Theo Thijssens grijze kind revisited

Theo Thijssen hield meer van Het grijze kind dan van Kees de jongen. Dat zei hij tenminste in een interview met Het Volk op 14 juni 1939....

Ik kan me voorstellen dat bewonderaars van Thijssen destijds verbaasd hebben opgekeken van die uitspraak. Hield hij ècht meer van Het grijze kind dan van Kees de jongen? Dat laatste boek was toch, los van het feit dat het zoveel beter verkocht werd, veel schrijnender, humoristischer en herkenbaarder dan Het grijze kind?

Misschien probeerde Thijssen zijn favoriete geesteskind tegen de verdrukking in wat te pushen en zat hem nog steeds dwars dat dit boek in 1927 eerst heel gretig afgenomen werd (met een eerste druk van vierduizend exemplaren, die al snel gevolgd werd door een tweede druk van drieduizend) en vervolgens 'niets meer deed', zoals dat door uitgevers genoemd wordt.

Ik geloof niet dat veel lezers tegenwoordig zullen beweren dat Het grijze kind een zoveel betere roman is dan Kees de jongen, maar het is, denk ik, wel een boek waarvan de kwaliteiten minder makkelijk worden gezien. Thijssen grijpt met dit boek hoger; hij wil, pedagoog die hij is, de gevolgen laten zien van een opvoeding die niet bij machte is kinderen in hun waarde te laten; ze veel te vroeg in een volwassen keurslijf wringt.

Daartoe schiep hij Henricus van der Stadt, zoon van een accountant aan de Amsterdamse Nassaukade, het grijze, dat wil zeggen, vroegoude kind, dat thuis en op school zo achter zijn vodden wordt gezeten, dat hij het onbekommerde leven bij zijn tante Neeltje in de Jordaan (een buurt met een wat mindere status) terecht als een bevrijding ervaart. Met Henricus loopt het slecht af. Hij heeft helemaal geen zin het leven te gaan leiden van hypocriete volwassenen als zijn ouders. In het begin van het boek zit hij dan ook in een inrichting, waar hij uit zijn verwarde herinneringen opdiept wat hem allemaal is overkomen.

Dat doet niet zo vrolijk aan, maar misschien is zowel de relatieve afwijzing als de oplevende waardering voor Het grijze kind, dat na de oorlog regelmatig werd herdrukt - de laatste keer in de reeks Salamander Klassiek van Querido, met een nawoord van Kees Fens - te verklaren uit de pedagogische boodschap, die Thijssen erin gestopt heeft, namelijk dat je een beetje oog moet hebben voor de speelsigheid van kinderen voordat je ze gaat opzadelen met allerlei volwassen verplichtingen en plichtplegingen.

Je zou zeggen dat we dat nu wel weten, maar als je Het grijze kind (her)leest, word je toch weer op subtiliteiten gewezen, die duidelijk maken dat het contact tussen volwassenen en kinderen nooit vanzelfsprekend kan zijn. Je vraagt je bovendien af of er in de zeventig jaar tussen de eerste publikatie van Het grijze kind en nu op het gebied van de opvoedkunde ècht wel zo veel veranderd is.

Het grijze kind is een van de drie boeken van Thijssen, die zijn opgenomen in het tweede deel van diens Verzameld Werk. De andere zijn Schoolland en De gelukkige klas, 'dagboeken' van Thijssen over het dagelijkse leven op school. Bij elkaar zijn het 678 bladzijden Thijssen, die voor mij - na de 633 bladzijden van het eerste deel (met Barend Wels, Jongensdagen en Kees de jongen) - opnieuw een feestelijke belevenis waren.

Ik denk dat je deze boeken met zoveel genoegen leest doordat Thijssen, net als Multatuli en Annie M. G. Schmidt, het vermogen heeft zich in kinderen te verplaatsen. Bovendien schrijft hij een Nederlands, dat op de hedendaagse pabo's geen slecht figuur zou slaan.

Ook dit deel werd bezorgd door Peter-Paul de Baar en Rob Grootendorst, die een beknopt nawoord toevoegen, waaraan ik het citaat uit Het Volk ontleen (Thomas Rap, Athenaeum-Polak & Van Gennep, ¿ 49,90).

We blijven even in de wereld van het kind, al moeten we daarvoor de grens over, naar Frankrijk. De jonge, bestsellende auteur Alexandre Jardin publiceerde daar in 1992 Le Petit Sauvage, dat door Floor Borsboom werd vertaald als De kleine wilde.

'De kleine wilde' is een 38-jarige Richard, een kleinzoon van de bouwer van de Eiffeltoren, die zijn fortuin aan het maken van sleutels te danken heeft. Hij heeft er genoeg van. Hij is zo van zichzelf vervreemd geraakt, dat hij terug wil naar de tijd van zijn jeugd, toen alles kleur en geur had en hij in het zuiden door een aanminnige buurvrouw werd ingewijd in de liefde.

Aanvankelijk doet de vlucht van de jonge Eiffel naar zijn jeugd nogal irritant en modieus aan (makkelijk om met lege handen opnieuw te beginnen als je miljoenen op de bank hebt staan), maar gaandeweg wordt het Robinson Crusoë-achtige verhaal van Jardin wel vermakelijk, zeker ook doordat hij op een goed moment een loopje neemt met de lezer, door hem te laten weten dat hij heel goed beseft hoe ongeloofwaardig dit 'jongensboek' aan het worden is.

Maar het moet.

Jardin mòet laten zien dat het cynische moderne leven van de volwassenen volstrekt beroofd is van alle oprechtheid, avontuur en 'eerlijke liefde'. De jonge Eiffel vìndt die liefde, al loopt het toch nog slecht met hem af (hij sterft aan kanker).

Het is een raar boek, De kleine wilde, dat aan het eind de trekken van een stripverhaal (met illustraties van François Place) begint te krijgen; naïef en nogal handig op de lezer 'toegeschreven', maar toch niet zonder amusementswaarde, inclusief de boodschap dat we het kind in onszelf niet moeten negeren, als we tenminste willen vermijden dat de wereld steeds onleefbaarder wordt (De Arbeiderspers, ¿ 39,90).

Lang geleden, in de negentiende eeuw, leefde er in datzelfde Frankrijk een dichter, die ons tot op de dag van vandaag is blijven uitdagen: Charles Baudelaire. Zijn boek Les Fleurs du Mal, zijn Bloemen van het kwaad, werd begin dit jaar, integraal vertaald door Peter Verstegen, door Van Oorschot gepubliceerd (¿ 79,-).

Terwijl aan die editie werd gewerkt, was bekend dat ook Petrus Hoosemans een vertaling van De bloemen van het kwaad aan het maken was. Een eerste proeve daarvan was in 1994 bij de Historische Uitgeverij in Groningen verschenen. Er zou, na het werk van Verstegen en Van Oorschot, alle reden geweest zijn om van een tweede publikatie van De bloemen van het kwaad af te zien, maar dat heeft de Historische Uitgeverij niet gedaan. De editie-Hoosemans is net als die van Verstegen tweetalig. Wie de vertalingen globaal vergelijkt, ziet dat er per versregel enorme verschillen zijn. Verstegen nam ook meer gedichten op en misschien verklaart dat, dat de prijs van de Groningse uitgave lager is: ¿ 49,50.

Raymond Queneau is een schrijver wiens werk De Bezige Bij, evenals dat van Nabokov, Pavese en anderen, voor de lezer 'compleet' beschikbaar wil houden. Vandaar dat van Queneau het 'verhaal' in tientallen varianten, dat de titel Exercices de style meekreeg, werd herdrukt. In zijn voorwoord vertelt Rudy Kousbroek, die het boek vertaalde, zoveel over de auteur van deze Stijloefeningen, en de moeilijkheden waarmee hij zijn vertaler in dit geval opscheepte, dat lezers die Queneau nog niet kennen, vast en zeker naar de boekwinkel zullen tijgen om zich nu ook Zazie in de metro, Hondsgras, De blauwe bloemen en Pierrot aan te schaffen.

Een mooi vormgegeven herdruk van Duecento, het boek van Helene Nolthenius over de late Middeleeuwen in Italië, dat voor het eerst in 1951 verscheen (Querido, ¿ 59,-), bood me de mogelijkheid over te stappen naar twee antieke teksten, die door Ambo werden gepubliceerd. In de eerste plaats Amores van Ovidius, een jeugdwerk van de meester (die leefde van 43 voor tot 17 na Christus), waarin hij de liefde in al haar variaties bezingt. Deze 'elegieën' werden door John Nagelkerken zo sierlijk in zevenvoetige jamben vertaald dat de moderne lezer de inhoud ervan moeiteloos zal begrijpen, een oeroud verhaal over de haken en ogen van de liefde, dat bovendien door de vertaler helder wordt ingeleid (¿ 44,50); de tweede Ambo-uitgave is de filosofische verhandeling, Kleine alfa, die deel uitmaakt van Aristoteles' Metaphysica. Zij werd uit het Grieks vertaald door Cornelis Verhoeven, die mede omdat lang aan de authenticiteit van dit geschrift is getwijfeld, een zeer uitgebreid commentaar aan de tekst toevoegt (¿ 39,90).

Van Aristoteles naar Tobias Wolff is een overgang die een mens normaal gesproken niet áán kan, maar ik dwing me ertoe omdat In het leger van de farao van de populaire Amerikaan (over zijn belevenissen in Vietnam) nog een van de meest leesbare Angelsaksische vertalingen van deze week was (Prometheus, ¿ 34,90).

Boeiender, maar minder toegankelijk was De galeislaaf van de Sloveense auteur Drago Jancar, van wie vorig jaar de roman Noorderlicht uitkwam.

In De galeislaaf schetst Jancar de lezer een door de pest geteisterd Europa halverwege de zeventiende eeuw. Hoofdpersoon is de raadselachtige figuur Johann Ott, die lid wordt van een gruwelijke sekte en als galeislaaf jarenlang over de Middellandse zee roeide. Waar hij ook komt, wordt hij als 'vreemdeling' gezien en om die reden bedreigd en naar het leven gestaan. Hij weet zich niettemin te handhaven (Wereldbibliotheek, ¿ 46,50).

De jonge Oostenrijkse schrijver Robert Schneider (1961) verbeeldt in Wie lief heeft slaapt niet het leven van de musicus Johannes Elias Alder, die besluit niet meer te slapen nadat hij eenmaal zijn (absolute) liefde heeft gevonden. Hij sterft als hij tweeëntwintig jaar oud is (De Arbeiderspers, ¿ 34,90).

Slapen kan ook de hoofdpersoon uit De proloog niet, een wielrenner die de volgende dag de proloog in de Tour de France moet rijden, het enige waar hij goed in is en waarmee hij zich kan bewijzen. Hij moet dus winnen.

Zijn kwellingen worden belicht in de kleine roman over het wielerleven, waarmee Bert Wagendorp, redacteur van de Volkskrant, debuteert (Veen, ¿ 19,90).

Bret Easton Ellis geeft in de verhalenbundel De informanten (Luitingh-Sijthoff, ¿ 29,90) zijn visie op de decadente leegheid van de Amerikaanse grotestadsbewoner en Rob Molin promoveerde bij de Open Universiteit op een omvangrijke studie over Adriaan Morriën als literair criticus: Adriaan Morriën en het heelal van de huiskamer (De Geus, ¿ 59,90).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden