Terug

Naar de plekken van de jeugd. Deze week: Carry Slee (53), schrijfster. Ze groeide op in Amsterdam-West. 'Die benauwde sfeer, je kreeg geen lucht.'..

tekst caspar janssen ; fotografie jurgen huiskes

Ze wordt er weer benauwd van. Voor anderen is de Reinier Claeszenstraat misschien een gemiddelde straat in Amsterdam-West, voor Carry Slee is het een beladen, onveilige omgeving waar ze een 'vreselijke' jeugd beleefde. Nog niet eens zozeer op straat, want daar kon ze ten minste nog met vriendinnetjes spelen, maar wel binnenshuis, waar haar geesteszieke moeder en haar onbetrouwbare en ontactische vader een benauwenis creëerden die haar nu nog koude rillingen bezorgt.

Het huwelijk van haar ouders was de eerste vergissing in een lange rij. De moeder van Carry Slee was zeventien, mooi, naïef, ziekelijk en afhankelijk. Haar moeder vond het wel een goed idee dat haar dochter trouwde met de kleermaker bij wie ze net in dienst was getreden. Want de kleermaker hield van kaarten, net als zij en haar man. En haar dochter was toch te naïef om zelf een keus te maken. De kleermaker was getrouwd, maar hij viel als een blok voor de fysieke schoonheid van dat meisje van zeventien. Concre ter: hij viel voor haar lange, golvende haren en, zoals oma wist, voor het 'familiewapen', haar borstpartij. De kleermaker liet zijn vrouw er grif voor in de steek. Dat zijn nieuwe vrouw een depressieve aanleg had, dat wist hij nog niet. Het huwelijk was al snel slecht en zou alleen maar slechter worden. 'Ze gaven elkaar één keer per jaar een zoen, op oudejaarsavond. Daar keek ik lang van tevoren naar uit, dat vond ik zo mooi. Maar het was natuurlijk een grote poppenkast.'

Ze hoorden er niet, in de Reinier Clae s zenstraat, vond Carry Slees moeder. Maar vaders kleermakerij in Amsterdam-Zuid was failliet gegaan en het gezin moest naar een goedkopere woning in West. Daar kwamen de neuroses van moeder Slee tot volle wasdom. 'Ze bracht honderdduizenden angsten op ons over.' Kinderen uit de buurt mochten het huis niet in, die brachten maar bacteriën mee. En als Carry bij andere kinderen thuis ging spelen, wat eigenlijk niet mocht, dan waarschuwde haar moeder dat ze daar niet naar de wc mocht, vanwege de bacteriën van de wc-bril. Ze drukte haar kinderen op het hart om iedereen in de buurt te wantrouwen, dat deed ze zelf ook. Carry Slee wijst op een hoekhuis. 'Daar was een groentewinkel. We mochten er niets kopen, want ze verpakten de groenten in kranten en dat was niet hygiënisch, volgens mijn moeder.'

'We waren nooit veilig', zegt ze. 'Je kon nooit naar bed gaan en denken: lekker slapen. Je dacht altijd: wat zal er nu weer gebeuren? Mijn zus en ik waren waakzaam. Er waren altijd dreigingen. Mijn ouders konden ruzie krijgen, ik was bang dat mijn moeder gek werd, dat ze zich ophing. Dat zei ze ook vaak: ”Ik ga aan het gas liggen”. Ik moest voor mijn moeder zorgen, dacht ik, omdat zij het niet kon. Mijn moeder was eigenlijk te gevoelig voor het leven, ze kon het niet aan, ze had geen weerwoord. Maar in huis draaide alles om haar. Wij konden niet zijn wie we wilden zijn.'

Haar ouderlijk huis: een kleine bovenwoning met kleine kamertjes. 'Die kleine kamertjes, die benauwde sfeer, je kreeg geen lucht.' Een van die kamertjes werd door haar vader in gebruik genomen als naai-atelier, nadat hij weer eens failliet was gegaan. Dat verergerde de situatie thuis nog eens. Haar moeder was niet bestand tegen de gebekte naaisters die, in haar ogen, bezit namen van hun huis. Toen ze haar man op een dag betrapte met een van de dames op de bank in de huiskamer, was het drama compleet. 'Mijn vader was in alle opzichten lichtzinnig. Daarom ging hij ook altijd failliet. Dan kocht hij weer te veel stoffen in en ging het weer fout. Hij maakte zich daar helemaal niet druk om. Hij was altijd optimistisch en vrolijk. Hij zei: ”Ach, over honderd jaar hebben we allemaal een paardenkop.”

'Mijn vader was geliefd bij de mensen. Hij had gevoel voor humor en barstte van de energie. En hij werkte hard. Maar hij had ook een moeilijk verleden. Op jonge leeftijd is hij in een weeshuis geplaatst en daar is hij eigenlijk nooit overheen gekomen. Alle liefde die hij in zijn leven had gemist moesten wij, als kinderen, invullen. Dat kun je natuurlijk helemaal niet als kind. Daarom was hij altijd in ons teleurgesteld. Hij gebruikte mijn zusje als een soort psycholoog. Ze maakten lange wandelingen en dan kreeg zij alles te horen. Mijn zusje was al op jonge leeftijd een soort moeder voor mijn vader. Ze hadden een hele intieme, een ongezond intieme relatie.'

Intussen was hij Carry's moeder ontrouw. 'Hij was licht ontvlambaar. La ter begreep ik dat hij zijn ex-vrouw altijd is blijven zien. Mijn moeder was daar weer door geobsedeerd. Ze schakelde mijn oma en later een detective in om hem te schaduwen. En dan werd hij prompt betrapt.'

Van zijn kinderen verwachtte hij dat ze zich gedroegen naar het beeld dat hij van ze had. 'Hij behandelde mij als een jongetje. Dat zei hij ook altijd: ”Ik heb een zoon en een dochter.” Ik zag er heel jongensachtig uit; kort haar, jongensachtige kleding. Later, toen ik eenmaal ongesteld was geworden, zei hij: ”Ik heb een mooie en een lelijke dochter.” Voor mijn zusje was het ook niet makkelijk. Omdat ik iets schoffie-achtigs had, kon ik goed overweg met de buurtkinderen en met de vrouwen in het atelier. Maar mijn zusje was heel serieus en rustig. Zij kon die vrolijke, vlotte rol niet spelen.'

De fietsenstalling, een paar huizen verder in de Reinier Claeszenstraat, bestaat nog steeds. De jonge Carry mocht hier de dochter van de beheerder helpen met fietsen sjouwen en ze wijst waar ze de petroleum bijvulde voor de klanten. Af en toe liet de vriendin, verscholen achter de fietsenrekken, haar borsten zien die ze dan mocht aanraken. Totdat Carry haar op een keer heel harts tochtelijk wilde zoenen, dat was nou ook weer niet de bedoeling. De ontdekking dat ze zich aangetrokken voelde tot meisjes, maakte de verwarring nog groter. 'Eerst moest ik een jongetje zijn, toen moest ik opeens een meisje zijn omdat ik ongesteld was geworden en nu bleek, nog heel halfslachtig, dat ik op vrouwen viel. Ik was helemaal in de war. Voor mijn vader was het allemaal een spel geweest, maar het was wel een heel dom spel.'

De taxi naar de Reijnier Vinkeleskade in Am sterdam-Zuid. Het gemeentelijke lyceum voor meisjes van toen is nu de Joke Smit-school voor volwassenenonderwijs. Een school zoals je een school voorstelt, statig en klassiek. Met zicht op het water. Ze paste niet op de meisjesschool, want ze hield van voetballen en alles waar jongens van hielden, maar toch voelde ze zich er gelukkig. 'Ik dacht soms: was dit maar een kostschool, dan hoef ik niet naar huis. Tegelijkertijd was ik heel lastig. Ik kon geen minuut stilzitten, ik concentreerde me niet, ik wilde opvallen, aandacht trekken.'

Ze trok veel op met de docenten. Het was een sociale school waar de leraren zich betrokken voelden bij het welzijn van de leerlingen. Carry begon te fantaseren over leraressen die haar moeder wilden zijn. Met instemming van haar ouders ('Mijn moeder zei altijd: ”Praat maar niet tegen mij”) trok ze voor langere tijd in bij haar tekenlerares die aan het Singel woonde. Hier voelde ze zich thuis. 'Het voelde als familie. Ik ging voor haar en haar zoontje door het vuur.'

Ze beschouwde de lerares als haar nieuwe moeder en ze was ervan overtuigd dat de lerares (Eva in haar laatste boek Dochter van Eva) haar ook als dochter zag. Het zou uitmonden in de pijnlijkste fase van haar leven. Toen ze Eva onaangekondigd opzocht in haar vakantiehuis in Frankrijk, reageerde die koel en boos. 'Ze zei: ”Je weet toch dat ik dat niet wil.” Ik was niet welkom. Toen viel alles stuk. Ik denk dat ik toen echt dood wilde.'

Eenmaal thuis - ze woonde inmiddels op kamers - bleef ze dagenlang op bed liggen. Niet lang daarna kreeg ze een zwaar brommerongeluk. 'Ik reed suïcidaal rond op die brommer. Niet dat ik bewust een ongeluk kreeg, maar het zat er wel dichtbij. Ik reed rond met het idee: ik wil er niet meer zijn.'

In het ziekenhuis ontmoette ze Arnout. Arnout studeerde aan de Rietveld Academie en had een baantje in het ziekenhuis. Ze praatten honderduit over kunst, over hun ouders ('hij had ook een geesteszieke moeder'), over van alles. Eenmaal uit het ziekenhuis werden ze vriend en vriendin. Ze woonden zes jaar samen, totdat ze de echte passie voelde bij haar huidige vriendin.

En haar fantasieën over surrogaatmoeders verdwenen. Zoals ze schrijft in Dochter van Eva: 'Want ook al kon mama geen moeder zijn: ik was haar dochter.'

Vanaf die tijd kon het leven alleen maar meevallen. 'Ik ben sindsdien een gelukkig mens.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden