Theologische strijd is taalstrijd

Het is een schitterende tragiek. Luther opende de bijbel voor de gelovigen, zij werden zelfstandig, want God spreekt tot iedereen in de Schrift en niet tot schriftgeleerden en kerkelijke gezagsdragers....

Maar wat konden de zelfstandige gelovigen nu zelf lezen? Dat zij afhankelijk waren van een genade schenkende God. Dat alleen het geloof - een genade - rechtvaardigt en er bij God geen krediet op te bouwen is door de mens. Goede werken baten niet; er is geen wisselwerking tussen God en mens mogelijk. Later zullen de vrijgemaakte lezers moeten lezen over een nog grotere afhankelijkheid: die van de voorbeschikking, die uiterste consequentie in de theologie van de vanaf alle eeuwigheid alleen schenkende God. Calvijn trok de lijn door.

Aandachtige lezing van twee verzen uit het eerste hoofdstuk van Paulus' brief aan de Romeinen had Luther die zekerheid gegeven. De twee verzen veroorzaakten een aardverschuiving. Want wat eens wellicht een theologisch en/of binnenkerkelijk dispuut aan een universiteit was gebleven, werd gemeengoed door de drukpers, die door Luther op geniale wijze is gebruikt. En hij hanteerde niet het exclusieve Latijn van de theologen en wetenschappers (al bleef hij die taal ook trouw), maar de volkstaal. Hij zette vrijwel alles meteen op het internet van zijn tijd. Vanaf 1517 woedt de grote, unieke woordenstrijd in Europa, een literaire twist zonder weerga. De strijd is er een om de macht over het woord.

De katholieke kerk kende als leidbeginselen de Schrift en de traditie. Luther erkende alleen het gezag van de bijbel. Als het waar is wat Chesterton eens schreef, dat een ketterij altijd één geloofspunt radicaal recht doortrekt, in een heel eenzijdige orthodoxie, dan kan het absolute gezag nu aan de bijbel toegekend, als bewijs dienen. Maar het gezag van de bijbel is ondenkbaar zonder het gezag dat vanaf het einde van de 15de eeuw aan het boek in het algemeen werd toegekend, en aan de 'boekwetenschap' door de humanisten beoefend.

Luther kreeg op zijn sola sciptura, 'alleen de bijbel', een ongewone reactie van de humanist Thomas More. In een van zijn geschriften tegen de ketter stelt hij in een verdediging van de traditie op taalkundige gronden de onbetrouwbaarheid van de bijbel zelf ter discussie! Dat is het kind met het badwater weggooien, stelt de Engelse geleerde Brian Cummings in zijn The Literary Culture of the Reformation, een bijna duizelingwekkende studie over wat in de ondertitel heet Grammar and Grace. Dat is een fraaie en zinvolle alliteratie. Cummings ziet de theologische strijd in de eerste plaats als een literaire, een taalstrijd ook.

'Grammatica' dient in de oude betekenis te worden verstaan: het geheel van alle vakken die met taal, gesproken en geschreven, en literatuur te maken hebben. De 'genade' staat voor het belangrijkste theologische twistpunt van die tijd. Samen vormen de twee de tegenstelling zelfstandig en afhankelijk, wetenschap en geloof. Op heel brede wijze onderzoekt Cummings die tegenstellingen, de pogingen tot verzoening. Hij doet dat niet als theoloog - hoe goed hij ook in de theologie thuis blijkt te zijn - maar als cultuur- en literatuurhistoricus. Zijn onderzoek verricht hij in twee gebieden: het Duitstalige, met Luther als centrale figuur, en Engeland, zonder een centrale figuur, en dat is kenmerkend.

Men kan het verschil tussen de twee ook zo aangeven: het eerste deel van het boek behandelt de ontstaansgeschiedenis (we maken het begin van de reformatie mee van heel dichtbij, de directe verwerking door tijdgenoten ook), het tweede deel behandelt uiteraard de Engelse Reformatie, maar vooral, zeker in het vervolg ervan, het derde deel, de neerslag van het nieuwe geloof, zoals die aanwijsbaar is in de Engelse literatuur van de 16de en 17de eeuw, vooral in de grote tijd die met Elizabeth I begint.

Naast Luther staat in het eerste deel uiteraard ook Erasmus centraal. De eerste blijft in alle opzichten de theoloog, die elke nieuwe interpretatie van een bijbelpassage ombuigt tot een geloofspunt; hij is een 'grammaticus' bij de genade van God! Van de twee is hij ook de meest zekere. Erasmus, wiens revolutionaire Grieks Nieuw Testament uitvoerig aandacht krijgt, is meer de taalgeleerde, de wetenschapper. Daardoor is hij ook de grootste twijfelaar: hij kent de vele mogelijkheden van elke tekst.

Hij was overigens een twijfelaar met een indrukwekkend geloofsfundament in het oude christendom. De oudlichterij van de scholastiek en de nieuwlichterij van de reformers konden bij hem geen genade vinden.

Voor mij is het boeiendste en belangrijkste in dat eerste deel niet alleen het gedeelte over de polemiek tussen Luther en Erasmus over de vrije wil, een kernpolemiek uit de 16de eeuw, maar de beschrijvingen van de moeilijkheden die de gevestigde Latijnse bijbelvertaling, de Vulgaat, krijgt te ondergaan in confrontatie met de originele teksten. Een prachtig beeld van de samenhang tussen geloofsinhoud en taal. (Hoe gekerstend is het Oude Testament in de Vulgaat!)

Misschien heeft Cummings grammatica en genade - met al hun associaties - te zeer tegenover elkaar gesteld. Een vorig jaar verschenen meesterlijke studie van de Engelse historicus Anthony Levi, Renaissance and Reformation - The Intellectual Genesis, behandelt veel gelijke gegevens veel genuanceerder en in hun wisselwerking. Hij trekt de geschiedenis ook verder terug.

De taal- en literatuurstrijd in Engeland, als beschreven in het tweede deel, begint uiteraard met de bijbelvertaling van Tyndale, de katholieke angst ervoor, het verbod ervan ook. Wat Cummings over Tyndales taalopvattingen schrijft, is uitstekend (ook de taal is door de zondeval aangetast). Even goed zijn ook de vele passages over het doordringen van problemen rond de nieuwe leer in bijvoorbeeld Sidneys 'Verdediging van de poëzie'.

In de stukken over het samengaan van geloofsgeschiedenis en culturele geschiedenis in Engeland, het ontstaan van een protestantse cultuur, is de auteur op zijn best. Ik betwijfel of de altijd problematische tussenpositie van de Engelse reformatie in het boek erg helder wordt. Die tussenpositie heeft tot heel wat tijdelijke verschuivingen geleid, nooit, behalve bij de Puriteinen, tot een volstrekt en radicaal protestants geloof en cultuur. De deken en dichter John Donne, de machtige tussenfiguur en bekeerling uit het katholicicme, is haast een symbool voor de tussenpositie van kerk en gelovige cultuur, en anders is het wel het algemeen succes van het verhalende gedicht 'St Peters Complaint' van de jezuïet en martelaar Robert Southwell (over hem en zijn werk schrijft Cummings zonder meer uitstekend).

De subtielste passages gaan over de dichter George Herbert (die vanzelf tot subtiliteit dwingt). Heel mooi is de interpretatie van de eerste regels van het gedicht 'Grace'. Die regels luiden:

My stock lies dead, and no increase

Doth my dull husbandrie improve:

O let thy graces without cease

Drop from above.

In boeren-metaforen wordt de dorre situatie van de mens beschreven. Hij is machteloos. Laat de hemelen van boven regenen, genade regenen, zonder ophouden. De dichter weet zich afhankelijk van een gevende God. Dat is de kernleer van de reformatie. Alles is genade, de mens kan uit zichzelf niets, maar, paradoxaal, wel de mooiste gedichten schrijven, waarin oude beelden nieuw worden gemaakt. Geen leer heeft ooit een mond kunnen sluiten. Grote delen van Cummings soms ingewikkeld geschreven boek bewijzen het. De zegen komt niet uitsluitend van boven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden