The English Patient

Over twee weken is Engeland gastheer van de Olympische Spelen. Terwijl het land zich presenteert als succesnatie, schetsen Britse schrijvers een land van hebzucht en getatoeëerde aso's.

Capital van John Lanchester en Lionel Asbo van Martin Amis hebben een opmerkelijke overeenkomst. In beide boeken worden mensen rijk zonder ervoor te hoeven werken. In Capital zijn enkele personages (virtueel) miljonair geworden door de explosief stijgende huizenprijzen. 'Het bezitten van een huis in Pepys Road was', schrijft Lanchester, 'net zoiets als een bezoek aan een casino waar je altijd wint.' Lucratief bezit van onroerend goed is niet iets waar Amis' antisociale hoofdpersonage Lionel Asbo, woonachtig in een goedkope huurflat op zoveel hoog, zich mee bezighoudt. Hij wordt van de ene op de andere dag multimiljonair en nationale bekendheid door het kopen van het juiste staatslot.


De jacht op rijkdom en beroemdheid is, zo beweren Lanchester en Amis in zoveel woorden, schering en inslag op het eiland. Voor de 62-jarige Amis was het zelfs een reden als culturele vluchteling naar Amerika te verhuizen, in de verwachting dat het daar beter is. Vanaf de daken van zijn duplexwoning in Manhatten schreeuwt hij regelmatig over de Atlantische Oceaan hoe verschrikkelijk de 'State of England' is, zoals dan ook de ondertitel van zijn jongste roman luidt. Het leven in Engeland is nooit een feest geweest in de ogen van Amis. Dat bleek eind jaren tachtig al met zijn grote roman London Fields, een ijzig portret van thatcheriaans Londen, een wereld van hebzucht en moreel verval. Maar in ieder geval nog zonder de verfoeide celebritycultus van nu.


Wat London Fields een kleine kwart eeuw geleden was, dat is nu Lanchesters Capital: een Zeitgeistroman over de Britse hoofdstad. Het decor is er een stuk minder ruig, foute kroegen met zuur bier hebben plaatsgemaakt voor trendy cafés met frappuccino's. Het onbarmhartige individualisme is alleen sterker geworden. Om dat aan te tonen volgt Lanchester de levens van enkele Londenaren ten tijde van de economische crisis. Zijn personages hebben met elkaar gemeen dat ze in dezelfde straat wonen, de fictieve Pepys Road in Zuid-Londen, gelegen in een stadsbuurt welke door makelaars en gemeenteambtenaren wordt aangeduid als 'village'. Beetje bij beetje nemen bankiers en andere nieuwe rijken de Victoriaanse woningen over waarin vroeger gewone bankbedienden woonden. In deze buurt praten bewoners niet zozeer meer over het weer, als wel over de laatste tussenstand van de stijgende huizenprijzen. Alles en iedereen is te koop.


Bij Lanchester is niet alleen Londen, maar ook de klassemaatschappij multicultureel geworden. De minder vermogenden in Capital zijn de immigranten: van de Hongaarse oppas, de Zimbabweaanse parkeerwachter tot de Poolse bouwvakker. De blanke arbeidersklasse schittert door afwezigheid, of het moet de 83-jarige Petunia Howe zijn, die nog steeds woont in het huis waarin ze geboren is. Dit gegeven is typerend, in die zin dat de leden van de blanke arbeidersklasse een beetje de vergeten mensen van de Britse maatschappij zijn. Ze doden hun tijd (en soms elkaar) in arbeidersbuurten waar steeds meer bewoners zonder (officiële) arbeid zijn komen te zitten. Rechts en links zijn ze ingehaald door nijvere immigranten.


De white working class is de demografische groep waar Amis' hoofdpersoon Lionel Asbo toe behoort, het neefje van Keith Talent uit London Fields. Asbo is niet zijn oorspronkelijke achternaam, maar een afkorting voor anti-social behaviour order, een strafmaatregel die Tony Blair had ingevoerd voor mensen die auto's in de brand steken, in de brievenbus van hun overburen pissen, illegaal afval dumpen of zich anderszins beschuldigen aan kleine criminaliteit. Echter, de aso's gingen hun asbo als een alternatieve militaire onderscheiding zien. Het eerste wat Lionel deed toen hij meerderjarig werd, was het veranderen van zijn achternaam. Lionel Pepperdine heette voortaan Lionel Asbo.


Deze naam sloot beter aan bij de draaideurcrimineel die met zijn neefje Desmond en twee bloeddorstige pittbulls de denkbeeldige Oostlondense kansenwijk 'Diston' onveilig maakt. De kale Asbo komt uit een grote, disfunctionele familie waarin het moederschap traditiegetrouw rond het 12de levensjaar begint. 'Loyonoo' klust wat hij als loshandige deurwaarder, veracht instellingen voor hoger onderwijs, is een autodidact op strafrechtgebied, beschouwt de gevangenis als een buitenhuis en leest, bekijkt, een krant waarin ontblote fotomodellen de opinieleiders zijn. Hij drinkt veel, maar raakt nooit dronken. Lionel is wat de Engelsen een 'Yob' noemen, het omgekeerde van Boy.


In een wijk als Diston, op discusworp afstand van het Olympisch Park, is van de arbeiderstrots van weleer weinig meer over. De straten liggen vol zwerfvuil, internetporno doet dienst als seksuele voorlichting en mensen kliederen niet alleen graffiti op muren maar ook op hun eigen lichamen. Ontsnappen wordt steeds moeilijker, zo merkt ook de leergierige Desmond. Door deze uitzichtloosheid voelen John Lennons working class heroes van weleer zich nu antihelden voor wie een asbo een vorm van maatschappelijke erkenning is. 'No one likes us, we don't care', zingen de voetbalsupporters van de Zuidlondense arbeidersclub Millwall niet voor niets.


De meeste politici hebben niet de minste interesse in hun sores of stemmen en richten zich exclusief op de ongrijpbare kiezers in de middenklasse. Zelden komen volksvertegenwoordigers in de arbeidersbuurten en als ze er zich vertonen weten ze niet hoe snel ze weer weg moeten gaan. 'What's up?' vroeg een politicus ooit aan een oudere blanke dame in een Londense Vogelaarwijk. 'Well, that's up!' kaatste ze terug, wijzend op een verrotte matras en een televisietoestel in de voortuin van haar buren. De armoede in deze contreien is niet eens zozeer financieel alswel immaterieel van aard. In sloppenwijken van de opkomende ontwikkelingslanden is precies het omgekeerde het geval.


De geestelijke armoe is een stokpaardje van de cultuurpessimist Theodore Dalrymple die als gevangenisarts jarenlang te maken heeft gehad met de Lionel Asbo's van Birmingham en nabije omgeving. Over deze ervaring heeft hij het veelbesproken boek Life at the bottom: the world view that makes the underclass geschreven. Daarin laakt hij zijn voormalige cliënten vanwege hun onwil of onvermogen iets van hun leven te maken, maar de hardste kritiek bewaart hij echter voor de intelligentisa die volgens hem aan de basis van de ellende heeft gestaan door goedbedoelde, maar funeste ideeën op gebieden als onderwijs, volkshuisvesting en sociaal beleid.


Diezelfde intelligentsia deinst er niet voor terug om de spot te drijven met de Burberry-dragende yobs, asbo's en chavs. Komedies als Little Britain en Shameless bewijzen dat de leden van de lagere sociale milieus de enige etnische groep die in Engeland zorgeloos kan worden beledigd. Volgens Dalrymple is dit snobisme en bovendien nog misplaatst ook.'Vuig gedrag in onze maatschappij blijft niet beperkt tot de 5 procent aan de onderkant, maar is wijdverspreid. Kijk maar eens naar de lieden die stomdronken en kotsend over straat waggelen. Dat zijn niet zozeer de leden van de 'underclass', alswel die van de middenklasse.' Het symbool van het morele en maatschappelijke verval is volgens Dalrymple, die op veilige afstand in de Franse Provence woont, de heersende celebritycultuur. 'Dat is één groot eerbetoon aan het banale, het gevolg van cultuurrelativisme en abominabel onderwijs.'


Amis lijkt de analyse van Dalrymple in romanvorm te hebben gegoten. Hij gaat verder dan het schetsen van een ironisch beeld van de Lionel Asbo's in ons midden door een flodderiaanse wending in zijn boek aan te brengen. Asbo wint opeens 139.999.999,50 pond in de Staatsloterij. Door deze nieuw verworven rijkdom verwerft hij de status van nationale beroemdheid. Om de berichtgeving van zijn triomftocht langs vijfsterrenhotels goed te laten verlopen, heeft Asbo zelfs publiciteitsmedewerkers ingehuurd. Zo symboliseert hij de hedendaagse versie van krantenjongen tot miljonair, maar dan zonder de gebruikelijke tussenkomst van noeste arbeid. De stiekeme affaire die neef Desmond heeft met zijn 24 jaar oudere grootmoeder Grace is een knipoog naar Wayne Rooney, over wie het gerucht gaat dat een geheel verzorgde reis naar een wat oudere prostituee tot de cadeaus voor zijn 16de verjaardag behoorde.


Rooney en de collega-voetbalmiljonairs kunnen tenminste nog goed voetballen, wat niet kan worden gezegd van Britten die zonder waarneembaar talent zijn uitgegroeid tot celebrities wier faam aanmerkelijk langer houdbaar is dan het kwartiertje van Warhol. De democratisering van de roem is onder meer te danken aan het succesvolste Nederlandse exportproduct na tulpen, Leerdammer kaas en Dennis Bergkamp. Endemols Big Brother heeft vermogende 'celebrities' opgeleverd als (wijlen) Jade Goody, Essex-girl Chantelle en de rondborstige Jordan, wier spookgeschreven bijdragen aan het literaire canon Amis bij wijze van veldonderzoek heeft gelezen. Andere sluiproutes naar roem en rijkdom zijn het winnen van de loterij, het binnenslepen van een zescijferige schadevergoeding voor het uitglijden over een witte druif op een supermarktvloer en vreemdgaan met profvoetballers, acteurs, zangers, ministers danwel leden van de koninklijke entourage.


Als enfant terrible van de Engelse letteren - een eretitel die ook pa Kingsley droeg - heeft Amis zelf genoeg ervaring opgedaan met de roddelpers, die hij trouwens op schrandere wijze gebruikt als er, zoals nu, een nieuwe boek onder de aandacht moet worden gebracht. Vrijwel wekelijks komt de Lionel Asbo van Literair Engeland in het nieuws met opvallende uitspraken, bijvoorbeeld over de knappe wijze waarop zijn vrouwelijke collega's seksuele handelingen beschrijven of het intellectuele gehalte van de familie-Windsor.


De rode draad in zijn klaagzang is de vulgaire en geseksualiseerde tijdgeest, waarin het verheffingsideaal is vervangen door het lezen van glamournieuws en jonge meisjes ervan dromen celebrity te worden. De roman lijkt te gaan over de leefwereld van Lionel Asbo, maar in werkelijkheid gaat het over de manier waarop de nihilistische subcultuur van Lionel Asbo zich heeft verspreid naar de rest van de Britse maatschappij.


In Dickens' voetsporen

Met hun 'state of the nation'-romans leveren Lanchester en Amis een bijdrage aan een genre waarin Engelse schrijvers auteurs van oudsher meesters in zijn. Jonathan Coe (The Rotters club, What a carve up!, The perfect circle), Tim Lott (Rumours of a hurricane), Alan Hollinghurst (The line of beauty) en Sebastian Faulks (A week in december) zijn allemaal in de literair-journalistieke voetsporen van Charles Dickens getreden, de chroniqeur van de Victoriaanse armoede.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden