Thuis is een plek vol kwellingen

DE TITEL IS veelbelovend. We gaan niet naar de hel vannacht. Een heerlijk omineuze zin, die meteen de verbeelding prikkelt....

Een mooie vondst ook, dat 'vannacht'. Zonder die tijdsaanduiding zou duidelijk zijn dat het gevaar voorgoed is geweken. Maar de indicatie wekt extra spanning op. Vannacht misschien niet, maar morgennacht mogelijk wel, of de laatste nacht wellicht.

Een perfecte, dwingende titel, waarvan het effect wordt ontkracht door de prikloze ondertitel Een jeugd in Afrika. De schrijfster, Alexandra Fuller, slaagt er gedeeltelijk in aan de verwachtingen tegemoet te komen. Haar boek is het tragikomische, autobiografische relaas van de Britse familie Fuller in zuidelijk Afrika. Pa is boer, ma helpt hem en doet het huishouden. Allebei hebben zij een onwankelbaar geloof in de blanke superioriteit, zij vechten tegen de zwarte bevrijdingsbeweging maar zijn toch niet onsympathiek.

Er zijn twee dochters, de eigenzinnige Vanessa en de jongere Alexandra, de schrijfster, die door iedereen Bobo wordt genoemd. Als postkoloniale kolonisten ('emigranten-als-wij') trekt het gezin, steevast vergezeld van een troep honden, van miserabele boerderij naar miserabele boerderij, van vijandig land naar vijandig land. Voortgedreven door onbedwingbare krachten van politiek, klimaat en pech. De hel blijkt inderdaad een stuk langer te duren dan die ene nacht. Steeds weer weerklinkt een duivels stemmetje dat na het zoveelste fiasco grinnikt: 'Wat nu?'

De beschreven hellevaart begint in Rhodesië, midden jaren zeventig, als het land nog geen Zimbabwe heet en wordt bestuurd door Ian Smith. Bobo is dan zes. De burgeroorlog woedt al bijna tien jaar. Pa en ma, die zich in 1966 in het land vestigden, slapen inmiddels met geladen geweren naast het bed.

Als de meisjes willen plassen, moeten ze uitkijken voor slangen, schorpioenen en baviaanspinnen, en staat de een op 'nikkeruitkijk' terwijl de ander haar blaas ledigt. Vanessa maakt Bobo aan het huilen door te zeggen dat er een terrorist onder het bed zit. Papa is doof nadat zijn trommelvliezen zijn geknapt in de oorlog in Rhodesië. Mama is manisch depressief en aan de drank. Ze stapt bars binnen om er Hoezee ik ben een rover te zingen. Ze heeft in de loop der jaren drie van haar vijf kinderen verloren.

Dit is het beeld dat Fuller in de eerste paar hoofdstukken schetst, met veel verve, verspringend in de tijd en en passant ook nog even de hoogtepunten uit de geschiedenis van Rhodesië/Zimbabwe behandelend. Door het wisselend perspectief van de vertelster als klein meisje en als volwassen vrouw ontstaat een caleidoscopisch, koortsig beeld van een gezin op de rand van de waanzin. Fuller zet meteen de belangrijkste verhaallijnen uit: hoe is mama gek geworden en hoe heeft de vertelster zich kunnen redden?

Daarna zakt de koorts en worden de lotgevallen van de Fullers in Afrika chronologisch behandeld. De ouders verliezen hun zoontje Adrian in 1968 aan nekkramp. Ze keren Rhodesië de rug toe en verwekken Bobo op weg naar Engeland, tijdens een overnachting bij de Victoria-Falls. Bobo wordt in maart 1969 in het druilerige stadje Glossop in Derbyshire geboren. 'Mijn ziel heeft geen thuis. Ik ben noch Afrikaans, noch Engels, noch van zee', schrijft ze.

Engeland blijkt minder bekoorlijk en vooral veel natter dan gedacht. De Fullers geven snel de brui aan hun voortmodderend Britse bestaan en keren spoorslags terug naar Afrika, burgeroorlogen of niet. Als de boot bij Kaap de Goede Hoop aankomt, herkent mama de geur van Afrika. 'Rauwe uien en zout, de geur van mensen die niet bang zijn om vlees te eten en die vis roken boven open vuren op het strand en maïs tot meel stampen en die in de buitenlucht werken.' Ze houdt haar dochtertje omhoog en fluistert: 'Moet je ruiken, dat is thuis.'

Thuis is een virtueel begrip. Thuis is zuidelijk Afrika met al zijn kwellingen, met zijn soldaten die geweren in je buik porren, met zijn tropische ziekten, verveling, bijgeloof en wederkerig racisme, met zijn extreme klimaat en onwillig personeel. Wreed en onvoorspelbaar. Lezend welke fysieke en mentale beproevingen de Fullers moeten doorstaan, vergeet je bijna dat het grootste deel van het boek zich afspeelt in de voor ons zo welvarende jaren tachtig. Bobo is getuige van halve lynchpartijen, haar buik is doorgaans gezwollen door de wormen, als 10-jarige kan ze al gebroken ledematen en een gebroken nek stabiliseren. Ze staat met een machinegeweer op de foto. Het wordt allemaal heel nonchalant, bijna terloops verteld.

Wat de Fullers op de been houdt, is iets ondefinieerbaars, dat het best als 'het gevoel echt te leven' kan worden omschreven, die intensiteit waar de Situationisten in de jaren vijftig en zestig zo hevig naar verlangden. Het heeft te maken met de verslaving der zintuigen: alles krijgt een zwaardere geur, een heviger klank en een scherper beeld.

Onderkoeld doet Fuller verslag van de zenuwinzinking van mama, die 'leeft in de schaduw van haar overleden kinderen'. Subtiel weet ze de verhoudingen tussen blank en zwart neer te zetten, haar onmacht als ze als 14-jarige na een bijna-aanrijding voor het eerst thuiskomt bij een straatarm zwart gezin, dat het eten uit de mond spaart om de blanke jongedame te voeden. Geschokt en in verlegenheid gebracht keert ze terug naar de mensen, met een tas vol kleren. Als ze weer wegrijdt, gilt een menigte kinderen: 'Juffrouw Bob, juffrouw Bob, wat heeft u voor mìj meegebracht?' De eeuwige kloof. Mama had haar gewaarschuwd: 'Het zal niet verdwijnen. Het was er al voor het jou opviel. En het zal er zijn als jij vertrokken bent.'

Knap zijn ook de beschrijvingen van de omgeving, de geuren en de materie, die Afrika voelbaar maken en vaak als metafoor dienen voor de gemoedstoestand van het meisje. Fuller komt met rake eigen woorden en uitdrukkingen als 'middaghittedronken' en 'onwillige melk'. Soms slaat ze de plank mis, bijvoorbeeld als ze de lichaamsgeur van een kennis beschrijft als 'een zilte uiïge geur van versgebakken brood die me doet denken aan de huiselijke borstmelkgeur van mijn vroegere kindermeisjes'. Een belangrijker punt van kritiek is het verdwijnen van de potentieel spannende verhaallijn. Na de machtsovername in Zimbabwe door Robert Mugabe wordt de boerderij van de Fullers teruggevorderd en ebt de in het begin zo zorgvuldig uitgezette spanning weg. Dan krijg je soms het gevoel een knullig-literair reisverslag te lezen met zinnen als 'voedsel en thee, voorzien van een houtrookaroma, zijn een zoet genoegen'.

Gelukkig hervindt Fuller zichzelf. Met name het ontluisterende verblijf in Malawi, compleet met een huisspion, wordt op hilarische manier beschreven. Uiteindelijk vindt het gezin rust in Zambia. Het was mooi geweest als het boek was geëindigd met het kerstfeest op de boerderij, dat dagen duurt en ontaardt in liederlijke dronkenschap, die wordt versterkt door de eindelijk losbarstende regens. Helaas voegt Fuller nog enkele hoofdstukjes toe, die doen denken aan de informatie die soms bij de aftiteling verschijnt van films die gebaseerd zijn op een 'waar gebeurd verhaal', waarin nog even wordt verteld wat er van de hoofdpersonen is geworden.

Voor de volledigheid: zij, Bobo, trouwt met Charlie, die 'het haar heeft van een hartstochtelijke man. Een man met lust'. Ze wonen in Amerika.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden