InterviewThomas Erdbrink

Thomas Erdbrink wist het 18 jaar vol te houden als journalist in Iran. Waarom was zijn tijd ineens op?

Thomas Erdbrink in zijn huis in Leiden. Hij zit vrijwillig in quarantaine, omdat Iran zwaar is getroffen door corona.Beeld Erik Smits

‘Ik hoorde weleens dat ik te veel wist. Dat ze liever journalisten hadden die het land een weekje bezochten, maar een duidelijke reden hoeft er in Iran helemaal niet te zijn.’

‘Ik geef je een coronahand’, zegt journalist Thomas Erdbrink bij de deur van zijn appartement aan de Oude Rijn in Leiden. Het is vrijdag 6 maart, in Nederland is handen schudden nog doodnormaal, maar Erdbrink (44), door zijn reisserie voor de VPRO beter bekend als ‘onze man in Teheran’,  begroet zijn bezoek al met de elleboog. Voordat hij een deurklink vastgrijpt, trekt hij een mouw over zijn hand. 

Sinds hij tien dagen eerder uit zijn woonplaats Teheran is overgekomen, zit hij in vrijwillige quarantaine. ‘Geen zorgen hoor’, zegt hij, ‘ik heb geen symptomen.’ Zijn familie doet voor hem de boodschappen. ‘Vergeet de vitamine D niet’, zegt hij voordat zijn zus met zijn pinpas de deur uitgaat. 

Zeshonderd doden

De situatie in Iran is ernstig: het virus heeft twaalfduizend mensen besmet en ruim zeshonderd gedood – alleen in China en Italië eiste het meer slachtoffers. Een dag voor het interview overleed een van de belangrijkste bronnen van Erdbrink binnen het Iraanse regime. Tientallen parlementariërs zijn besmet. Aan medische apparatuur is, mede door Amerikaanse sancties, een gebrek. Nederland weert vluchten uit Iran.

Iraniërs blijven zoveel mogelijk thuis, en wie zich wel op straat vertoont, doet dat met mondkapje en handschoenen, zegt Erdbrink. ‘In Nederland zeggen ze dat die dingen niet helpen, maar als er zo veel besmettingen zijn, pas je wel op.’ De luttele keren dat Erdbrink de staat op ging, nam hij voorzorgsmaatregelen. Op zijn iPhone toont hij een selfie met mondkapje en daarboven een stijlvolle zonnebril. ‘Je moet er natuurlijk wel classy uitzien.’ 

Eind februari kwam Erdbrink naar Nederland. Reden was zijn theatercollege, Onze man in Teheran, waarin hij zou vertellen hoe hij Iran de afgelopen achttien jaar heeft zien veranderen. Zóú, want de coronamaatregelen van het kabinet hebben er, voorlopig, een streep door gezet. De colleges zijn verplaatst naar juni. Toegangskaarten blijven geldig. 

Voor Erdbrink is het geen verrassing, zal hij na het besluit telefonisch zeggen. In Iran had hij gezien welke verstrekkende gevolgen het virus kon hebben. ‘Vorige maand belde ik met Haagsch College, de organisator van de shows. Ze gaan niet door, zei ik. Gaat het wel goed met die jongen, hoorde ik ze smoezelend tegen elkaar zeggen. Geen Nederlander nam corona serieus.’ 

De agenda van Erdbrink is nu leeg, voor de hele maand maart. Mogelijk vliegt hij zondag weer naar Iran. Dat de situatie daar gevaarlijker is dan hier, schrikt hem niet af. Zijn vrouw, de Iraanse fotograaf Newsha Tavakolian, is daar. ‘Zij wilde bij haar moeder blijven. Ik kan ze niet alleen laten.’ 

Werkloos thuis

Erdbrink zal alle tijd voor ze hebben. Terwijl het breaking news over Iran – de dood van de machtige generaal Qassem Soleimani, de forse sancties die de VS het land oplegden – zich het afgelopen jaar in razend tempo opvolgde, zat hij werkloos thuis. Zijn laatste artikel voor zijn voornaamste werkgever, The New York Timesdateert van 16 februari 2019. Kort daarna besloten de Iraanse autoriteiten zijn persvergunning niet te verlengen.

Dat besluit kwam niet uit het niets. Toen Erdbrink in 2002 in Iran als correspondent ging werken, heersten in de Islamitische Republiek beloften van hervormingen, van een Iraanse lente. Maar de sfeer verhardde en naarmate islamitische hardliners aan invloed wonnen, zag Erdbrink zijn westerse collega’s een voor een afdruipen – de correspondent van The Washington Post, een vriend van Erdbrink, verdween in 2014 bijna twee jaar in de gevangenis. Hij zou een spion zijn geweest.

Hoe heeft Erdbrink het, vergeleken met collega’s, zo lang kunnen uithouden? En waarom raakte ook zijn krediet uiteindelijk op bij het regime?

De eerste signalen daarvan kreeg hij tijdens een telefoontje naar het ministerie van Islamitische Leiding en Cultuur, afdeling Perszaken. Erdbrink: ‘Mijn persvergunning was verlopen. Tijd voor een nieuwe, zei ik. Nou, dat ging nu niet. De printer was kapot – dat zeiden ze echt.’ Een aantal bezoeken later hoorde Erdbrink dat het nog wel even kon gaan duren. Tot op de dag van vandaag heeft hij geen verklaring gekregen.

Kroon op zijn werk

Bitter is hij niet. ‘Ik ben zen genoeg om in vrede te leven met wat me is gegeven en me niet alleen te focussen op wat ik niet kan doen. Ik heb achttien jaar alles eruit gehaald wat er in zit. Ik heb zó veel geleerd over de Iraanse mensen, die onder druk ontzettend sterk blijven. Ik heb hier gewerkt voor De Telegraaf, NRC, de Volkskrant, The Washington Post, CNN, de NOS, The New York Times. Ik heb voor de VPRO Onze man in Teheran gemaakt, dat dankzij het geniale werk van Roel (van Broekhoven, regisseur, red.) een Nipkowschijf heeft gewonnen.’

De serie, die aan de Verenigde Staten en een aantal Europese landen is verkocht, is ‘de kroon op zijn werk’, zegt Erdbrink. ‘Ik kreeg mailtjes van Texanen die schreven dat ze nog nooit hadden nagedacht over Iran, maar door de serie het gevoel hebben dat ze het land begrijpen. Dat is magisch.’ 

De eerste keer dat Erdbrink in Iran kwam, was in 1999. Hij was 23 en studeerde af aan de School voor Journalistiek in Utrecht. Terwijl medestudenten hun scriptie schreven over financiële problemen bij hun volleybalclub, vertrok Erdbrink naar Teheran om de ambities van de lokale jeugd in kaart te brengen. Hij ontmoette Newsha, die hem uitnodigde voor een feestje bij haar thuis. Daar zag hij hoe jongens zich met hoofddoekloze meisjes mengden. Erdbrink: ‘Ik merkte al snel dat er een tweedeling was tussen de geestelijken en de gewone mensen en ik dacht: hier gebeurt het.’

Hij hield contact met Newsha en toen ze in het Franse Perpignan was voor een fotografietentoonstelling, nodigde hij haar uit om op 3 oktober naar de jaarlijkse viering van het Leidens Ontzet te komen. Erdbrink: ‘Een Leidenaar wordt op die dag verliefd, en ik dus ook.’ Een aanbod om correspondent van de Volkskrant in Libanon te worden, sloeg hij af. Hij volgde Newsha, naar Teheran.

Toen hij daar voor Nederlandse media aan de slag ging, was zijn werk niet veel moeilijker dan dat van een correspondent België. Wie zich meldde bij het ministerie, kreeg een persvergunning en kon een krant of weblog beginnen. Maar nadat de Verenigde Staten in 2003 Irak, Irans buurland, waren binnengevallen, besloten de Iraniërs de hervormingsgezinde president Mohammad Khatami te verruilen voor Holocaust-ontkenner Mahmoud Ahmadinejad, die minder op had met vrije pers. Erdbrink: ‘Dat zie je vaak: als er dreiging is bij de buren, gaan in Iran de luiken dicht.’

In plaats van over de Iraanse lente moest Erdbrink nu over grimmiger zaken gaan schrijven. Erdbrink: ‘Als ik thuiskwam, zei ik tegen mijn schoonmoeder dat ik op de Iraanse Conferentie voor herziening van de Holocaust was geweest. Gadverdamme, zei ze, ga je dat allemaal in de krant schrijven? Dan geef je ons een slecht imago.’

Erdbrinks stukken leidden tot spanningen in zijn privéleven. In het eerste seizoen van Onze man in Teheran is te zien dat hij tegen Newsha zegt dat ‘sommige mensen’ de Iraanse leiders ‘stom’ vinden. ‘Dat kun je niet zeggen’, reageert zij gepikeerd, waarop Erdbrink benadrukt dat het niet zijn woorden zijn, maar die van ‘sommige mensen’. Erdbrink: ‘Over dit soort dingen hebben we ruzie gehad. Zij weet ook dat het systeem niet alles pikt. Het Foreign Press Department is een aantal keren boos op me geworden, mijn persvergunning is al eens eerder, voor kortere tijd, afgenomen. Maar ik moet niet doen alsof Newsha mijn grote censor was. Zij is zelf een bekende journalist die onder meer voor Time Magazine heeft gefotografeerd. Ze weet hoe het werkt.’

De vrije tijd deed de werkloze Erdbrink ook goed: ‘Ik was altijd journalist in Iran, nu was ik ook eens mens.’ Beeld Erik Smits

‘Te mild over het regime’

Critici, zoals schrijver Leon de Winter, vinden dat Erdbrink de duistere aard van de Iraanse machthebbers heeft witgewassen. Dat hij het land normaliseerde, de leiders ervan in een te positief daglicht plaatste en hun regime – dat homoseksualiteit met de dood bestraft, veroordeelden publiekelijk ophangt, vrouwen verplicht een hoofddoek te dragen – verzweeg. Erdbrink, fel: ‘Ik daag iedereen uit om mijn duizenden verhalen te lezen. Alles staat erin: stenigingen, protesten, de situatie van homo’s. Als ik íéts heb genormaliseerd, zijn het de gewone Iraniërs, die nu als mensen worden gezien in plaats van blinde fanatici.’ 

Onder nieuwsberichten over Iran op sites als nu.nl, zegt Erdbrink, stonden reacties als: ‘Waarom schrijft Erdbrink hier niet over?’ Erdbrink: ‘Terwijl de bron van dat bericht vaak een stuk van mij voor The New York Times was!’

Ook Onze man in Teheran bevat fragmenten waar het Iraanse regime tandenknarsend naar zal hebben gekeken. Zo vraagt Erdbrink Iraniërs naar welk land ze het liefst zouden willen verhuizen. Bijna zonder uitzondering luidde hun antwoord: Amerika, de aartsvijand van de ayatollah’s, de machtige sjiitische geestelijken. 

Desondanks heeft hij het tot 2019 kunnen uithouden, terwijl Jason Rezaian van The Washington Post in 2014 werd opgepakt en 544 dagen achter de tralies doorbracht. Hoe zit dat?

‘Dit vind ik een heel moeilijke’, zegt Erdbrink. ‘Ik zou niet willen dat Jason het idee krijgt dat ik zeg dat hij wat verkeerd heeft gedaan. Hij heeft niets verkeerds gedaan.’

Erdbrink vervolgt: ‘Ik zag al snel in dat journalisten dingen doen die de geheime diensten eng vinden. Stel  dat een journalist een paar keer afspreekt met het nichtje van de opperste leider of de adviseur van de president. Voordat je het weet raak je met ze bevriend en denken de geheime diensten dat je ze probeert te beïnvloeden, dat je een spion bent. Je moet begrijpen: Iran is een land dat continu onder druk staat van het buitenland. Spionage is hier echt nog een ding.’

Open vizier

Om argwaan te voorkomen, werkte Erdbrink met open vizier. ‘Ik wilde niet dat de diensten vermoedden dat ik informele contacten met mensen binnen het systeem had. Dus als ik iemand sprak, zorgde ik ervoor dat een stuk daarover twee dagen later in de krant stond. En als ik met een dissident afsprak, ging ik niet op een bankje in het park zitten met twee ogen uit de krant geknipt. Nee, dan belde ik met mijn telefoon, waarvan ik weet dat die 24 uur per dag, 7 dagen per week wordt afgeluisterd, en zei ik: ‘Hallo Nasrin Sotoudeh, mensenrechtenadvocaat die in Europa de Sacharovprijs heeft gewonnen, kan ik jou om 16.00 uur spreken?’ Als zij bij mij thuis wilde afspreken, stelde ik voor om dat in het openbaar te doen. Dan kon iedereen ons afluisteren.’

Gevolg: Erdbrink werd lange tijd gedoogd. ‘Ik schreef dan wel vervelende stukken, maar ik deed geen rare dingen. En ik liet dan wel proteststemmen aan het woord, maar ik citeerde het systeem óók.’

Natuurlijk was Rezaian geen spion, zegt Erdbrink, maar misschien is hij niet voorzichtig genoeg geweest. ‘Newsha heeft mij geleerd wanneer ik wel op mijn kantoor kon afspreken, en wanneer ik volledig transparant moest zijn. Tijdens onderhandelingen met de Verenigde Staten kregen journalisten en activisten wat meer lucht. Maar als het buitenland de druk opvoert, gaat het systeem op zoek naar zondebokken, naar figuren die veel internationale contacten hebben.’

Waarom moest ook hij uiteindelijk stoppen? ‘Ik hoorde weleens dat ik te veel wist. Dat ze liever journalisten hadden die het land een weekje bezochten, alle clichés opschreven en daarna weer naar huis gingen. Als je ergens achttien jaar woont, heb je daar een geheugen over. In een ideologisch geregeerd land vergeten ze graag dingen. De optelsom van in het verleden gemaakte fouten is een pijnlijke. Liever kijken ze vooruit.’

Of dat de werkelijke reden is, weet Erdbrink niet. ‘Het is typisch Nederlands om te denken dat achter alles een duidelijke reden zit. Die hoeft er in Iran helemaal niet te zijn. Nadat Trump sancties had ingesteld, zag je dat de extreemste hardliners, zij die bij het vrijdaggebed ‘Dood aan Amerika’ schreeuwen, het voor het zeggen kregen. Misschien kreeg een van hen een document onder ogen en dacht toen: ‘Wát? Er zit hier een gast van The New York Times? Weg daarmee! Flikker op!’

In januari ging hij op bezoek bij het kantoor van The New York Times, in het hart van Manhattan. Vlak voordat hij de redactiezaal binnenliep, besloot zijn baas, de chef van de buitenlandredactie, zijn komst luidkeels aan te kondigen. ‘Hij is er!’ De honderden aanwezige journalisten begonnen te klappen. ‘Toen heb ik wel een traantje weggepinkt’, zegt hij. ‘Ik ben dit jaar lastig voor ze geweest. Je vraagt je toch af of ze je nog wel waarderen.’ 

Beeld Erik Smits

Gewone man in Teheran

Toch heeft de vrije tijd in Iran hem ook goed gedaan. ‘Ik was altijd journalist in Iran, nu was ik ook eens mens.’ Bij een krant als The New York Times ligt de werkdruk hoog, zegt hij. Na lang aandringen slaagde hij erin om één dag per week vrij te krijgen. ‘In Iran is het weekend op donderdag en vrijdag. Maar ik kan moeilijk tegen de krant zeggen dat ik dan niet bereikbaar ben – op die dagen is er ook nieuws. Vorig jaar lukte het me eindelijk om vrijdag vrij te krijgen, maar daarna verloor ik mijn perskaart en was ik voortdurend vrij.’ 

Erdbrink had meer tijd voor vrienden en familie. ‘Mijn schoonvader is overleden, ik kon mijn schoonmoeder bijstaan. Ik las een goed boek, ben nog eens gearresteerd op een verboden feestje. Het zijn andere ervaringen. Maar dit moet niet eeuwig duren.’

Op korte termijn heeft hij werk. In mei gaat hij naar Oezbekistan en Afghanistan voor een nieuwe reisserie van de VPRO, die hij maakt met Ruben Terlou, Bram Vermeulen en Jelle Brandt Corstius.

Over de lange termijn denkt hij nog na. Toen Peter Vandermeersch vorig jaar stopte als hoofdredacteur van NRC Handelsblad solliciteerde hij, tevergeefs, naar die baan. Van The New York Times heeft hij drie aanbiedingen gekregen: hij kan naar Nederland verhuizen om correspondent Noord-Europa te worden, een functie waarbij ook Scandinavië tot de portefeuille behoort. Daarnaast kan hij correspondent worden in Kabul (Afghanistan) en Bagdad (Irak). 

Mogelijk blijft hij gewoon in Iran. Als hij in april terugkeert, hoopt hij dat het ministerie bijdraait en zijn persvergunning alsnog verlengt. ‘Ambtenaren binnen het ministerie zijn ook niet blij met de huidige berichtgeving. Die vinden ze nog negatiever dan de mijne. Stel je voor: je schrijft over Ajax, maar je houdt ook wel van Ajax. Als ze dan weer van FC Utrecht verliezen, ben je wel kritisch, maar boor je ze niet helemaal de grond in. Dat gold voor mij ook: ik ben nog geen twee weken in Nederland, maar mis Iran nu al. Ik liep er dagelijks rond. Ik zag de problemen, maar begreep ook waar ze vandaan kwamen.’

Thomas Erdbrink

1976 Geboren in Leiderdorp

1998 Leidsch Dagblad

2000 Nieuwe Revu 

2002 Vertrekt naar Iran voor NRC Handelsblad 

2008 The Washington Post

2010 NOS

2012 The New York Times

2015-2018 Onze man in Teheran (VPRO) 

2015 de Volkskrant 

2016 Presentator Zomergasten

2020 Theatercollege Onze man in Teheran

Thomas Erdbrink woont in Teheran met zijn vrouw, Newsha Tavakolian.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden