Therapeut aan de schandpaal

DE psychotherapeut die buiten zijn broekje gaat, maakt misbruik van de afhankelijke positie waarin zijn patiënte verkeert. Mits de laatste voldoende energie hervindt, dan kan zij haar zielzorger aanklagen....

Lees het maar na, daar of in de omvangrijke roman De tweede geschiedenis waarmee de actrice Loes Wouterson (1963) als schrijver debuteert. Het tweede deel van haar boek is een reconstructie van zo'n scandaleuze affaire die - gelet op de krantenberichten - dan wel geen gebruik is, maar ook geenszins een uitzondering in de psychotherapeutische praktijk.

Wouterson heeft geen documentaire case-study willen schrijven, een hart onder de riem voor allen die in geestelijke nood aanklopten bij een hulpverlener en stilaan fysiek én psychisch onder druk werden gezet, maar een roman. Dat schept verplichtingen. Die is Wouterson zich bewust geweest, getuige de voorbereidende eerste helft van De tweede geschiedenis. Daarin wordt een portret geschetst van de actrice Esther Blindeman; geen verwijzing naar het toneelstuk Blindeman van Hugo Claus uit 1971, of het moest de nogal triviale gelijkenis zijn dat Esther net als de Gentse Oedipous van Claus kan concluderen dat zij ziende stekeblind is geweest.

Esther is net als de auteur een succesvol actrice. Films, toneelstukken, een tv-serie: de bleke, groenogige en roodharige Blindeman is voor haar dertigste een gevierde en gerespecteerde speelster. Haar privé-leven loopt minder op rolletjes. Het wil niet lukken met de mannen, met het vinden van een eigen huis, en met de verwerking van haar jeugd (joodse moeder, joodse oma). In het nest waaruit zij komt, kon vader onverhoedse klappen uitdelen, terwijl de moeder op cruciale momenten van huis was onder het motto dat je door hard werken heel wat problemen effectief kunt verdringen.

De eerste helft van de roman is met beleid geconstrueerd. Wouterson is geen bevlogen stiliste, maar ze kan een vlotte dialoog schrijven en schiet behendig heen en weer in plaats en tijd. Daarmee wekt ze de indruk dat deze roman handelt over toneelspel - zowel op de bühne als daarbuiten. Aan de hand van Esther Blindeman krijgen we inzicht in het rollenspel dat in een gezin bestaat, in liefdesrelaties, en op het toneel of op de filmset.

De beginstappen van de therapie die Esther krijgt van de klinisch psycholoog en psychotherapeut Gijs Broekhuizen, lijken dan nog onderdeel van die weidsere thematiek. Dat de roman zich vanaf de helft versmalt tot de ellende die de geplaagde actrice zich op de hals haalt, met als oorzaak het kwaaie ding dat in Gijs' broek huist, is niet minder dan een domper voor de lezer die aanvankelijk niet in zijn bange vermoedens werd bevestigd.

Goed is de verknoping van haar persoonlijk leven met haar beroepsmatige arbeid, als thuis de relatie met ene Simon op het eind loopt, terwijl Esther 's avonds Natasja moet spelen in De drie zusters van Tsjechov. Een verguisde vrouw, net als zij: 'En hoezeer ze ook haar best deed om 's avonds op de planken duidelijk te maken dat Natasja niet alleen aan zichzelf dacht, maar vocht voor haar kinderen en daarom het huis in beslag nam, het publiek bleef sympathiseren met de Drie verwende, kinderloze Zussen, die niets liever wilden dan naar Moskou vertrekken, maar die Natasja het huis niet gunden. 'Mooie rol, maar wat een kreng hè?', klonken de complimenten. Het leerde Esther hoe hardnekkig mythes omtrent rollen en stukken konden zijn, en dat woorden meer gewicht hadden dan intenties.'

Mooi is de verklaring die Esther uitschrijft voor een groepje acteursvrienden over de kern van het acteren - een beginselverklaring die nauw aansluit bij wat Loes Wouterson zelf eerder in een interview zei: 'Ik verberg mijzelf in de tekst van anderen. (. . .) Ik ervaar pijn, verdriet, en heel af en toe minuscule geluksgevoelens en ik kan ze niet zeggen zonder ze direct teniet te doen. De taal is daarvoor ongeschikt. (. . .) Daarom speel ik. In nog veel ongeschiktere, door een ander geschreven woorden, vind ik de speelruimte om over mezelf te vertellen.' Daarom, begrijpen wij, heeft dit verhaal ook weer een roman moeten worden over een personage, vol dialogen die in een realistisch toneelstuk niet zouden misstaan.

Die opmerkingen maken voldoende nieuwsgierig naar de taal die Wouterson voor Esthers belevenissen en gedachten heeft uitgevonden. De ironische afstand die Blindeman bewaart in de omgang met collega's, onder andere in het komisch weergegeven repetitie- en café-gezwatel (roept de een: 'Het is zo duidend wat je doet. Ik wil het meer als citaat', waarop de aangesproken actreutel snikt: 'Wat is een citaat?'), voeden de hoop dat een schrijver die zich zo sterk bewust is van de listen en lagen van de taal, en van schijn en wezen van het alomtegenwoordige rollenspel, óók de gevaarlijke interactie tussen patiënte en therapeut van stereotiepe patronen en eenduidigheid bevrijdt.

Maar dat is Wouterson niet gelukt. De tweede geschiedenis ontaardt in een nogal huilerig en kwaad relaas van slachtoffer en dader. Broekhuizen vergaloppeert zich, Blindeman laat zich herhaaldelijk misbruiken, totdat ze de kracht heeft het tij te keren en de fielt aan te schandpaal te nagelen.

Dan is het uit met de pret, in alle opzichten. Het tamelijk zorgvuldig opgebouwde verhaal blijkt dan een reusachtige aanloop voor een bittere afrekening. Op de inbedding van dat verhaal in een groter geheel, zoals bijvoorbeeld Geerten Meijsing glansrijk lukte in diens verslag van de therapeutische gesprekken tussen Erik Jan Provenier en dr. A. Kirchner (men leze de roman Tussen mes en keel), hoeven we dan niet meer te rekenen. Funest, omdat de beeldspraak waarmee Wouterson vermoedelijk toch een gooi wil doen naar de kunst, haar onvermogen demonstreert om van het slachtoffer Esther Blindeman een romanheldin te maken, om van De tweede geschiedenis méér te maken dan de therapeutische verwerking van een jammerlijk mislukte therapie.

'De kier toont een broer die valt, de vader die hoog boven hem uit torent, een bezem die steeds korter wordt, de stukken steel talrijker.' Talrijker? Hoeveel stukken steel heeft een bezem dan? 'Voor de tweede maal kwam hij op de proppen met het trotse verhaal hoe hij in zíjn jeugd zijn moeder had gedreigd haar op straat te gooien, in navolging van de klerenhanger waarmee ze hem geslagen had en die hij haar had afgepakt en over de balkonrand had gesmeten.' Kennelijk had eerst de klerenhanger de nodige dreigementen geuit. Maar ja, welke klerenhanger krijgt een volwassen vrouw over een balkon gegooid?

Kun je halverwege de roman nog wel lachen om de therapeut ('We zijn bezig met een basisrestauratie van de samenhang in je gevoelswereld'), langzaam maar zeker is Esther net zo'n voorspelbaar personage geworden dat van Wouterson de vrije hand krijgt om haar trieste ervaringen in troosteloos proza te gieten: 'Ze was weg bij Broekhuizen, de depressie was nog niet voorbij, maar ze had haar leven weer op de rails gezet.' Au!

Met een variant op het oordeel van Godfried Bomans over het debuut De avonden (1947) van - toen nog - Simon van het Reve: in zijn soort is dit een goed boek, maar de soort is geen pretje.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.