Theo Beckers: ‘Ruimtelijke ordening moet weer politiek worden’

Ooit was de planologie bedoeld om een brug te slaan tussen ruimte en samenleving. Maar in de afgelopen decennia is de ruimtelijke ordening steeds verder verwijderd geraakt van de burger. Stedenbouwkundigen en ingenieurs leven te veel in hun eigen wereld en handelen volgens hun eigen maatstaven, zegt Theo Beckers (1941), bijzonder hoogleraar duurzame plattelandsontwikkeling aan de Universiteit van Tilburg. Daardoor is de ruimtelijke ordening ‘veronmaatschappelijkt’ en loopt de sector vaak achter op de maatschappelijke ontwikkelingen. Beckers wil op zoek naar nieuwe bezieling; weg van de regeltjes, dichter bij de beleving van de mens, met een terugkerende overheid.

U zegt dat de ruimtelijke ordening ver van de mensen afstaat. Was dat ooit anders?
‘Jazeker. Voor en vlak na de Tweede Wereldoorlog stonden planning en stedenbouw meer in het teken van een maatschappelijk ontwerp. Vooral de sociaal-democraten geloofden in rationaliteit en plannen, de rest van Nederland had daar veel minder mee op. Ruimtelijk beleid en stedelijke planning stonden in het teken van de emancipatiedoelstelling. Ingrepen in de ruimte waren onderdeel van een beschavingsideaal.

‘Die bevlogenheid van toen is helemaal verdwenen. Ruimtelijke ordening is gereduceerd tot een technocratische opdracht. De technici hebben hun principes toegepast, met homogene woonwijken, winkelstraten en recreatieparken tot gevolg. Daar komen burgers terecht tegen in opstand.’

Veel lezers die deelnemen aan de Ruimtelijke Agenda klagen over het gebrek aan regie vanuit de overheid.
‘In Nederland is de ruimtelijke ordening van oudsher zeer complex georganiseerd. Hij bestaat in feite uit drie zuilen die betrekkelijk ongestoord langs elkaar heen leven.

‘Ten eerste is er de volkshuisvesting, gericht op bouwen en wonen. Hier zitten de stedenbouwers, de architecten, de woningcorporaties. Ten tweede is er de ‘droge’ en ‘natte’ waterstaat, met de Delftse ingenieurs. De derde zuil werd gedragen door de ingenieurs uit Wageningen, met de rationalisering van het buitengebied als opgave.

‘Elke zuil heeft eigen specialisten, eigen kennis en instrumenten, zelfs een eigen departement. Het is een institutionele erfenis, die je niet eventjes verandert. Maar deze verzuiling heeft er wel toe geleid dat bestuurders sterk afhankelijk zijn geworden van deze deskundigen en daardoor vaak geen leiding kunnen geven aan de integrale ruimtelijke ontwikkeling.’

Een oproep aan de overheid om de regie te hernemen heeft dus niet veel zin? Sinds een jaar of tien erkennen politici dat de complexiteit van onze ruimtelijke ordening tot enorme vertraging leidt. Er kwam een roep om dadendrang, maar die heeft niet veel uitgehaald. In 1997 brak hier in Brabant de varkenspest uit. Nu pas, tien jaar later, vinden de eerste verplaatsingen van boerderijen plaats op kosten van de gemeenschap. En dan nog is het de vraag of dit de juiste oplossing is.

‘In de gehele samenleving zijn we ons aan het herbezinnen op de vraag of de overheid zich moet terugtrekken. De overheid vervult echter verschillende, soms conflicterende rollen in de verschillende fases van beleid. Bij het klimaatbestendig maken van de ruimte heeft de overheid een andere rol dan bij het verbeteren van de oude stadswijken. Soms is de overheid financier, op een ander moment uitvoerder of controleur, dan weer moet ze het ene tegen het andere belang afwegen. Het heeft niet zoveel zin om in z’n algemeenheid te zeggen dat de overheid zich moet terugtrekken of zich juist moet manifesteren.’

Wie zorgt voor de bezieling die u mist?
‘Ik bepleit een repolitisering van de ruimtelijke ordening. In tijden van grote dynamiek willen mensen zich herkennen in ruimtelijke identiteit. De wereld waar je woont, moet zekerheid bieden. Een eigen vertrouwde plek is de onvermijdelijke tegenhanger van de mondialisering. Daarom is ruimtelijke ordening vooral ook een sociaal-culturele opgave.

‘Overal wordt geklaagd over verrommeling, over lelijk Nederland. Het heeft mij verbaasd dat het regeerakkoord helemaal niets zegt over ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit, terwijl het vraagstuk echt leeft.’

Hoe kunt u dan pleiten voor repolitisering?
‘Ik bedoel niet dat de politieke partijen elkaar nu moeten gaan bestrijden over de beste manier om de verrommeling te lijf te gaan. Ik denk dat we het over een andere boeg moeten gooien. Eind jaren ’90 is het manifest Brabant 2050 verschenen over het belang van een duurzame toekomst voor de provincie. Uiteenlopende mensen als Rudi Fuchs, Herman Wijffels en Ruud Lubbers hebben die verklaring ondertekend. Daarmee werden de consequenties getoond van een keuze voor duurzaamheid. Het gevoel was: met de standaardoplossingen komen we er niet meer. Toen bestuurders dat erkenden, bleek opeens veel meer mo-gelijk.

‘Dit soort leiderschap, zoals destijds van de Brabantse commissaris van de koningin Houben, zouden meer politieke bestuurders moeten tonen. Het gaat om ambitie en non-conformisme. Dat kan waarschijnlijk makkelijker als je bestuurders niet langer één portefeuille geeft, maar je ze politiek verantwoordelijk maakt voor een regio per bestuurder. Ik bepleit maatschappelijk geïnspireerd, duurzaam regionaal ruimtelijk beleid.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden