Column

Thomas von der Dunk: 'Nederland herdenkt vandaag een fictie'

Wat herdenken wij eigenlijk vandaag? 'Officieel gaat het om 200 jaar koninkrijk - maar dat is uiteraard historisch onzin', schrijft columnist Thomas von der Dunk. 'De Nederlandse monarchie is van 1806.'

Portret van Koning Willem 1 bij De Nederlandse Bank. Beeld anp

'Am Anfang war Napoleon.' Met deze woorden, uiteraard een toespeling op het begin van het Johannesevangelie, begint de Duitse historicus Thomas Nipperdey zijn geschiedwerk over Duitsland in de negentiende eeuw. Am Anfang war Napoleon: dat geldt ook voor de Nederlandse monarchie.

Want wat herdenken wij eigenlijk 30 november? Of liever: wat zouden wij dan moeten herdenken? Officieel gaat het om 200 jaar koninkrijk - maar dat is uiteraard historisch onzin. Afgezien nog van het feit dat Willem I eind 1813 slechts als soeverein vorst werd binnengehaald, en zich pas op 16 maart 1815 - toen de vereniging met België en Luxemburg aanstaande was - tot koning uitriep: de monarchie dateert in Nederland niet van 1813, maar van 1806, toen Napoleon voor zijn jongere broer Lodewijk uit het niets een eigen troon creëerde. Dat jaar vond de grote staatkundige verandering plaats, met de stichting van het koninkrijk Holland, die aan meer dan twee eeuwen republikeins staatsbestel een einde maakte. De Nederlandse monarchie is daarmee, net als diverse andere in Europa, een Napoleontische schepping, en het huidige koninkrijk vormt daar de directe voortzetting van.

Dat het koninkrijk Holland niet exact hetzelfde grondgebied als het huidige koninkrijk der Nederlanden omvatte, want een van de huidige provincies ontbeerde (Limburg) kan het criterium niet zijn. In 1813 lagen de staatsgrenzen nog niet vast, en toen die wel werden vastgelegd, omvatte het meteen de hele Benelux. Onze huidige kwamen pas bij het Verdrag van Londen (1839) tot stand, dat het grensverloop tussen Nederland en België bepaalde. Sindsdien zijn ze ongewijzigd gebleven, van de bescheiden veroveringen van Willem Drees - Elten en Tudderen - in 1949 afgezien, die we bovendien in 1963 ijlings aan de Duitsers hebben teruggegeven.

Status aparte
Wie nu mocht tegenwerpen dat de monarchale continuïteit vanaf 1806 al vier jaar later voor ruim drie jaar met de inlijving bij Napoleons Franse keizerrijk is onderbroken: dat geldt ook, en dan bijna twee jaar langer, voor de Tweede Wereldoorlog, en we dateren de monarchie ook niet op 5 mei 1945. Als de Franse inlijving een breuk was, dan was de Duitse bezetting dat nog meer. Bovendien genoten de Nederlandse departementen zelfs tijdens die Franse inlijving een status aparte, met een eigen gezamenlijke gouverneur-generaal aan het hoofd, in de persoon van Napoleons gewezen medeconsul uit de periode 1799-1804, Charles-François Lebrun.

Bij de eerste herdenkingen van 1813, in 1863 en 1913, had men dat beter begrepen: men vierde toen niet zozeer tweehonderd jaar koninkrijk, als wel tweehonderd jaar herstel van de onafhankelijkheid. Dat ging in 1963 intussen, door een tweede kortstondig verdwijnen van Nederland van de Europese kaart, natuurlijk minder makkelijk.

Hooguit kan men 1813 nemen als begindatum voor de Oranjemonarchie, maar dat toen het eerste Nederlandse koningshuis der Bonapartes werd ingeruild voor het tweede Nederlandse koningshuis der Oranjes, is in staatkundig opzicht natuurlijk van secundaire betekenis.

De Engelsen laten de monarchie ook niet beginnen bij het aantreden van het Huis Hannover in 1714. Eens temeer, omdat Willem I - wat op zich best verstandig was - het hele bestel van zijn directe voorganger Lodewijk, aangevuld met de moderniseringen die onder Napoleon zelf tot stand waren gebracht, vrijwel onverkort overnam. Voor Willems tijdgenoten was dat ook volstrekt duidelijk: Willem I had zich, zoals het toen letterlijk heette, "te ruste gelegd in het bed van Napoleon".

Dat valt ook tot op vandaag nog goed te zien, omdat eveneens de representatie van het nieuwe Orangistische koningschap sterk op het voorafgaande Bonapartistische stoelde. Wie de nu over aparte zalen verspreide staatsieportretten in de collectie van het Amsterdamse Rijksmuseum van Lodewijk Napoleon, Napoleon en Willem I naast elkaar hangt, zoals in 1995 eenmaal op een tentoonstelling in het Haags Historisch Museum is geschied, valt direct de enorme overeenkomsten op. En de belangrijkste koninklijke paleizen waarvan de Oranjes in de negentiende eeuw gebruik maakten - Het Loo, Soestdijk, Noordeinde - zijn de meest sprekende voorbeelden van de Franse empirestijl in Nederland, die in Frankrijk zelf de glorie van Napoleon moest dienen.

De voor het laatste tweetal verantwoordelijke hofarchitect, Jan de Greef, was dan ook een paar jaar eerder met een studiebeurs van Lodewijk Napoleon opgeleid in Parijs. Het meest ironische is dat juist Soestdijk, als gift van het Nederlandse volk aan de eigen held van Waterloo, de latere koning Willem II, de bevrijding van Nederland van Napoleon moest herdenken maar feitelijk als geen ander gebouw de blijvende erfenis van Napoleon belichaamt.

Niet toevallig schijnt koningin Juliana vroeger tamelijk hysterisch gereageerd te hebben, als iemand in haar woonpaleis op die connecties wees: de Oranjes waren zich zelf maar al te bewust van het feit dat Lodewijk Napoleon voor hen de koninklijk weg geëffend had. Hij vormt nog steeds de grote taboefiguur binnen Officieel Herdenkend Nederland.

Veelzeggend: dezer dagen verschijnen er eindelijk, dankzij subsidie van het Prins Bernhardfonds, voor het eerst drie serieuze en gedegen wetenschappelijk biografieën over Willem I, Willem II en Willem III. Maar dat niet meteen tevens de allereerste koning van Nederland in de serie is opgenomen, is verbijsterend. Een ander voorbeeld: toen Paleis Het Loo enige decennia terug tot historisch museum werd ingericht, kregen alle vorstelijke bewoners uit de loop der eeuwen een eigen zaal.

De enige die ontbreekt: Lodewijk Napoleon, nota bene degene die, na de oorspronkelijke bouwheer stadhouder-koning Willem III, veruit de belangrijkste bijdrage aan het aanzien van paleis en tuin heeft geleverd. Ook in het wikipedia-lemma over Het Loo blijft zijn rol volledig ongenoemd. Aan het jaar 1806 is in 2006 dan ook slechts door vakhistorici aandacht besteed.

Hetzelfde geldt voor dat andere cruciale jaar: 1795. De door de Franse Revolutie geïnspireerde Bataafse Omwenteling vormt na de Acte van Verlatinge in feite de belangrijkste staatkundige gebeurtenis uit de Nederlandse geschiedenis, omdat daarbij de losse federatie van voorheen in de huidige strak gecentraliseerde eenheidsstaat veranderde. Ook dit jaar krijgt niet de publieke waardering die het verdient omdat het opnieuw een jaar is, waarin de Oranjes geen rol spelen.

 
In 1813 lagen de staatsgrenzen nog niet vast, en toen die wel werden vastgelegd, omvatte het meteen de hele Benelux
Schilderij van Napoleon. Beeld afp

Maar juist daardoor werd in de jaren vanaf 1795 een ongekende inhaalslag mogelijk. Ongeveer alles wat modern is aan Nederland - scheiding der machten, vaste ministeries, een volksvertegenwoordiging, gelijkheid voor de wet, vrijheid van godsdienst etc. - danken we aan de Bataafse Republiek. Ook werd voor het eerst het algemeen mannenkiesrecht ingevoerd dat pas in 1917 - vier Oranjemonarchen later - weer opnieuw in de grondwet terecht kwam. Veelzeggend: de eerste Nederlandse grondwet van 1798 werd in 1998 niet officieel herdacht, ofschoon die een stuk democratischer was dan Thorbeckes compromisgedrocht uit 1848 waarop toen alle aandacht werd gericht omdat daarbij wèl een rol voor Oranje was weggelegd.

Het is dit hele moderne Bataafse staatsbestel dat, vermeerderd met de kroon van Lodewijk erop, in 1813 door Willem I is overgenomen. In de ogen van zijn oude aanhang heette het zelfs verwijtend dat de prins daarmee patriots geworden was, omdat hij in feite alle belangrijke verworvenheden van de Bataafse Omwenteling, die in 1795 aan het stadhouderlijk bewind van zijn vader een einde had gemaakt, had geadopteerd.

Dat was ook een strikte voorwaarde voor de verlichte elite om hem én zijn promotie tot constitutioneel vorst te accepteren. En dat is het tweede, dat nog steeds niet tot het publieke en politieke historische bewustzijn doorgedrongen is, dat dan ook sowieso niet hoog aangeslagen moet worden.

Het Nederlandse koningschap is daarmee niet zonder de Bataafse Omwenteling denkbaar. Dat geldt ook in een ander opzicht: voor het feit dat er überhaupt in 1806 uit het niets een kroon gecreëerd kon worden, die vervolgens in 1813 kon worden hersteld.

Monarchale revolutie
Dat valt niet los te zien van de grote monarchale revolutie die Napoleon in die jaren teweeg heeft gebracht. Als Napoleontische creatie is de Nederlandse monarchie namelijk ook automatisch een revolutionaire creatie. Ondenkbaar zonder Napoleon en vooral ondenkbaar zonder het keizerschap van Napoleon, en daarmee ondenkbaar zonder de Franse Revolutie.

Niet alleen, omdat zonder de Franse Revolutie, die de eigen koninklijke dynastie terzijde schoof, nooit een generaal van eenvoudige Corsicaanse komaf het tot Franse staatshoofd had kunnen brengen. Maar ook omdat het Franse keizerschap, dat vervolgens het Hollandse voor een van Napoleons nepoten mogelijk maakte, zelf een revolutie betekende - ditmaal niet op Frans, maar op Europees niveau.

Hiermee werd een al duizend jaar bestaande orde doelbewust ondersteboven gegooid: die van het Heilige Roomse Rijk met zijn universele pretenties, dat in feite terugging tot Karel de Grote. Vanaf die tweede december 1804 dat Bonaparte zich in de Nôtre Dame eigenmachtig de keizerskroon op het hoofd had gedrukt, waren er twee keizers - en dat was er eentje teveel.

Meer dan acht eeuwen had het Avondland slechts één keizer gekend, die van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie. Alleen hij had het recht om ex novo nieuwe koninkrijken te scheppen. Van dat recht heeft hij in alle eeuwen tussen de Kruistochten en de Franse Revolutie maar eenmaal gebruik gemaakt, in 1701, met de stichting van het koninkrijk Pruisen.

De nieuwbakken keizer Napoleon claimde na 1804 datzelfde recht - en hanteerde het wèl met onthutsende frequentie. Door een hele reeks van nieuwe koningen in het leven te roepen, die in de praktijk als zijn vazallen fungeerden, veroorzaakte hij een enorme titelinflatie. Bovendien verschoven ook met elke nieuwe overwinning van Napoleon de net vernieuwde grenzen, ontstonden nieuwe staten uit, of verdwenen oude staten in het niets: de hele kaart van Europa ging in een ongekend revolutionair tempo voortdurend op de schop.

Niet alleen creëerde Napoleon zo op een achternamiddag gloednieuwe koninkrijken, hij hief ze, al ze toch onvoldoende zijn belangen dienden - zoals dat van zijn broer Lodewijk - met even groot gemak na een paar jaar op een volgende achternamiddag weer op. Het koningschap onderging zo een ongekende devaluatie: de kroon, ooit sacrosanct, lag in de goot.

Tegen die achtergrond moet ook het herstel van de Nederlandse monarchie in 1813 - nu alleen onder leiding van de nieuwe dynastie die het in de oude Republiek al eens tot erfelijk opperambtenaar had gebracht - worden gezien. Willem I heeft dat bij zijn aantreden beter verbeeld dan hij vermoedelijk toen zelf heeft beseft.

De nieuw vervaardigde koningskroon die bij zijn inhuldiging werd gebruikt, was niet, zoals de oude eerbiedwaardige rijkskroon van de Rooms-Keizer, gemaakt van edelstenen en goud, maar van gekleurd glas en hout. Intussen wordt in Den Haag vrolijk gedaan alsof het allemaal onze eigen authentieke verdienste was. Nederland herdenkt vandaag een fictie.

Thomas von der Dunk is cultuurhistoricus en columnist voor Volkskrant.nl.

 
Als Napoleontische creatie is de Nederlandse monarchie namelijk ook automatisch een revolutionaire creatie
Koning Willem I Beeld Benelux Press
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.