Terug naar het land der acacia’s

Het is vrede in Zuid-Soedan en dus keren de duizenden vluchtelingen uit Oeganda terug naar huis. Terug naar de rode aarde waarde voorvaderen begraven liggen....

De oude, blinde man houdt van Jezus. Dat weten we, want hij draagt een pet met het opschrift ‘I * Jesus’. Hij is voor Afrikaanse begrippen stokoud, hij telt 75 jaren en hij heet Kolomba Lakwa. Ruim twintig jaar geleden vluchtte Kolomba voor het oorlogsgeweld weg uit het zuiden van Soedan, weg uit het dorp Kerepi. Sindsdien woonde hij in het vluchtelingenkamp Adjumani, in het noorden van Oeganda.

Maar vandaag, op een mooie februaridag, gaat hij terug, samen met zijn drie zonen en dochter, samen met zijn vrouw Veronika en de kleinkinderen. Terug naar huis, terug naar Kerepi, vlakbij de Nijl, daar waar het leven ooit goed en vruchtbaar was – tot de Arabieren uit het vijandige noorden kwamen.

Maar voordat Kolomba vandaag in de witte bus van de Verenigde Naties kan stappen, voordat hij écht terug mag naar de rode aarde waarin zijn voorvaderen begraven liggen, moet hij eerst in een tent van VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR met 417 andere terugkerende vluchtelingen luisteren naar VN-medewerkers, die vertellen dat hij recht heeft op gratis voedsel voor drie maanden. Kolomba knikt, ze zullen dat eten hard nodig hebben totdat ze zelf kunnen oogsten.

Kolomba hoort ook dat zijn familie NFI’s (VN-jargon voor Non Food Items) verstrekt krijgt: dekens, slaapmatten, een olielamp, emmers, jerrycans, muskietennetten, zaaigoed, landbouwgereedschap, hygiënische doeken voor de vrouwen tussen de 13 en 49.

Kolomba – blauwe slippers, groen shirt, leunend op zijn stok, de lege ogen half dicht – luistert passief in de snikhete tent. Hij veert pas op als iemand komt vertellen hoe hij straks, als hij weer thuis is, landmijnen moet herkennen. Ik ben blind, zegt hij, hoe kan ik mijnen dan herkennen? Ik bemerk zo’n ding pas als ik er op stap! Hij krijgt er de lachers mee op zijn hand.

Kolomba luistert even later verbaasd naar een verpleger die de repatrianten in de tent komt uitleggen hoe, in de strijd tegen aids, het vrouwencondoom werkt. Waarna de jongeren zich lacherig verdringen rond de dozen waaruit gratis condooms worden verstrekt. Doe mij maar een doos, zegt er een vol bravoure.

Kolomba zucht als de tent leegstroomt en hij alleen achterblijft, met zijn ‘I * Jesus’-pet en zijn stok. Zijn zonen bekommeren zich buiten om de bagage die ze uit Oeganda meenemen. De bezittingen die ze vergaard hebben gedurende een verblijf van twee decennia in Adjumani, de drie geiten die ze in een grote VN-truck mochten laden, de twee Chinese fietsen die natuurlijk ook mee moesten.

Nu zit Kolomba hier alleen met zijn gedachten, maar als zijn zonen klaar zijn in de mêlee buiten, als ze gaan vertrekken, dan komen ze hem wel halen. Een oudere wordt hier, in Afrika, met respect behandeld.

Vele tientallen jaren duurde de burgeroorlog tussen het noorden en het zuiden van Soedan. Een verwarrend lange strijd was het, simpelweg gezegd tussen het Arabische noorden rond hoofdstad Khartoem en het christelijke zuiden. Twee miljoen slachtoffers vielen er te betreuren. Miljoenen Zuid-Soedanezen ontvluchtten hun land. Ze trokken naar Congo, Kenia, Egypte, Ethiopië, Oeganda, of nog verder weg, zoals Valentino Achak Deng, de ‘Lost Boy’ uit What is the What, het boek van Dave Eggers, die via Kenia naar de Verenigde Staten ging.

Kolomba ging minder ver. Hij trok in 1986 weg, nadat Kerepi was aangevallen en zijn bezittingen waren geplunderd en een dochter was gedood. Sindsdien woonde hij in het noorden van Oeganda, waar zijn kleinkinderen werden geboren en naar school gingen en waar het leven best goed was. Maar als vluchteling kon je verder geen kant op en dus is het nu, nu het vrede is, tijd om naar huis terug te gaan.

Met militaire precisie heeft de UNHCR de operatie van de terugkerende Soedanezen opgepakt. Op het kantoor van de VN-organisatie in de zuidelijke hoofdstad Juba word je overladen met statistieken, met prognoses, met staafgrafieken.

In totaal zijn er nog 261.418 Soedanese vluchtelingen in de buurlanden van Soedan. Het grootste aantal woont in kampen in Oeganda: 145.090. Dit jaar moeten daarvan ruim 41.000 terugkeren, zegt Bhairaja Panday, een opgewekte Nepalees die de baas is van de UNHCR-operatie in Zuid-Soedan. Met 800 tot 1.200 per week komt hij aardig in de richting van dat target, in overweging nemend dat straks, na maart, het regenseizoen aanbreekt, en de toch al slechte wegen onberijdbaar worden.

Is het, luidt de vraag aan Panday, eigenlijk wel veilig voor de terugkerende vluchtelingen? Het is af en toe nog flink onrustig in het zuiden van Soedan, waar resten van het Oegandese Verzetsleger van de Heer (LRA) ondanks een ophanden zijnd vredesakkoord her en der nog dood en verderf zaaien, en waar ook nog andere schimmige, wellicht door ‘Khartoem’ aangestuurde groepjes rebellen rotzooi schoppen.

Ja, één aanval van zo’n bende op een konvooi met repatrianten en de hele operatie komt in gevaar, zegt Panday. Maar daar wil hij helemaal niet aan denken. Laten we het vooral zonnig bekijken. Als het lukt, als de vluchtelingen in Zuid-Soedan een veilig thuis aangeboden kan worden, in een land dat in 2011 door een referendum mag besluiten of het als onafhankelijke natie verder wil, dan ben je hier getuige van een succesverhaal.

De gedachte alleen al doet Bhairaja Panday glimmen.

Gisteren al zijn Kolomba en zijn 417 lotgenoten vertrokken uit het zo vertrouwde Adjumani. De eerste paar kilometers gingen niet ver, naar een transitkamp nabij de Nijl, nog steeds in Oeganda. Daar werden de families medisch gecheckt, kreeg iedereen malariapillen, paracetamol en ibuprofen. Daar ook werden de returnees met een digitale camera gefotografeerd en hun gegevens in een VN-laptop opgeslagen. Als dat allemaal achter de rug was, dan volgde de kwalificatie Fit To Travel op het uitreisformulier.

Vandaag is het echt zover. Kolomba rijdt in het konvooi van witte UNHCR-bussen de rommelige grens over nabij Nimule, voor het eerst terug in het eigen land. Welcome to the New Sudan, staat er op een bord net voorbij de grensrivier. Een ander bord meldt dat we vooral uit moeten kijken voor landmijnen, die nog steeds overal liggen. De blinde Kolomba ziet het allemaal niet, maar hij hoort aan de enthousiaste geluiden, aan het gezang, aan de klikkende tonggeluiden van de vrouwen, dat hij weer terug in Soedan is.

Vertel me wat je ziet, zegt hij tegen zijn zonen. Stof. Soldaten van het nieuwe zuidelijke leger. Plastic afval. De hutjes van Nimule, een uit zijn kluiten gewassen grensstad. Een magere koe die aan de rand van de weg geslacht wordt. Ouderen die in een kring onder een boom rechtspreken. Bergen in de verte. De spiegeling van het water in de Nijl.

Dat allemaal zien zijn zonen.

Het is al laat, de weg naar Kerepi is slecht, dus worden de 418 repatrianten nóg een nacht in een transitkamp ondergebracht, net voorbij Nimule. Een laatste nacht in een kamp, zegt Kolomba Lakwa, terwijl zijn dochter hem liefdevol uit de bus naar een vaalgrijze tent leidt. De geiten en de schapen in de VN-trucks mekkeren – zijn we er nou nog niet?

De volgende dag. Over de bergen voert de weg, over de rivier de Achwa, waar soldaten verveeld het konvooi voorbij zien komen. Ik ruik mijn land, zegt Kolomba, hier was ik jong, hier ging ik met mijn oom vissen in de Nijl, hier gingen we jagen, hier wist ik precies waar ik drinkwater kon vinden.

Zijn zonen en dochter luisteren en kijken stilletje naar buiten, naar dat onbekende land, met her en der acacia’s, zo gewild vanwege hun Arabische gom. Zij zijn hier weliswaar geboren, maar als peuter weg gevlucht. Ze hebben slechts vage herinneringen aan oorlogsgeweld, aan vliegtuigen die clusterbommen uitwierpen. Het mooie van dit land kennen ze alleen uit de verhalen van vader.

Of ze blijven – ze denken van niet. Zeker, ze zullen de komende weken helpen een tukul te bouwen voor vader en moeder, maar dan gaan ze weer terug, naar Oeganda, om verder te leren, om leraar te worden, of arts. Pas als ze afgestudeerd zijn gaan ze definitief terug, naar het nieuwe Soedan, vanaf 2011 hún eigen land.

Rond twee uur in de middag, de zon staat onbarmhartig hoog in de hemel, draaien de witte bussen Kerepi binnen. Gezang in de bussen, weer dat geklak van vrouwentongen. Eerder teruggekeerde vluchtelingen staan te wachten langs de weg. Ze juichen en applaudisseren.

Velen van hen die al eerder terugkeerden wonen nog steeds in tenten van UNHCR-plastic. Slechts enkelen die wat geld hebben zijn al tukuls aan het bouwen. 1.500 lemen stenen, ’t liefst gebakken, heb je er voor nodig, plus 50 bundels lang gras en 5 bundels bamboe. Met 450.000 Oegandese shilling kom je een heel eind; nog geen 200 euro, maar hier toch een godsvermogen.

Rechts van de weg staat een groot bakstenen huis, een écht huis, in aanbouw. Een succesvolle ‘Lost Boy’, die terugkeerde uit Canada. Je hebt vluchtelingen en vluchtelingen.

Chaos als de vijf bussen leegstromen en de verhuisspullen, de geiten, kippen en schapen uit de vier VN-trucks worden geladen. Zijn zonen en dochter laten Kolomba alleen achter in de bus, ze zijn hem even vergeten, ze zijn op zoek naar hun spullen.

Aan zijn stok leid ik Kolomba naar buiten. Ik zet hem neer op een opgerolde matras onder een mangoboom te midden van de spullen van de familie, vergaard tijdens twee decennia ballingschap – de fietsen, de maalstenen, het zaaigoed, de potten, de radio, de olielamp, de gestreste geiten.

Als hij zit, zegt de blinde man met de ‘I * Jesus’-pet: ‘Thuis.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden