Terugkeer van de testosteronheld

Met John Rambo keert deze week opnieuw een ruige actiefilmheld uit de jaren tachtig terug in de bioscoop. Niet vreemd: Amerika kampt met vergelijkbare problemen als in de tijd van Reagan....

Ergens in een klein Thais dorpje in de jungle woont een zwijgzame man die giftige slangen met zijn blote handen vangt. Een gespierde veteraan die met pijl en boog kan vissen. ‘John’ noemt een jonge, blonde zendelinge hem consequent.

Als een vergeten held, zo wordt jaren-tachtig-symbool Rambo in John Rambo gepresenteerd. ‘Dus je bent na Vietnam gewoon hier gebleven?’ vraagt de vrijwilligster, die blijkbaar nooit heeft gehoord van zijn wraakmissies in Amerika, Vietnam en Afghanistan. Dat complete bevolkingsgroepen ooit zijn naam scandeerden en hij bekend stond als de verlosser – in de Rambo-films én in de werkelijkheid – is voor een nieuwe generatie geschiedenis.

Logisch: avonturen zoals van Rambo leken gedoemd tot vergetelheid. Ondanks hun vroegere enorme populariteit voelden ruige mannen als Rambo, Rocky, John McClane (Die Hard) en Indiana Jones net zo jaren tachtig als beenwarmers, The A-team en Ronald Reagan. Iconen, dat wel, maar definitief verleden tijd. Hun plaats is ingenomen door gladde types als Matt Damon, Tom Cruise en Tobey Maguire.

En plotseling, binnen een jaar, keren ze stuk voor stuk terug in de bioscoop. Die Hard 4.0, met een hoofdrol voor de 52-jarige Bruce Willis, ging deze zomer in première en bracht meer geld op dan de vorige delen. Rocky Balboa, die vorig jaar in de bioscopen draaide, was minder succesvol – maar de hilarische taferelen van een 60-jarige bokser met artritis, waarover critici zich vooraf al verkneukelden, bleken uit te blijven. Vorige week werd de eerste trailer van de vierde Indiana Jones-film vertoond, met een 65-jarige Harrison Ford in de hoofdrol. En na Rocky keert de 61-jarige Sylvester Stallone deze week ook als Rambo terug in de Nederlandse bioscopen.

Is het nostalgie naar ouderwetse spierkracht, nu lichamen met de computer bewerkt kunnen worden? Een behoefte aan echte stunts, zónder computertechnieken? De vierde Indiana Jones speelt er in elk geval op in: Harrison Ford is misschien minder gespierd dan zijn actie-collega’s, maar doet net als vroeger zo’n 70 procent van zijn eigen stunts, zo werd al vroeg in de media benadrukt.

Er lijkt dus in eerste instantie weinig veranderd in twintig jaar. De acteurs doen zich zo onverwoestbaar voor als hun hoofdpersonen. Stallone houdt zijn shirt in John Rambo opvallend genoeg aan – geen opzichtig vertoon van biceps als in de eerdere delen – maar net als Rocky Balboa, Die Hard 4.0 en (iets gematigder) de nieuwe Indiana Jones houdt de film zich keurig aan de bekende formule van de jaren-tachtig-actieheld: één individu behaalt een onmogelijke overwinning met een combinatie van slimmigheid en kracht.

Het was een aanpak die bijvoorbeeld toenmalig president Ronald Reagan aansprak. ‘Jongen, ik heb gisteren naar Rambo gekeken’, zei hij tijdens een persconferentie na de vrijlating van 39 in Libanon gegijzelde Amerikanen in 1985. ‘Nu weet ik wat ik volgende keer moet doen als dit gebeurt.’

Het is geen toeval, dat deze harde testosteronbommen opkwamen tijdens Reagans regeerperiode, en daarna ook weer verdwenen. Zo klinkt de consensus onder filmhistorici die de het fenomeen ‘actiefilm’ bestuderen. In haar invloedrijke studie Hard Bodies: Hollywood Masculinity in the Reagan Era (1993) onderstreept Susan Jeffords hoe Reagan zich graag houthakkend en paardrijdend liet fotograferen. Zowel de president als de filmsterren lieten Amerika zien wat een echte man was, betoogt ze. Een die vastberaden en blakend gezond is. Een die – als het moet – de zaken zelf wel opknapt. Ook al zijn de oplossingen, bijvoorbeeld bestaand uit het wegblazen van hele bevolkingsgroepen, niet geliefd.

Gezien de populariteit van Reagan en acteurs als Sylvester Stallone en Arnold Schwarzenegger speelde dat in op een behoefte in het Amerika van de jaren tachtig. Na de nederlaag in Vietnam, de als zwak en inactief afgeschilderde president Carter en al het getut van de vrouwenbewegingen, bleken de blanke Amerikaanse mannen weekdieren geworden – zo vond bijvoorbeeld Rambo in First Blood. Verkeerd begrepen, gehaat om zijn uiterlijk, getergd en opgejaagd door de plaatselijke sheriff van een klein dorp, besluit de Vietnamveteraan terug te vechten. ‘Het was mijn oorlog niet’, huilt hij gefrustreerd aan het einde van zijn destructieve tocht. ‘Ik heb alles gedaan om te winnen. Maar iemand liet ons niet winnen. Kom ik terug, staan die slappelingen op het vliegveld. Ze protesteren, bespugen me en noemen me baby-moordenaar.’

Zijn woorden echoën in de standpunten van Reagan. ‘De onvermoeibare, gespierde en onoverwinnelijke man werd niet alleen het embleem van zijn presidentschap, maar ook van zijn ideologie en economische beleid’, schrijft Jeffords. Ook Reagan speelde vaak de rol van terugvechtend slachtoffer. Ook hij vond dat de thuisblijvers Vietnam verkwanseld hadden. En ook hij is onmiskenbaar patriot – maar heeft een afkeer van een overdaad aan regels en bureaucratie. Dat kweekt immers zwakkelingen, en een zwakke natie.

Die zwakkelingen zijn dan ook veelvuldig te zien in de actiefilms. In First Blood struikelen Rambo’s tegenstanders – ielige mannen met buikjes in uniform – door de natuur, mopperend over gladde stenen. Die Hard bestaat aanvankelijk uit pogingen van superagent John McClane om de alarmdiensten op de hoogte te stellen van een gijzeling, maar dat mislukt telkens doordat er door de opgelegde regeltjes niet meer zelf wordt nagedacht. Zelfs als er een lijk valt op die ene politieauto die toch een kijkje moet nemen, denkt men aan een ongelukkige bankier die zich van de flat heeft gegooid.

Het zijn vooral de vervolgfilms waarin de mannen steeds onoverwinnelijker, opgepompter en minder emotioneel worden. In First Blood huilt Rambo nog en valt er één slachtoffer, een foutje eigenlijk. In Rambo 3 vallen er 132 doden, en in John Rambo maar liefst 236. En zo kan het vervolg op een film die nog gebaseerd was op een anti-oorlogsboek als First Blood opeens vol komen te staan met oorlogsrethoriek: ‘Wie is hij, God soms?’ ‘Nee. God heeft compassie.’

De actiehelden gaan hoe langer hoe meer de onoverwinnelijke natie symboliseren. Dat zij het vleesgeworden Amerika zijn geworden, is vooral duidelijk in Rocky IV (1985). Waar de gevoelige bokser zich in het eerste deel nog omhoog knokte vanuit een underdogpositie, verslaat hij hier eigenhandig het communisme – in de vorm van bokser Ivan Drago – en wikkelt zich vervolgens in een Amerikaanse vlag.

Het is subtiel als een kanonskogel: dit soort eenvoudige verhouding tussen goed en slecht werd na Reagan en de Koude Oorlog minder geaccepteerd. Hoewel het prototype harde actieheld nooit is weggeweest, was het een afgezwakte vorm. Mission Impossible-held Ethan Hunt (Tom Cruise), Jason Bourne (Matt Damon) uit de Bourne Trilogy en ook Spiderman (Tobey Maguire) zijn even onoverwinnelijk. Maar zij kunnen alleen held zijn omdat ze er zo van de buitenkant niet uitzien. In een normaal pak kunnen ze gemakkelijk in de menigte verdwijnen. De spierkracht die ze hebben, is er alleen omdat een sixpack nu eenmaal prettig oogt: hun onmogelijke stunts zijn mogelijk door computertechnieken.

En nu zijn de oude spierbundels opnieuw opgestaan. Niet voor niets staan de titels van hun laatste films op zichzelf en krijgen geen vervolgnummer mee (Die Hard 4.0 werd in Amerika uitgebracht als Live Free And Die Hard). Het moet benadrukken dat het nieuwe films voor een nieuwe generatie zijn. Tegelijkertijd zijn de titels wel zó bekend voor de oude fans, dat de gimmick van de bijna bejaarde acteurs in hun eerdere rollen alleen al de kassa moet laten rinkelen.

Voor de acteurs zelf is het logisch, een terugkeer naar de rollen uit hun glorietijd. Een verkapt afscheid misschien. Bij de personages past een terugkeer ook: in Rocky Balboa voelt de oude bokser ‘het beest’ nog in zich. Rambo heeft oorlog nu eenmaal in zijn bloed, zo leert hij in John Rambo. En McClane speelt de held ‘omdat niemand anders het doet’.

Ook politiek gezien klopt de timing. Verhalen over één man tegen alle terroristen werden sinds 11 september 2001 pijnlijk ontmaskerd als cinematografische mythe. In de praktijk bleek niemand iets uit te kunnen halen tegen terroristen die flats opblazen (zoals in Die Hard, 1988), vliegtuigen kapen (Die Harder, 1990) of aanslagen plegen op New York en op metrostations (Die Hard: With a Vengeance , 1995).

Het is geen wonder dat Willis destijds serieus verklaarde nooit meer in een actiefilm te willen spelen. Of dat gewone families, soldaten en brandweermannen de hoofdrol overnamen in rampenfilms (War of the Worlds, World Trade Center). En dat de nieuwe actiehelden als Ethan Hunt en Jason Bourne vooral voor zichzelf vechten, om te overleven in een schimmige geheimedienst-achtige omgeving, die ontoegankelijk is voor gewone mensen – al overlapt deze regelmatig de ‘echte’ wereld. Het zijn films die geen droomscenario bieden voor de werkelijkheid, maar juist een vlucht eruit.

Maar nu, een paar jaar na 9/11, zijn ‘Irak’ en ‘Afghanistan’ in chaos weggezakt. Amerika lijkt de zaak al lang niet meer onder controle te hebben. Opnieuw groeit de behoefte aan een sterke man die het allemaal kan oplossen, al is het op het witte doek.

Des te opvallender is het verschil met eerdere films waarin Rambo, Rocky en McClane hun opwachting maakten: de afwezigheid van recente gebeurtenissen. Waar Vietnam en de Koude Oorlog vaak letterlijk een rol speelden in de films uit de jaren tachtig, kiezen de makers nu een relatief veilige route.

In Die Hard 4.0 komt het gevaar van computerterroristen. Gevaarlijker dan religieus terrorisme, benadrukken de makers expliciet. Maar eerlijk is eerlijk: geen Amerikaan zal hackers noemen als het grootste gevaar voor Amerika. Net zozeer als de situatie in Birma de meesten koud zal laten – hoe zeer Stallone ook benadrukt dat de situatie daar heel ernstig is en dat het de bedoeling is daar met de geweldsorgie in John Rambo de aandacht op te vestigen. ‘Als Rambo Osama bin Laden in een wurggreep zou nemen, hem naar het Oval Office sleept en hem in de schoot van de president werpt, zou dat een belediging zijn voor de Amerikaanse troepen’, zei Stallone, die de film ook schreef en regisseerde, in een interview op cultweblog Ain’t It Cool.

Dat klinkt allemaal nobel. Maar, zo voegt Stallone toe, ‘tot nu toe heeft elke film die de situatie in het Midden-Oosten als onderwerp neemt gefaald, omdat mensen het te pijnlijk vinden om naar te kijken.’ Winst, natuurlijk, is toch een van de belangrijkste drijfveren.

Neemt niet weg dat de films wel degelijk iets willen zeggen over de hedendaagse Amerikaanse maatschappij. De nieuwe actiehelden gaan letterlijk in gevecht met de moderne tijd. Rocky vecht tegen een slappe verwende regerend kampioen, die er met zijn dure auto, flatscreen-televisie en blingbling eerder uitziet als rapper dan als sportheld. Zijn tegenstanders verslaat hij met gemak, wat eerder het bewijs is van hun zwakheid dan van zijn kracht. Die Hard 4.0 richt zich tegen moderne technieken waar de moderne mens steeds meer van afhankelijk is. Iemand als McClane, die helikopters met een auto uit de lucht kan schieten, is de enige die de cyberterroristen kan stoppen. Computerdeskundigen ten spijt. Pas op voor de vertrutting, zeggen deze films nog steeds. Ze zijn dus nog steeds op te vatten als pleidooien voor de ouderwetse actieheld.

Maar deze mannen geven wél duidelijk het stokje door aan nieuwe generatie. ‘Je bent een opwindhorloge in een digitaal tijdperk’, zegt iemand tegen agent McClane. Net als Rocky bewijst hij in Die Hard 4.0 tegelijkertijd dat hij nog mee kan doen, maar wel ruimte biedt aan een nieuwe generatie – in de vorm van een jonge wizzkid en zijn dochter. En hoewel er over de plot van de nieuwe Indiana Jones nog weinig duidelijkheid is – jaren vijftig, iets met Russen en/of aliens – lijkt Fords rol verschoven van eeuwige zoon naar vader. Dat de jonge Shia LaBeouf écht Indy’s zoon speelt, wil alleen nog niemand die aan de film meewerkte bevestigen, aldus een artikel deze week in Vanity Fair.

In John Rambo is de nieuwe generatie vertegenwoordigd door een groepje naïeve missionarissen die de arme mensen in Birma wil helpen met medicijnen en gebed. Dat de softe aanpak al direct faalt en de brute krachtpatser – die nog zó gewaarschuwd had – de gelovigen moet komen redden, lijkt ondanks het ontbreken van woorden als Al Qa’ida, Irak of Afghanistan een statement over de Amerikaanse politiek.

Maar het zijn de idealen van diezelfde softe christenen die het kille, ongelovige hart van Rambo leren hopen op verandering. ‘We gaan ze weer helpen!’, klinkt het na afloop op het slagveld van afgerukte ledematen dat de oud-veteraan heeft gecreëerd. De geboren vechtmachine Rambo keert naar huis – plaatsmakend voor de zachte diplomatiek? Of juist om de boel daar eens op orde te brengen?

‘Sly’ heeft al laten weten een vijfde Rambo wel te zien zitten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden