Theater Habsburg

De Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie had een omtrek van ongeveer achtduizend kilometer. Jan Blokker, die als jongetje reeds om de voormalige Zuiderzee had willen fietsen, reed langs de grenzen van dit verloren rijk....

Wat heeft een mens te zoeken in Cernivtsi?

Niks eigenlijk.

Stad aan de Prut met 260.000 inwoners. Was Pools, werd Turks, werd Oostenrijks, werd Roemeens, was even weer Pools, werd Sovjet-Russisch, is nu Oekraïens.

Voorbij de rookpluimen van vuile industrie zie je in de verte de Karpaten beginnen. Over het centrum hangt een giftig soort smooklucht. Het handjevol bezienswaardigheden stamt uit de late negentiende eeuw: als je door je oogharen kijkt, lijkt het her en der ook een beetje op Wenen, een beetje op Midden-Europa. Maar de patriciërshuizen van weleer zijn uitgewoonde huurkazernes geworden.

Let's go Eastern Europe, een gemiddeld toch niet bang uitgevallen Amerikaanse gids voor knapzaktoeristen, waarschuwt voor luidruchtige jeugdbendes die in bontgekleurde T-shirts de stad terroriseren, en schrijft zuinig:

'Veilig en toch betaalbaar logies is uiterst moeilijk te vinden. Probeer eventueel Hotel Bukovina.'

Maar ik was toch al niet van plan in Cernivtsi te overnachten, dus ik versmaad Hotel Bukovina, en vraag een jonge voorbijganger (wit overhemd) naar de schouwburg uit de dagen van de Habsburgers, toen Cernivtsi nog een hoofse stad was met bijna 100.000 inwoners onder wie veel Oostenrijkse officieren aan wie de verdediging van de grens met tsaristisch Rusland was toevertrouwd, en die zich 's avonds in gala staken voor de nieuwste toneelstukken uit Wenen.

In het seizoen 1884-1885 was Katharina Schratt er de leading lady: mooi en jong, maar niet tevreden, want ze was beter gewend geweest. Je kon heel aangenaam leven in Cernivtsi dat toen op z'n Oostenrijks nog Czernowitz heette - maar het bleef de provincie, en de schouwburg was geen Burgtheater.

Gevlucht voor de schuldeisers van haar verdwenen echtgenoot, wachtte Schratt in de oostelijkste uithoek van het grote rijk op een aanbidder die genoeg invloed had om haar joyeuze rentree in de hoofdstad te kunnen regelen. En omdat de werkelijkheid in die dagen soms sprekend op een blijspel leek - of omgekeerd - had ze dat na een jaar voor elkaar, en verliet ze haar garnizoen van bewonderaars.

Adieu, mein kleiner Gardeoffizier, adieu.

Kort daarna, begrijp ik van de vriendelijke jongen met het ongekleurde overhemd, werd de schouwburg in de as gelegd.

Honderd jaar geleden kwam tijdens het ontbijt van de keizer de overlevingskans van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie weer eens aan de orde. Dat gebeurde wel vaker. Er was misschien geen vuiltje aan de lucht, maar sommigen voelden een bui hangen. Ondergang was aan het eind van de eeuw ook een geliefd gespreksonderwerp.

We weten wie aanzaten. In ieder geval 's keizers adjudant Albert von Margutti, want die heeft de conversatie later opgetekend. Een paar hogergeplaatste hovelingen natuurlijk. Sissy niet. Sissy had al sinds mensenheugenis niet meer met haar Franzl mee ontbeten, en bovendien was ze nu dood: het jaar tevoren in Genève op klaarlichte dag neergestoken door een Italiaanse anarchist. Maar min of meer in haar plaats de vrouw die al meer dan tien jaar de Seelenfreundin van Frans Josef heette, en die op vijf minuten loopafstand van het keizerlijk buitenverblijf in Bad Ischl de net opgeknapte Villa Felicitas had betrokken. Katharina Schratt.

Toen iedereen zijn zegje had gezegd, kuchte de oude keizer, bijna zeventig, en sprak:

'Onze monarchie is niet een kunstmatige constructie, maar een levend organisme. Ze is bovendien een wijkplaats en een veilige haven voor al die over midden-Europa versplinterde volkeren die een treurig bestaan zouden leiden als ze aan hun lot werden overgelaten, of die anders de speelbal van machtiger buren zouden worden.'

Hij was daar heilig van overtuigd. De meerderheid van z'n bijna 40 miljoen onderdanen vond dat waarschijnlijk ook. En achteraf zeg je: was zijn merkwaardig opvangtehuis niet ook een paradijs als je het vergelijkt met wat er in de volgende honderd jaar terecht is gekomen van de ver splinterde Duitsers, Hongaren, Tsjechen, Slowaken, Kroaten, Serven, Slovenen, Roemenen, Polen, Oekraïeners en Joden?

Maar paradijzen zijn er om uit verdreven te worden.

De Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie. In een oude atlas kijk ik naar haar onmetelijke uitgestrektheid, en in een oude encyclopedie lees ik dat haar omtrek ongeveer 8000 kilometer moet zijn geweest.

Als jongetje wilde ik altijd al een keer om de voormalige Zuiderzee heen fietsen.

Waarom zou ik dan nu niet een keer om een verloren monarchie heen rijden?

Praag. Tussen honderden Japanners (zouden er in Tokio nog wel Japanners over zijn, vraag ik me wel eens af als ik op reis ben) sta ik voor het monument van de kerkhervormer Johannes Huss, en denk aan Milan Kundera. Die schreef in Het boek van de lach en de vergetelheid:

'Toen de Jezuïeten na de nederlaag van de Tsjechische reformatie in 1621, het volk tot het ware katholieke geloof trachtten te bekeren, overspoelden ze Praag met de pracht van barokke kathedralen. De duizenden stenen heiligen, die overal vandaan naar u kijken, die u dreigen, die u volgen, die u hypnotiseren - dat is het razende leger van de bezetter dat 350 jaar geleden Tsjechië binnenviel.'

Barok als onderdrukkingswapen.

Van alle elf volkeren met wie Frans Josef wel eens wat te stellen had, waren de Tsjechen misschien wel de lijdzaamsten: niet zo ongedurig als de Hongaren, niet zo onberekenbaar als de Bosniërs, niet zo opgewonden als de Polen. Tsjechen hadden geduld, tot over het graf: bijna Oos tenrijkers in de ogen van Frans Josef.

Deftige visite - de tsaar, de Duitse keizer - heette hij welkom op een grensstationnetje in de Sudeten, en dan onderhandelden ze niet in Wenen, maar in het kasteel van het Boheemse Reichstadt dat nu Zakupy heet, of op z'n verst op het jachtslot Konopiste, vlak bij Praag, waar duizenden door beoogd troonopvolger Frans Ferdinand afgeschoten hertenkoppen dood op de gasten neerkeken. Als je nu door de weelderige bossen naar Konopiste rijdt, als naar een kasteel uit een sprookje van Moeder de Gans, zie je om de tweehonderd meter nog een waarschuwingsbord: overstekende herten.

Vredig Tsjechië.

Toen de keizerlijke familie in 1848 het revolutionaire Wenen moest ontvluchten, nam ze ook de wijk naar het Moravische Olmutz (nu Olomouc), en in het barokke paleis van de aartsbisschop werd de achttienjarige Frans halsoverkop tot keizer gekroond, want iedereen wist dat oom Ferdinand niet meer helemaal goed bij z'n hoofd was, en dat alleen een flinke, jonge Habsburger het spook de baas kon worden dat door Europa waarde.

Ach, Olomouc.

Suf is misschien het woord niet, al komt 't dicht in de buurt. Zelfs de studenten aan de kleine universiteit van 1999 ogen timide in hun stille koffiehuizen. Kan het zijn dat ze nog altijd worden geïntimideerd door de hoogbarokke Drievuldigheidszuil die op het grote stadhuisplein een volmaakte kopie lijkt van de pestzuil op het Weense Graben?

Ik slaap in Hotel Flora, gebouwd in onze jaren zestig. Het moet een ideaal conferentieoord zijn geweest voor het marxistisch-leninistisch middenkader, en dat ruik je nog een beetje.

'Soms', heb ik tegen mijn aardige gids in Praag gezegd, 'heb ik het gevoel alsof jullie bang bent dat de communisten nog niet helemaal weg zijn.'

'De meesten leven ook nog', heeft ze geantwoord.

En op mijn vraag of er misschien nog krasse, oude Tsjechen bestaan die de hele eeuw in hun botten hebben, die zich dus van Frans Josef en Masaryk, via Hitler en Gottwald tot aan Havel toe nog alles zouden kunnen herinneren, heeft ze bijna verdrietig moeten glimlachen: 'Tsjechen worden nooit zo oud.'

Ik rij van Olomouc nog even zuidwaarts naar Krensir (toen Kromeritz), naar wat toen het riante zomerverblijf was van de machtige roomse prelaten. Onteigend intussen - niet alles wat de communisten deden was verkeerd. Maar de bewaking is nog wel altijd in handen van strenge meesteressen die de bezoeker toesnauwen dat hij de parketvloer niet mag betreden zonder huurpantoffels.

Ergens in een barokke bovenzaal, tussen de Titiaans, de Bruegels en de Bassano's confereerden Frans Josef van Oostenrijk en Alexanderiii van Rusland in 1885 over de spanningen op de Balkan. Ter verstrooiing had de gastheer drie actrices van het Burgtheater laten overkomen om een eenakter te doen. De tsaar was gecharmeerd. Op zijn aandringen mochten de dames na afloop meesouperen. Katharina Schratt, koud terug van Cernivtsi, was één van de drie.

Waar hield Europa toen op?

Volgens Metternich begon West-Azië achter de Landstrasse in Wenen, maar de standaard van de Europese Habsburgers wapperde tot in Galicië en langs de Trans sylvanische Alpen. Frans Josef was blijkens zijn wapenrol behalve keizer van Oostenrijk en koning van Hongarije, ook nog koning van Dalmatië, Kroatië, Slavonië en Lodemeria, grootvorst van Siebenburgen, aartshertog van Krakau en gewoon hertog van een hele rij verre land streken en steden, waaronder Auschwitz.

Hertog van Oswiecim.

Zonder de klank van de Duitse naam zou je geen erg hebben - zou je er voorbij rijden, zoals de keizer er voorbij moet zijn gereden als hij z'n troepen in Galicië kwam inspecteren.

Wat kun je Oswiecim verwijten, behalve misschien dat z'n inwoners van een halve eeuw geleden moeten hebben geweten, of op z'n minst hebben kunnen vermoeden wat de Duitsers een paar kilometer verderop aanrichtten?

Alles is ongedenkwaardig aan het stadje: het nieuwe station, het oude stadhuis met een rococobalkon, de slome markt, de Salesianenkerk met het lelijke standbeeld van Don Bosco die in barmhartigheid de bronzen hand op de schouder van een onnozel jongetje houdt, een vrouw die uit een onmiskenbaar achttiende-eeuws raam een kleedje uitklopt. Maar alles is tegelijkertijd beladen: dat overal zwart geletterde toeristenbordjes naar Auschwitz verwijzen, dat er voor zo'n kleine gemeente een veel te groot hotel is gebouwd, dat je nergens het soort gewone ansichtkaart kunt kopen dat je uit elk dorp kunt verzenden, dat die vrouw in dat onmiskenbaar achttiende-eeuwse raam uberhaupt een kleedje uitklopt alsof er niets gebeurd is.

Zeventig kilometer verderop blaakt Krakau van onschuld en vitaliteit. Genomineerd als culturele hoofdstad van Europa, vertroeteld door de Unesco, van de elfde tot en met de negentiende eeuw alle Europese schatten bewaard

- en minstens zoveel gotiek en renaissance als barok. Waarom zouden ze heimwee naar de Habsburgers hebben? De Habsburgers reduceerden hun glorie tot de kille ratio van een garnizoensstad aan de cruciale grens met Rusland, en kijk nu eens: hoe triomfantelijk.

Polen zijn niet timide.

Aan de taxichauffeur die me terugrijdt van het oude getto vraag ik hoe ik morgen het best de stad uit kan rijden, richting de Oekraïense grens.

Ik zie aan z'n rug dat hij schrikt.

'Wilt u naar Oekraïne?', vraagt hij in smetteloos Engels. 'Dat lijkt me geen goed idee.'

Hij kijkt even bezorgd over z'n schouder, en heeft een advies. Als ik dat wil, en ik wil het er ook nog levend van afbrengen, dan moet ik nu meteen via Warschau een gids bestellen, die me bij de grens komt afhalen, en die me in dat land mogelijk voor het ergste kan behoeden.

Ik denk aan de Amerikaanse politicoloog Huntington, die een nieuw ijzeren gordijn heeft uitgetekend dat de grens markeert tussen de verlichte, (West-)Europese beschaving, en de oosterse obscuriteit: The Clash of Civilisations. In het zuidoosten valt zijn lijn vrijwel samen met de zuidoostelijke grens van de Habsburgse dubbelmonarchie en Oekraïne ligt (net als Servië, Bulgarije en de helft van Roemenië) aan de verkeerde kant.

Ik denk ook aan Timothy Garton Ash, groot kenner van centraal Europese landen, die in The history of the present beschreef hoe bij op een koude novemberavond te voet de grens tussen Slowakije en Oekraïne bereikte.

'De schok was er ogenblikkelijk. Goed aangelegde asfaltwegen maakten plaats voor gaten en kinderhoofdjes. De Oekraïense grenspost leek te zijn overgenomen door een bende kaalgeschoren, gedrongen mannen, gekleed in zwarte laarzen, zwarte broeken, zwarte hemden en zwarte leren jekkers: het uniform van de postcommunistische maffia. Ik zag hoe ze de douaniers in donkere hoekjes apart namen. Ik hoorde het woord corruptie bijna rondsissen in de ijzige mist.'

Maar wie reist nou ook in godsnaam via een dubieus grensstationnetje 's avonds laat en te voet naar Oekraïne?

Ik dank mijn Krakause taxichauffeur voor z'n goede raad, bel niet naar Warschau voor een gids, slaap onrustig, en aanvaard de volgende ochtend voor dag en dauw, en zonder illusies, de reis naar Azië.

'Als je de Habsburgse overheersing al een dictatuur zou willen noemen', zegt Bogdan Pankevitch, 'dan was die heilig vergeleken met de Poolse, en die was weer heilig vergeleken met de Russische. Lemberg honderd jaar geleden, dat was een moderne stad, daar traden de beste acteurs en de beste operazangers uit Wenen op, daar bestond een perfect gemeentelijk administratief systeem, daar reed de eerste elektrische tram van Europa. Dank zij de Habsburgers konden de mensen zich hier Europeanen voelen. Met de Russen kwamen de Middeleeuwen terug.' Heelhuids in Lviv gekomen, nergens het uniform van de postcommunistische maffia gezien, hoffelijk ontvangen in een hotel waar ze niet (zoals Garton Ash me had voorspeld) vooruitbetaling in contante dollars hebben geëist, en ten slotte oog in oog met een vitale ondernemer, die in z'n vrije tijd ook nog honorair consul is van het Koninkrijk der Neder landen.

Taxichauffeurs en deskundigen moet je nooit geloven.

Pankevitch is actief in de Karpatische Euroregio, een publiekrechtelijke organisatie waarbinnen Poolse, Slowaakse, Roemeense, Hongaarse en Oekraïense gewesten met steun van de diverse regeringen samenwerken op het gebied van economie, wetenschap, cultuur, milieu, sport en onderwijs.

Ik lees in het drukwerk dat bij me meegeeft, en voor mijn ogen verrijst een Habsburgs ideaal: een paraplu waaronder versplinterde nationaliteiten kunnen schuilen. Meer naar het westen heb je ze veel: Pannonische, Illyrische en Oos tenrijks-Hongaarse gespreksgroepen, vaak met de geur van klederdrachtfolklore, maar in feite allemaal op zoek naar een cohesie die verloren is gegaan. Hier dus ook. En hier des te sterker vanuit een gemeenschappelijke ambitie: politiek en cultureel alsnog weer terecht te komen aan de beschaafde kant van Huntingtons demarcatielijn.

Het verleden is hun getuigschrift, en het verleden is nog maar honderd jaar oud.

'Lemberg was een intellectueel centrum', verzekert de historicus Ivan Svarnyk die zetelt in het donkere stadsarchief. 'Altijd georiënteerd geweest op Wenen, grote joodse gemeenschap, wars van de Russen. West-Oekraïeners waren in de Eerste Wereldoorlog de beste soldaten van het keizerlijke leger. Het is niet veranderd. Kiev is de hoofdstad, maar Lviv is het hart, en het hart hoort bij Europa.'

Ik wandel door het oude Lviv.

Waar lijkt het op? Inderdaad: op Praag, op Boedapest, op Ljubljana, op Wenen zelf. Breng me geblinddoekt naar een stad in Midden-Europa, en als ik een seconde heb gekeken weet ik dat ik in het land van de Habsburgers ben. Ze hoeven de blinddoek niet eens af te doen: dan hoor ik het, aan de trams.

De stenen heiligen zijn in Lviv minder bedreigend dan waar Kundera z'n hart voor vasthield: de barok doet zich het meest voor in geseculariseerde vorm, in koopmanshuizen, in schitterende oude winkelpanden, in theaters vooral. Katharina Schratt had misschien hogere ambities dan het verre Galicië haar kon bieden, maar ontheemd kan ze zich er geen dag gevoeld hebben.

Zo passeer ik Cernivtsi, waar me dus ook de beloofde jeugdbendes met bontgekleurde T-shirts door de neus worden geboord, en rij Roemenië tegemoet.

In dit onherbergzame deel van hun rijk hadden de Oos tenrijkers weinig anders te zoeken dan verdedigingslinies, en ze hadden niet eens zo veel manschappen nodig: de Karpaten deden het meeste werk. De dorpen lieten ze over aan verturkte Walachijse en Moldavische boeren, en de steden vertrouwden ze toe aan de Duitse kolonisten die er al sinds de elfde eeuw hun eigen taal en cultuur en hun eigen tradities hadden gekoesterd.

Ze zijn er nog steeds: In Klausenburg (Cluj), in Kronstadt (Brasov) en in Hermannstadt (Sibiu), curieuze westerse Fremdkorper in een half en half Byzantijnse omgeving, en vooral bij mekaar gehouden door de Evangelische Kirche, die het al die tijd kaal en zonder stenen heiligen heeft moeten bolwerken tegen de koepels van de orthodoxen en de barok uit Rome. Ook de communisten hebben ze overleefd, en op miraculeuze wijze is een groot deel van hun simpele bouwsels zelfs ontsnapt aan de rabiate vernielzucht van Ceaucescu.

Het platteland is minder ontvolkt dan elders in Roemenië. De dorpen zijn als plaatjes uit een exotische Ot en Sien: Jetses in Draculaland. En de grote markt van Sibiu is niet Oostenrijks of Midden-Europees, maar Saksisch.

'Ons accent', zegt Kurt Klemens van het Deutsches Forum, 'lijkt nog het meest op dat van boeren uit de buurt van de Midden-Elbe.' Ik zit vredig op een Saksisch bankje, en tel mijn zegeningen.

'Pas vooral op voor Oekraïne en die oosthoek van Roemenië', heeft iedereen gezegd.

Ik heb het overleefd.

'De grote dreiging is het panslavisme', schreef Frans Josef in de zomer van 1914 aan de Kaiser in Berlijn. 'En Servië moet als machtsfactor op de Balkan worden geëlimineerd.'

Bijna niets wat de oude man gedurende zijn lange leven graag had gewild, is ooit uitgekomen. Dus dit ook niet.

Door het Hongaarse laagland rijd ik tot aan Pecs (toen Funfkirchen) om de ongeëlimineerde machtsfactor heen, op weg naar de laatste, en tamelijk noodlottige territoriale aanwinst die het Habsburgse rijk nog heeft mogen meemaken: Bosnië-Herzegovina.

Bosna-Serai, heette Sarajevo toen nog op z'n Turks. De bevolking (26.000 zielen) was voor tweederde moslim. In Constantinopel hadden ze er al lang niet meer erg naar omgekeken. De Oostenrijkers bouwden er onmiddellijk een militaire academie, en legden een spoorweg aan naar de beschaafde wereld: negentiende-eeuwse passie. De keizerlijke legers moesten er voor zorgen dat de moslims, de Serviërs en de paar Kroaten die in het land woonden, elkaar niet meer telkens de hersens insloegen. En dat de sultan op eerbiedige afstand bleef, in Azië.

Twee maal kreeg de nieuwe provincie hoog bezoek uit Wenen. De eerste keer, in 1910, kwam de keizer zelf. Hij nam parades af, zwaaide uit z'n trein naar Bosnisch volk, en schreef aan Katharina Schratt, zijn hartsvriendin: 'Het gaat allemaal voorspoediger dan ik had verwacht', waaruit kan blijken dat hij er niet helemaal gerust op was geweest. De tweede keer, vier jaar later, kwam de gedreven hertenjager van de familie. Op 27 juni 1914 verzond hij nog een telegram naar de keizer, waarin hij meldde dat het leger zijn plicht deed, en: 'Morgen bezoek Sarajevo.' Daarna zou hij niet meer van zich laten horen.

Nu kun je in Sarajevo een 'overlevingskaart' kopen, die er uitziet als een ganzenbord, met getekende poppetjes die de benen uit hun lijf rennen om aan de kogels van Servische sluipschutters te ontkomen, en waarop rode vuurbollen als in een Kuifje-album aangeven waar het toch mis ging. Uit haat tegen Belgrado hebben ze op de plek waar Frans Ferdinand werd vermoord, de voetafdrukken van de Serviër Princip uit het plaveisel verwijderd. Ik moet iedere keer weer even omschakelen als ik mensen hoor spreken van voor en na de oorlog: ze bedoelen de oorlog van 1992-1995. En ik kan door een haag van veiligheidsagenten en sfor-militairen nauwelijks m'n hotel in, want binnen logeert Kofi Anan, de keizer van de Verenigde Naties. Vrienden nemen me 's avonds mee naar Pale, want daar kennen ze een exquis forellenrestaurant. Half uurtje rijden maar, dan ben je in de Republika Srbska en aan deze kant van de grens (de Huntington-grens?) was altijd al een vervallen koffiehuis, dat nu is opgebloeid als Café Dayton.

Hoe profijtelijk wordt een oorlog als hij eenmaal is afgelopen?

Duizenden gesalarieerde weldoeners doorkruisen het land, overal wordt gemetseld, getimmerd, geloodgieterd en geleidekkerd. Honderden trucks kruipen zwaar beladen met hout en gipsplaat door de ongelooflijk mooie bergen vanwaar het goed schieten en bombarderen moet zijn geweest. Mostar is één grote bouwput, projectontwikkelaars beleven gouden dagen. Aan Habsburg denkt niemand, laat staan met heimwee. Het verleden eindigde gisteren.

Tussen Dubrovnik en Opatija, telkens een uurtje in de zon van de Dalmatische kust waar Frans Josef nog een beetje bang voor was (Turken achter de bergen!), lees ik de briefwisseling tussen de keizer en de vriendin die misschien nooit z'n maîtresse is geweest. In de versie die van Sissy geen kwaad wilde horen, heeft het altijd geheten dat de keizerin na een voorstelling in het Burgtheater waar Schratt voor het eerst aan de keizer werd voorgesteld, met een had gezien dat tussen die twee niet iets onbetamelijks was opgevonkt, maar een spontane, onerotische Seelen verwandtschaft. Waarop ze een society-schilder opdracht had gegeven Schratts portret te schilderen, en een ontmoeting had gearrangeerd in het atelier waar de actrice poseerde. Ze gunde de oude man een nette gezelschapsdame.

Schnitzler had het voor een nieuwe Liebelei bedacht kunnen hebben. Dat was ook het aardige aan het Wenen van die dagen: dat toneel en werkelijkheid onderling zo inwisselbaar waren. 'De Wener', schreef Hermann Bahr, 'heeft altijd een voorbeeld nodig, en daarvoor gaat hij naar het theater. Het theater is geen afspiegeling van het leven, het is omgekeerd.'

In werkelijkheid moet Sissy zich hebben gevoeld als het capricieuze personage in een door haarzelf verzonnen toneelstuk. Ze hing uren per dag aan rekstokken en ringen om mager te blijven, ze haatte het hof waar ze altijd moest aanzitten aan overdadige maaltijden, ze ging op reis om in d'r eentje niet te hoeven eten, en zorgde ten slotte - koppelaarster van Zijne Majesteit - voor haar eigen stand-in. Te genover de mollige Schratt, in haar brieven aan Frans Josef aangeduid met de codenaam 'minister van oorlog', bleef ze de grootmoedige oudere vriendin spelen, maar ondertussen schreef ze (in de trant van de door haar bewonderde Heine) spotgedichtjes over 'die arme, dicke Schratt' die zich elke ochtend in een korset moest snoeren 'dasz alle Fugen krachen.'

Maar niemand in Oostenrijk die haar versjes toen had kunnen lezen, zou er echt van hebben opgekeken: het wemelde van dubbelhartige intriganten in het theaterrepertoire, en ze waren alleen daarom al voorbeeldig. Zo ging het ook in de politiek. 'In ons beleid', schreef honderd jaar geleden een prominente eerste minister van Frans Josef, 'gaat het er om de verschillende nationaliteiten in een evenwicht te houden van goed georkestreerde ontevredenheid'. En dat klonk wel naar Machiavelli, maar als je er Franz Léhar bij dacht, klonk 't ineens als een terzijde uit een vrolijke operette, waarin een valse tenor nou eenmaal nooit mocht ontbreken.

In Wenen staan kranten en weekbladen nog altijd vol van Jorg Haider, zoals ze honderd jaar geleden vol stonden van de pan-germanistische George von Schonerer, die ook antisemiet was, en ook zwoer bij een Oostenrijk van louter Stiermarkers en Tirolers. Hier begon het dus. En hier ging het dood.

Uit duizend mogelijke bedevaartplekken kies ik de Kapuzinergruft op de Neuer Markt, waar 145 Habsburgers, mannen, vrouwen en kinderen, zijn bijgezet.

In de betrekkelijk benauwde kelderruimtes - wat had dat in godsnaam moeten worden als ze na 1918 waren doorgegaan? - liggen ze opgestapeld als in voorname koekblikken, de meesten voorgoed vergeten, een paar nog herinnerd als de dag van gisteren. Voor Frans Josef komen oude vrouwtjes nog elke dag een bosje bloemen brengen. Voor Sissy ook. Voor hun zoon Rudolf, de zelfmoordenaar, minder. Voor Zita, de laatste keizerin, die er tien jaar geleden alsnog bij mocht, weer heel veel.

De verzamelde Habsburgers. Ze regeerden eigenlijk niet over een land of over een rijk, ze regeerden over hun eigen dynastie, als grote, feodale heren die tot in Olmutz en Lemberg, en van Auschwitz tot Sarajevo de trouw van hun leenmannen beloonden en hun ontrouw als het moest bestraften: de laatste ridders van de moderne tijd.

In Bad Ischl stap ik nog even uit, in het landschap dat nergens meer door de intimiderende barok van Kundera is aangeraakt, maar er bij ligt alsof het door Anton Pieck is ontworpen voor een reusachtige Efteling.

Wat heb ik in Bad Ischl te zoeken?

Katharina Schratt.

Van haar is overgeleverd, dat ze op de dag in 1938 dat Hitler langs kwam op weg naar de Heldenplatz, haar Ween se luiken aan de K & ldquor;rtnerring demonstratief liet dichtdoen. Ze was toen vijfentachtig.

In het museumpje van Salzkammergut hangen nog drie van haar toneeljurken, en op het hoofd van de etalagepoppen hebben ze een foto geplakt uit haar gloriejaren.

Vlak voor je het stadje weer uit bent, staat rechts langs de straatweg bovendien nog altijd haar Villa Felicitas. Res taurant geworden, helaas. Maar godzijdank heet het nog wel Villa Schratt.

De eer van het Habsburgse theater is gered.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden