang de rotte tomaten en eieren.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden