Thuiszitters moeten weer aan het werk

Wil het succces van het poldermodel kunnen worden geprolongeerd, dan zullen er de komende jaren aanzienlijk meer mensen aan het werk moeten, betoogt Frans Leijnse....

FRANS LEIJNSE

FRAU Antje heeft haar centrale plaats in de Holland-promotie moeten afstaan aan het poldermodel. Wie erover schrijft doet dat in het Engels (hier weten we het wel), en de Duitsers hebben werkgevers en werknemers in Nederland zelfs met een prijs beloond.

De overlegeconomie en de loonmatiging worden algemeen gezien als de kern van het Nederlandse economische succes. Deze analyse bevat veel waars, maar geeft geen antwoord op de vraag waarom vóór 1980 dezelfde overlegcultuur loonmatiging en een adequate reactie op de groeiende economische crisis juist blokkeerde.

Wat is er begin jaren tachtig veranderd? Niet de Sociaal Economische Raad en de Stichting van de Arbeid, die bleven gewoon bestaan. Nieuw was dat zich een enorme versnelling heeft voorgedaan in de toename van het arbeidsaanbod. Dit heeft de lonen structureel onder druk gezet.

De toename van het arbeidsaanbod heeft meer dan wat ook de langdurige loonmatiging en het poldermodel mogelijk gemaakt. Het wegvallen ervan in de komende jaren kan evenzeer het roemloze einde van het model betekenen.

Nederland heeft tot diep in de jaren zeventig vrouwen systematisch van de arbeidsmarkt geweerd. Wat betreft economische zelfstandigheid en betaald werk voor vrouwen behoorden wij in 1975 tot de achterlijkste landen van Europa. In de afgelopen vijftien jaar heeft onze economie in dubbel opzicht de rekening gepresenteerd gekregen voor deze culturele achterstand.

Om te beginnen begonnen vrouwen eind jaren zeventig aan een inhaaloperatie. Vrouwen bleven steeds vaker doorwerken na een huwelijk of de geboorte van het eerste kind. En herintreding als de kinderen wat groter waren, werd een normaler fenomeen. Deze ontwikkeling leidde tot een toename van het arbeidsaanbod.

Verder hebben we te maken met het feit dat een lage arbeidsparticipatie van vrouwen traditioneel gepaard gaat met hoge geboortecijfers. Zo ook in het Nederland van de jaren zestig. Toen de leden van deze omvangrijke generatie begin jaren tahtig hun eerste opleiding afrondden, werd de arbeidsmarkt overstroomd met schoolverlaters.

De uitgestelde emancipatie van de vrouw heeft aldus geleid tot een, internationaal gezien, uitzonderlijke stijging van het arbeidsaanbod in de jaren tachtig en vroege jaren negentig.

Deze beweging trof onze economie op een moment dat als gevolg van een wereldwijde recessie de werkgelegenheidsgroei bijna geheel wegviel. Van jaar tot jaar dienden zich tienduizenden mensen meer op de arbeidsmarkt aan dan er uittraden, terwijl het aantal banen nauwelijks nog groeide.

De werkloosheid steeg tot meer dan een kwart van de beroepsbevolking. Het betrof zowel geregistreerde als verborgen werkloosheid in de gedaante van arbeidsongeschiktheid, bijstand en VUT, plus degenen die zich ontmoedigd terugtrokken van de arbeidsmarkt. Tegen zo'n achtergrond is loonmatiging niet alleen broodnodig, maar simpelweg niet te vermijden.

Nu moet de vakbondsbestuurders worden nagegeven dat zij de onaangename, maar onvermijdelijke boodschap bekwaam tegenover hun achterban hebben verdedigd. Misschien ligt daarin wel de grootste kracht van het poldermodel.

Maar het is de vraag of zij die lijn ook de komende jaren nog kunnen vasthouden. De omvang van de beroepsbevolking gaat snel naar een stabilisatie toe: het aantal toetreders ligt nu jaarlijks nog 30.000 boven het aantal uittreders. Binnen afzienbare tijd zal een evenwicht zijn bereikt. Als de economie blijft groeien en er ieder jaar 100.000 of meer banen bijkomen, zal dus al spoedig het enorme potentieel verborgen werklozen moeten worden aangesproken om tekorten op de arbeidsmarkt te voorkomen.

Dat gaat echter niet vanzelf. Een groot deel van dit potentieel is ongeschikt voor de nieuwe banen. Mensen die langdurig werkloos zijn, raken achterop met hun kennis en vaardigheden. Zij verliezen de sociale vaardigheden om zich in werksituaties aan te passen. Zij komen wat betreft discipline en motivatie niet toe aan de hoge eisen die tegenwoordig worden gesteld.

Mensen die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn, worden beoordeeld op wat zij niet kunnen, niet op hun mogelijkheden. Arbeidsorganisaties zijn onvoldoende flexibel om zulke mensen-met-een-krasje op te nemen. 'Ouderen' (dat zijn 55-plussers!) worden op alle mogelijke manieren tot vervroegde uitttreding bewogen.

De werkdruk en snelle veranderingen in het arbeidsproces maken dat velen ook blij zijn eruit te kunnen stappen: men redt het gewoon niet meer. Huisvrouwen en -mannen die nooit of maar kort hebben gewerkt, missen de aansluiting bij de nieuwe arbeidsprocessen. Bovendien worden zij belemmerd door de geringe mogelijkheden om zorgtaken en betaald werk in de praktijk te combineren.

De komende vijftien jaar zullen in Nederland rond 1,5 miljoen mensen die nu aan de kant staan, aan het werk moeten, zoals de SER-commissie van sociaal-economische deskundigen in haar rapport Economische Dynamiek en Sociale Uitsluiting vaststelde.

Daarvoor is een ongekende inspanning nodig van het bedrijfsleven en de overheid, gericht op het geschikt maken van deze groep voor werk. Scholing en opleiding, training in sociale vaardigheden, fiscale en financiële ondersteuning, en meer mogelijkheden om zorg en werk te combineren, moeten op zeer ruime schaal ter beschikking komen willen we deze opgave volbrengen.

Nu dankzij het poldermodel de werkgelegenheid eindelijk voldoende groeit, moet de komende vijftien jaar de aanbodkant in orde worden gebracht.

Het beschikbaar maken van latent arbeidsaanbod is vooral noodzakelijk om kraptes op de arbeidsmarkt vanaf het jaar 2000 te voorkomen. Gebeurt dit niet dan neemt de druk op de lonen vanzelf toe. Niet omdat vakbondsbestuurders dat willen, maar omdat werkgevers elkaar zullen overbieden om schaars personeel te krijgen.

De afbrokkeling van het matigingsbeleid wordt verder versneld doordat de geloofwaardigheid van de vakbondsbestuurders tegenover hun leden ook op andere manieren wordt ondermijnd. Psychologie is een belangrijk onderdeel van de loonvorming.

Matiging van de cao-lonen is alleen te verkopen als ook elders soberheid betracht wordt. In de laatste jaren is dit psychologische klimaat systematisch ondermijnd door juichende winstcijfers, en zo mogelijk nog juichender optie- en bonusregelingen voor het management.

De gemiddelde werknemer begrijpt steeds minder waarom hij pas op de plaats moet maken, terwijl men zich aan de top voorziet van een nog grotere boot en een derde huis.

Als dan bovendien (geschikte) arbeidskrachten steeds moeilijker te krijgen zijn en de werkgever best wat meer wil betalen, staan de vakbonden met lege handen. Het einde van de loonmatiging kan zo niet lang meer uitblijven. Daar helpt de in het poldermodel gebundelde redelijkheid van de Blankerts, De Waals en Westerlakens van deze wereld helaas niets aan.

Gaat de loonmatiging teloor dan loopt Nederland een kwade kans het volgende decennium in te gaan met een slinkende werkgelegenheidsgroei en een blijvend zeer hoge inactiviteit. Voorlopig kunnen we deze rekening nog wel betalen, zeker als de economie blijft groeien.

Na het jaar 2010 lopen de kosten van de vergrijzing voor de AOW en gezondheidszorg echter snel op. Als de eerder genoemde 1,5 miljoen inactieven beneden de 65 dan niet weer aan het werk zijn gegaan en de werkgelegenheid met eenzelfde aantal is gegroeid, ontbreekt het draagvlak om die ontwikkeling op te vangen.

Om te voorkomen dat deze zwarte voorspelling werkelijkheid wordt, staat het tweede kabinet-Kok voor een heroïsche opgave. Al in de eerste jaren is een flinke inspanning nodig om acute kraptes op de arbeidsmarkt te voorkomen. Op langere termijn moet het scholings- en opleidingsbeleid, de financiële stimulering en het beleid terzake van zorgtaken en arbeid sterk worden uitgebreid.

Daarnaast is een nieuw inkomensbeleid nodig om het evenwicht in de gematigde inkomensontwikkeling te herstellen en de stijging van de hoogste inkomens af te remmen.

Dit zijn geen gemakkelijke en zeker geen populaire opgaven. Misschien zijn ze voor partijen die niet verder kunnen denken dan lastenverlichting wel een maatje te groot.

Frans Leijnse is hoogleraar bedrijfskunde aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam en oud-lid van de Tweede Kamer voor de PvdA.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden