Terugkeer naar het Brabant van weleer

De adellijke familie de Mérode wil haar domein tussen Westerlo en Averbode verkopen aan het Vlaamse Gewest. De gemeenten zien perspectieven wenken voor de toerist; dat Elsschot en Claes hier hun sporen hebben nagelaten zal zonder twijfel extra volk kunnen trekken....

Dat was toen, en nog langer geleden. Inmiddels zijn de meeste boeren hier, op de grens van het bultige Hageland en de glooiende zuid-Kempen, allang zelf eigenaar van hun landerijen. Groendal was in werkelijkheid trouwens het gehucht Blauberg.

De actualiteit is dat de adelijke familie de Mérode, waarvan een tak zich nog verschanst in het statige kasteel van Westerlo - voorzitter prins Alexandre de Mérode van de medische commissie van het Internationaal Olympisch Comité is een verre verwant - nu ook afstand zal doen van zo'n vijftienhonderd hectare aan bospercelen, tussen Westerlo en de kloeke abdij van Averbode. Nu nog grotendeels verboden terrein, slechts toegankelijk voor de jager, straks misschien domein voor de fietser, de wandelaar en de ruiter. Voorlopig heeft de familie maar één gegadigde voor de aankoop uitgekozen: de Vlaamse regering.

'En om hem heen laaide de schone zon over de verre beemden, kriepten de weidekrekels met hun schor erbarmelijk stemmetje en geurden klaver- en koekoeksbloem onder het lage gras, en boven zijn hoofd hingen de lome blaren van de elzenstruik te snakken van de warmte. Om de Witte zijn slaap waakten en zongen al de mooie dingen van het leven.'

Uit: De Witte, Ernest Claes, 1920.

Niet dat Luc Vervoort, beleidsmedewerker van de Vereniging Natuurreservaten, erop uit is de tijden van de Witte van Zichem, de jonge Vlaamse deugniet uit de jeugdherinnering van Claes, weer te laten herleven. Ook zal hij niet graag de boeren van Elsschot weer deemoedig met de pet in de hand zien staan voor de passerende adel, zoals op oude zwart-wit foto's nog is afgebeeld die in sommige etablissementen aan de wand hangen.

Maar iets van de terugkeer van het Brabant van weleer, dat zou toch heel aardig zijn, vindt hij. En dan doelt hij vooral op de panorama's van toen, vrijer zicht op de welvingen van het land. Hier en daar zijn ze er al. Op een plek in het bos wijken de schrale stammetjes van Corsicaanse dennen voor een open plek, waar hei en bosbes de bodem bedekken. Aan de rand, waar de begroeiing dunner wordt, en ruwe berk en jonge eiken opschieten, schemert het wit van enkele boerderijen.

'Zoiets bedoel ik', zegt Vervoort. 'Dit is oud-Brabant.'

Natuurreser-vaten hoopt op het beheer van het gebieden. De betrokken gemeenten zien perspectieven wenken voor de toerist; dat Elsschot en Claes hier hun sporen hebben nagelaten zal zonder twijfel extra volk kunnen trekken.

Kronkelende weggetjes door de omliggende landerijen voeren hier en daar langs de bosrand, maar vrijwel overal stuit de passant nog op de bordjes 'privaat domein'. Ook omwonenden wagen zich er zelden in. Alleen jagers hebben er vrij spel en speciale wachters met de buks vol hagel zien erop toe dat geen stroper ze van hun privilege berooft.

Maar voor de jager komt het gevaar nu uit andere hoek: als Natuurreservaten het beheer krijgt toegewezen is het onmiddellijk afgelopen met dat volgens de natuurbeschermers nodeloze geknal op het wild. Dat jaagt ook nog eens de recreant de stuipen op het lijf. De boeren in de buurt zijn er ook niet helemaal gerust op. Hun bedrijfsvoering zal er met de dictaten van die ecologisten niet eenvoudiger op worden, vrezen ze.

Het Brabant van weleer was onder de regie van de Mérodes een beetje in de verdrukking geraakt. De oorspronkelijke loofbossen maakten in de negentiende eeuw plaats voor dennenbomen: snelgroeiend, rechte stammen en derhalve zeer geschikt voor het stutten van de ondergrondse gangen van de Kempense steenkoolmijnen. De aanleg van grachten en het doorsteken van het reliëf tussen de bekkens van de rivieren Demer en Nete beroofde het gebied van biologische rijke vennen.

Maar de mijnen zijn inmiddels al decennia dicht, en daarmee wegen de inkomsten niet meer op tegen de gestaag stijgende onderhoudskosten van het bos. De boeren zelf doen het ook niet meer. Vroeger kapten ze om niet nog wel eens hout dat ze gebruikten voor hooiruiters of de broodoven.

Dat het bos niets meer opbrengt is rond de dorpspomp van Westerlo de meest gehoorde verklaring voor de voorgenomen verkoop. De bewoners van het kasteel zelf doen er het zwijgen toe. De buitenwereld mag niet eens weten wie er nu nog precies wonen.

Naar de reden van de zwijgzaamheid is het dan ook gissen. Naar verluidt heerst er over dit onderwerp onmin in de familie. Of de adellijke telgen nog veel te zeggen hebben over de transactie is trouwens de vraag. De exploitatie van de bossen is in handen van twee vennootschappen, waarvan de Mérodes slechts een minderheid van de aandelen bezitten.

'Je kunt zeggen dat het zo'n beetje de laatste terugtrekkende beweging van de familie is uit het openbare leven van Westerlo', zegt Luc Vervoort. De adel is uitgewaaierd over en buiten België. De binding met de streek is verdwenen. Wat rest zijn, naast het kasteel en het park, nog een handjevol buitenverblijven, het patroon van brede dreven - aangelegd door wijlen Jan Filips Eugeen de Merode (1674-1732), die ooit droomde van een klein Versailles in Westerlo - en talrijke straatnaamborden die eraan herinneren dat de Mérodes het hier lang voor het zeggen hadden, vanaf het jaar 1488 om precies te zijn.

De gegadigde voor de aankoop, het Vlaamse gewest, maakt zich hand in hand met de vereniging Natuurreservaten op voor het herstel van de domeinen. Naar Vlaamse normen is een aangesloten groengebied van meer dan duizend hectaren tamelijk uitzonderlijk. Vervoort waarschuwt wel: als het Vlaams gewest niet overgaat tot aankoop, zullen de Mérodes het Averbodebos en omliggende percelen in delen gaan verkopen; dan zou van een samenhangende aanpak geen sprake kunnen zijn.

De natuurbeschermers popelen. 'Dit is een enorme opportuniteit', schrijft Natuurreservaten in een rapport. Afgezien van de uitgestrektheid, is het gebied ook waardevol door het ontbreken van wateraanvoer van buitenaf. De vroegere vennen en moerasgebieden werden gevoed door water dat van de hoger gelegen gedeeltes naar beneden sijpelde. De combinatie van stuifzand en duinen met vochtige dalen leidt in potentie tot zeer uiteenlopende vegetatie.

Maar de beplanting met naaldhout, de drainering voor productiedoeleinden, en de aanleg van een dicht net van wegen om de gekapte stammen snel te kunnen afvoeren, heeft er een tamelijk monotoon geheel van gemaakt.

Volgens Luc Vervoort is de oorspronkelijke waterhuishouding zonder al te veel inspanningen te herstellen. Van sommige vennetjes zijn de contouren nu nog terug te vinden. En waar al dennen zijn gekapt, regenereert het loofhout wonderbaarlijk snel. Op basis van oude kaarten, meent de stichting dat een kwart van het gebied open terrein moet worden, en driekwart loofbos.

Uiteindelijk, leert het scenario van Natuurreservaten, zal er iets van de biotoop van Ernest Claes' rakker De Witte kunnen terugkeren.

'Witte', zongen de rode hanebloemen, de blauwe vergeet-me-nietjes, de witte madelieven, de purpere klaverbol en de paars koekoeksbloem. 'Witte jongen, rust en slaap in de kleur en de geur van het zomerland.

'Witte', zongen zelfs het nederige sprietelgras, de gele ratel, hondsribbe en distel, bies en lis, 'Witte jongen, 't is maar eens lente, 't is maar eens zomer.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden