The Great Dictator

Maakte Hollywood in de jaren dertig en veertig vlammende anti-Hitlerfilms of liepen filmmakers juist aan het handje van Hitler? Afgelopen jaar verschenen twee boeken over deze kwestie. In vrijwel niets zijn de historici het met elkaar eens.

'Jodenfilm!' schijnt Joseph Goebbels te hebben geschreeuwd. En dat was blijkbaar het teken. Opeens veranderde de Berlijnse bioscoop waar op 5 december 1930 latere Oscarwinnaar All Quiet on the Western Front werd vertoond in een chaos. Een groep nazi's gooide stinkbommen en niespoeder en liet witte muizen los. Vermeende Joodse bezoekers werden in elkaar geslagen - kort erna werd de anti-oorlogsfilm over de Eerste Wereldoorlog verboden in Duitsland omdat hij beledigend zou zijn voor de Duitsers. 'We hebben ze op hun knieën gekregen', jubelde een krant.


Als de Amerikaanse filmstudio's op dat moment nog dachten dat politiek en film in Duitsland los van elkaar konden bestaan, was dit het moment dat ze zich realiseerden dat ze dat mis hadden. Dit is meteen een van de weinige punten waar historici Thomas Doherty en Ben Urwand het over eens zijn.


Allebei schreven ze een boek over de Duitse bemoeienis met Hollywood vóór de Tweede Wereldoorlog. Dat van Doherty, Hollywood and Hitler. 1933-1939 kwam dit voorjaar stilletjes uit. Dat van Urwand verscheen deze week; vervroegd, omdat alleen de ronkende titel al maanden voor controverse zorgt. The Collaboration. Hollywood's Pact With Hitler heet het, wat meteen insinueert dat de overwegend Joodse Hollywood-bobo's de nazi-politiek actief en weloverwogen ondersteunden. Weg dus met dat beeld van het liberale, activistische Hollywood dat tijdens de oorlog vlammende anti-Hitlerfilms voortbracht als The Great Dictator en daarna nazi's tot een soort oerschurken bombardeerde. Nee, in de jaren dertig, toen het er echt toe deed dus, liep de Amerikaanse filmindustrie keurig aan het handje van Hitler c.s. en werden morele bezwaren rücksichtslos aan de kant geschoven vanwege financiële belangen, zo beschrijft Urwand. Neem dat verbod op All Quiet on the Western Front. In 1932 liet de Joodse Universaloprichter Carl Laemmle, die op dat moment de vernietiging van de Joden na de opkomst van Hitler al voorspelde, de Duitse regering dicteren wat er veranderd moest worden in de film zodat hij alsnog in roulatie kon gaan. Zonde om zo'n grote afzetmarkt door zo'n akkefietje verloren te zien gaan, natuurlijk. Toen bleek dat ongecensureerde versies nog te zien waren in El Salvador en Spanje deed hij excuses uitgaan.


Urwand, die tien jaar lang onderzoek deed in allerlei archieven, ontdekte meer van dit soort pijnlijke verhalen. Joodse medewerkers werden ontslagen; filmmaatschappijen boden aan Joodse namen van de aftiteling te schrappen om de desbetreffende film toch langs de Duitse censuur te krijgen. Door te dreigen alle films van een filmmaatschappij te boycotten in Duitsland, kreeg een speciale nazi-gazant in Los Angeles, Georg Gyssling, soms gewoon 'final cut' en wist hij achter de schermen complete films tegen te houden, nog voor er een centimeter gedraaid was.


Urwand vond een briefje, geschreven in 1938 door de Duitse tak van 20th Century Fox, waarin Hitler vriendelijk werd gevraagd wat hij als de waarde en het effect van Amerikaanse films in Duitsland beschouwde - afgesloten met Heil Hitler!


Hij ontdekte dat het hoofd van de Duitse tak van MGM door het Ministerie van Propaganda werd gedwongen van zijn Joodse vrouw te scheiden - die vervolgens in een concentratiekamp stierf.


Sterker nog: omdat geld niet uit Duitsland mocht worden uitgevoerd, kocht datzelfde MGM obligaties in - onder meer - de Duitse wapenindustrie om zo dat verbod te omzeilen.


Niet zo fraai allemaal.


Maar door zijn verontwaardiging erover, trekt Urwand vergaande conclusies. Bijvoorbeeld over dat laatste. Volgens zijn concurrent Doherty werd die financiële sluiproute de filmmaatschappij aangeraden door de Amerikaanse overheid. Duitsland was op dat moment nog gewoon een bevriende mogendheid.


Dit is het punt waar Urwand vaker de mist in gaat, stellen een aantal van zijn collega-historici, die natuurlijk stevige bijval krijgen van de nazaten van de Joodse Hollywoodbonzen. Hij houdt geen rekening met de tijdgeest, of de mores van de filmwereld van toen. Hij schrijft met tunnelvisie en verzint zo de inhoud van 'verdwenen' brieven. 'Lasterlijk en ahistorisch', noemde Doherty Urwands werk in een reactie in vaktijdschrift The Hollywood Reporter. 'Lasterlijk omdat het een industrie besmeurt die er juist mee worstelde om Amerika het broedende kwaad in Duitsland te laten zien, en ahistorisch omdat het het verleden laat zien door de ogen van nu.'


Zo was volgens Doherty censuur - of het nu om seks of nationalistische gevoelens ging - in die tijd doodnormaal. Een film aanpassen aan de afzetmarkt? Uiteraard, zaken zijn zaken. Werden politieke films niet gemaakt, puur en alleen uit angst voor Gyssling? Nou nee, simpel entertainment deed het aan de kassa veel beter. Bovendien was een groot deel van Amerika nog pro-Duits, en als Joden anti-Hitlerfilms zouden maken, konden ze snel beschuldigd worden van propaganda was de vrees. Daarbij hadden de filmmaatschappijen onderling afgesproken dat een mogendheid alleen 'eerlijk' mocht worden behandeld - wat volgens de Motion Picture Producers and Distributors Association of America (MPPDAA), die dat in de gaten moest houden, bij enige twijfel vooral betekende dat het 'sympathiek' moest zijn.


Bovendien negeert Urwand een groeiend anti-Duits sentiment in Hollywood - wat Doherty prachtig blootlegt met anekdotes over de komst van Leni Riefenstahl naar Hollywood. Laemmle, inderdaad die van Quiet on the Western Front, wist eigenhandig honderden Joden naar Amerika te laten vluchten.


Harvardman Urwand komt met een aantal intrigerende nieuwe en gedurfde feiten uit de Amerikaanse en Duitse archieven - iets waar voorstanders hem om roemen. En Doherty laat zien dat de handelswijze van Hollywoods topmannen de schoonheidsprijs niet altijd verdient. Het is daarom des te fascinerender te zien hoe de twee historici sommige gebeurtenissen compleet anders interpreteren.


Idioot bijvoorbeeld is een briefje dat Gyssling stuurde naar alle medewerkers van The Road Back (1937) - een vervolg op All Quiet on the Western Front - met het dreigement dat zij op een zwarte lijst zouden komen en hun werk in Duitsland nooit meer te zien zou zijn. Volgens Doherty overspeelde hij zijn hand daarmee doordat hij de MPPDAA daarmee tegen de haren instreek. Bij Urwand is het een slim politiek spelletje dat Gyssling speelde, waardoor de zelfcensuur van de filmmaatschappijen alleen maar groter werd.


Als Warner Bros als eerste het kantoor in Duitsland opdoekt, komt dat volgens Urwand doordat Gyssling boos was doordat men niet de geëiste veranderingen had doorgevoerd in de film Captured!; Doherty ziet een link met de mishandeling van hun afgevaardigde in Duitsland, die een paar maanden later mysterieus overleed - vermoord dus, vonden de Warners.


Volgens Urwand streepte Jack Warner onder dwang van Gyssling eigenhandig het woord Jood uit de film The Life of Emile Zola. Volgens Doherty is die film - ook zonder dat woord - een allegorie voor de Jodenvervolging die iedereen destijds begreep. Een slimme manier om de productiecode rondom andere mogendheden te omzeilen, een van de eerste daden van cinematografisch verzet die de weg baande voor de eerste expliciete anti-nazifilm: Warners Confessions of a Nazi Spy (1939). 'Gezien de restricties van die tijd heeft Hollywood meer dan welke andere bedrijfstak zijn best gedaan het alarm tegen nazisme te doen afgaan. Het is geen verhaal van collaboratie, maar van verzet', zo schrijft hij in een kritiek op Urwands werk.


Dat is misschien ook wel weer wat kort door de bocht. En jammer. Want wie de twee boeken naast elkaar legt, ziet dat een zwart-witdiscussie ze te kort doet. De ontdekkingen van Urwand vullen het relaas van Doherty interessant aan, en hij zet scherpe kanttekeningen. Samen met Doherty's visie op de mores van de filmindustrie in die tijd en diens bevindingen, schetst Urwands werk een complex decennium in grijstinten.


Thomas Doherty, Hollywood and Hitler, 1933 - 1939. Columbia University Press, 2013


Ben Urwand, The Collaboration: Hollywood's Pact With Hitler. Belknap Press, 2013


Collaboratie

Het woord collaboratie heeft historicus Ben Urwand zelf niet op de samenwerking tussen de nazi's en de filmstudio's geplakt. Herhaaldelijk vond hij het woord 'Zusammenarbeit' in de archieven terug. Urwand vergelijkt wat de filmstudio's deden met de politiek van Amerikaanse bedrijven als IBM en General Motors, met één belangrijk verschil: 'Ze waren niet gewoon distributeurs van goederen, maar leveranciers van ideeën en cultuur. Ze hadden de kans de wereld te laten zien wat er werkelijk aan de hand was in Duitsland.'


Hitler als Filmcriticus

Hitler keek elke dag een film in zijn privécinema. Hij koos onder het eten een titel en tussen acht en negen begon de film. Tijdens de film zweeg hij, maar daarna gaf hij direct zijn mening, die haastig werd genoteerd door zijn adjudanten. Die notities vond Ben Urwand in een archief.


Het levert een interessant beeld op van Hitler als filmcriticus.


De films waren volgens hem goed, slecht, of hij liet de vertoning stoppen om wat voor reden dan ook. Hitler was dol op Laurel & Hardy - 'veel leuke ideeën en slimme grappen', liet hij noteren over Block-Heads.


Zijn favoriete actrice was Greta Garbo ('alles valt in het niet bij de grote, afzonderlijke kunst van deze goddelijke vrouw', aldus Hitler over Camille). Tarzan vond hij slecht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden