Terug naar die kust

Het massatoerisme heeft de Costa Brava in een halve eeuw voorgoed veranderd. Hoe? Paul Onkenhout keerde na 46 jaar terug in La Fosca.

Op 26 juli 1965 om 19.10 uur begint in de Haarlemse Van der Vinnestraat een reis die door mijn ouders met enige zorg tegemoet wordt gezien, vanwege de afstand tot de bestemming en de ontberingen die ons zonder twijfel gaan treffen. In de jaren zestig ligt de Spaanse Costa Brava niet aan de andere kant van de wereld, maar veel scheelt het niet.


We zijn op het ergste voorbereid. Onze regenjassen, kaplaarzen en truien liggen in de achterbak, want de vorige vakantie, in een houten huisje (De Parel) op Schouwen-Duiveland, is goeddeels verregend. Ook al wordt dan gezegd dat in Spanje de zon altijd schijnt, je weet het maar nooit.


De Opel Rekord is volgeladen met potten pindakaas, 'campingmargarine' in blik, thee, koffie, jodenkoeken, hagelslag en - van het allergrootste belang voor een gezin met jonge kinderen - blikken appelmoes. De volgorde op de achterbank is zorgvuldig bepaald. Om te voorkomen dat de broers elkaar de hersens inslaan, worden we gescheiden door mijn zusje. De jongste broer, een jaar toch al, is achtergebleven bij opa en oma. (In 1966 en 1967 mag hij wel mee. Meneer Moors van de garage heeft, heel handig, een krukje gemaakt dat precies tussen de stoelen van mijn ouders past.)


Voor in de auto zitten mijn ouders gezellig te roken. Om 21.00 uur wordt Zundert bereikt, koffie gedronken en getankt ('8 liter'). Europa is nog groot, Spanje onbekend terrein. Het ligt niet alleen voorbij België, ook Frankrijk komt nog, een kolossaal land met weinig autowegen, zoals de stroken asfalt worden genoemd en, zo blijkt, met echte files. 's Nachts probeert de ene ouder te slapen en rijdt de andere.


Het is ploeteren, voor de Opel Rekord. Uit een aantekening in het fotoalbum: '8.15 uur: Chateauroux, uur oponthoud voor montage schokbreker.' We zijn twaalf uur onderweg. Om 16.00 uur, 21 uur na het vertrek uit Haarlem, wordt Cahors bereikt, waar we de nacht doorbrengen. Eén overnachting in de auto wordt voldoende geacht. We hebben 1.139 kilometer gereden en in spanning toegekeken hoe de teller in de buurt van Limoges van 39.999,9 draaide naar 40.000,0.


Het massatoerisme komt op gang en wij zijn de representanten van de nieuwe tijd. De welvaart is toegenomen, de vrije tijd ook. Een jaar later zal wettelijk worden bepaald dat iedere Nederlander recht heeft op betaald verlof.


Spanje komt dichterbij. De Costa Brava is al in de jaren vijftig ontdekt door toeristen, maar krijgt pas in het volgende decennium te maken met grote aantallen buitenlandse bezoekers. Ze nemen voor lief dat Spanje wordt geregeerd door een fascistische generalissimo, Francisco Franco. Maar dat begrepen we allemaal pas later.


Wij negeren Franco en zijn kliek en bereiken twee dagen na het vertrek uit Haarlem, op 28 juli 1965, een verzameling huizen, een handjevol schamele winkeltjes, velden vol bamboe, één bar, een strand, rotsen, een paar onverharde wegen, vissersbootjes, een baai als een ansichtkaart, waterfietsen en een zee die, in tegenstelling tot de onze, echt blauw is: La Fosca, een nietig dorpje op een paar kilometer afstand van Palamós.


Bij meneer Yesares zijn per briefwisseling kamers gehuurd. We verblijven in het achterste deel van Bar Pujol waar, hoogst exotisch, 's avonds hele kippen tegelijk worden gebraden en Spaanse mensen op het terras neervlijen om in een wonderlijke taal gesprekken te voeren en vreemde drankjes te drinken, terwijl ze glimlachen naar de kinderen uit Nederland.


Elke ochtend spuit meneer Yesares de zandweg nat die Bar Pujol scheidt van het strand, om stofwolken te voorkomen. Meneer Yesares is een vriendelijke man. Hij zegt ons altijd gedag en we mogen de koelkast van het restaurant gebruiken. In de bar worden lolly's verkocht die geen lolly's heten, maar Chupa Chups. Buitenlandse kinderen zijn er nauwelijks, op het strand van La Fosca. Als we, een keer in de week, boodschappen doen in Palamós, zwaaien en toeteren we enthousiast naar de spaarzame andere Nederlandse auto's. Iedereen doet dat, zo hoort het hier.


's Ochtends spelen we op het strand, 's middags ook, en tussen de middag eten we op het binnenplaatsje achter Bar Pujol boterhammen met pindakaas en hagelslag. We drinken er smerige melk bij en zijn snel gewend aan de verbaasde blikken van de langslopende Spanjaarden die dat niet vaak zien, kinderen die om half een 's middags boterhammen met pindakaas en hagelslag eten. Sommigen komen dichterbij, beginnen een praatje wat door een gebrek aan wederzijdse talenkennis op niks uitdraait en werpen verbaasde blikken op het tafereel.


's Avonds kookt mijn moeder in het kleine, snikhete keukentje iets met aardappelen; Spaanse, dat wel. We eten er appelmoes bij. Wanneer wij in bed liggen, drinken mijn ouders koffie op het terras van Bar Pujol en soms een drank die sangria wordt genoemd.


En zo rijgen de dagen zich aaneen, op het strand van La Fosca. Zwemmen in de blauwe zee, een tochtje met een waterfiets van Padro Pedalo, een wandeling naar het winkeltje achter het bamboeveld, wespen te lijf gaan met de laatste restjes uit de flessen sodawater die achter Bar Pujol zijn opgeslagen: meer is het niet, de vakantie aan de Costa Brava, maar het is meer dan genoeg en het regent nooit. En er staat een schommel, op het binnenplaatsje, vlak bij onze kamers en het keukentje; een groene, ijzeren schommel.


Bar Pujol heet inmiddels Bar Restaurant Pujol en staat bekend om zijn formidabele visgerechten. Alleen de voorzijde is veranderd. De zandweg is afgesloten voor het verkeer. Achter het huis is alles bij het oude gebleven. Op het binnenplaatsje achter de bar staat een groene schommel van een halve eeuw oud.


Op het strand van La Fosca spelen kinderen en verhuren de kleinzoons van Padro Pedalo waterfietsen en parasols. Het kerkje van het dorp aan het strand is onveranderd, de uiteinden van de baai ook. Het achterland is bebouwd, maar met enige zorgvuldigheid. Alleen in het linkerdeel van de baai is de sfeer van weleer verdwenen, door de bouw van appartementen en hotels. Tussen de bomen liggen tientallen villa's. Op het strand is het net zo druk als het vroeger alleen op een zondag was.


Meneer Yesares is elf jaar geleden overleden. Zijn vrouw leeft nog en woont in het huis achter de schommel, samen met een dochter, Rosamaria. Een zoon, Manel, is de uitbater van Bar Pujol. Als hij de albums van de drie achtereenvolgende vakanties in La Fosca van de Nederlandse familie bekijkt, stromen de tranen over zijn wangen. Picasso's, noemt hij ze vol ontzag, de fotoboeken.


We zien weer hoe de kippen worden gebraden, de kinderen boterhammen eten met pindakaas en hagelslag, poseren voor een zwaarbeladen ezel, glunderen op een waterfiets van Padro Pedalo en spelen in het zand voor Bar Pujol. Zonder abrupte overgang vloeit de tijd ineen. Manel ziet hoe zijn vader, zoals elke ochtend, de zandweg nat spuit, vlak voor de plek waar twee van zijn eigen kinderen de toeristen bedienen in een kleine bar op het strand.


Het verhaal in La Fosca van de familie gaat ver terug, vertelt Manel, drie generaties zelfs. Een grootvader, een zakenman uit Bagnoles, kocht na een mislukt avontuur in Argentinië van zijn laatste geld een stukje grond in Palamós en liet daar een pension op bouwen. Tijdens een bombardement van de nationalisten van Franco op de haven van Palamós in de Spaanse Burgeroorlog, eind jaren dertig, werd ook het pension zwaar getroffen.


De grootvader verkocht de grond en trok naar La Fosca, een dorpje aan zee met een paar huizen en een kerk. Voor de bar en het kleine hotel koos hij de achternaam van zijn vrouw, Pujol.


Trots laat kleinzoon Manel de bar zien. Alle muren zijn bedekt met zijn schilderijen; kleurrijke schilderijen waarop de zee en het strand nooit ver weg zijn en geen mens te bekennen is. Op zijn iPhone toont hij foto's van zijn motor en zijn kinderen. Op de site van Pujol is Manel 'artista i restaurador' - in die volgorde.


La Fosca is niet veranderd, zegt zijn zus Rosamaria, maar de mensen wel. De saamhorigheid is uit het dorpje verdwenen. De oorspronkelijke bewoners zijn oud, of dood, en de massaliteit van het toerisme heeft de ziel van de Costa Brava onherstelbaar veranderd.


Iedereen gaat tegenwoordig op vakantie, ook mensen zonder geld en zonder opleiding, en zonder respect voor de cultuur en de plaatselijke bevolking. Ik voel het verschil, zegt ze. Het leven in La Fosca is ontegenzeglijk comfortabeler geworden, voor bijna iedereen, maar de ethiek is, zoals in heel Spanje, veranderd - en niet ten goede.


Rosamaria is cynischer dan haar broer, en somberder. Misschien komt het doordat ze in een hotel in Palamós werkt, het stadje dat zich voor een deel heeft overgeleverd aan de wansmaak van het massatoerisme, 2 kilometer verderop slechts, maar veel drukker en sjofeler. Ordinairder, zegt Rosamaria. Ze verlangt naar vroeger.


Drie vakanties brachten we door in La Fosca, in het kleine pension van meneer Yesares. De zon scheen, de zee was blauw en de melk vies. We maakten wespen dood met sodawater, meneer Yesares spoot de zandweg nat en schoof een rij kippen in de grill en tussen de middag aten we boterhammen met pindakaas en hagelslag.


Die eerste keer vertrokken we op 12 augustus uit La Fosca, om 19.15 uur. Ruim 24 uur later waren we weer in de Van der Vinnestraat. Met de Opel Rekord hadden we in totaal 3.280 kilometer gereden, 260 liter benzine getankt en 1 liter olie nodig gehad.


De rekening bedroeg 5.360 pesetas, voor 16 dagen. '5 personas y cocina a 335 pesetas por dia', schreef meneer Yesares in een keurig handschrift op een klein stukje papier.


Vertier tot het ochtendgloren

De Costa Brava is meer dan een volgebouwde, ruim 200 kilometer lange kuststrook in Catalonië, waar brallende Engelsen en hordes jongeren uit de rest van Europa in hippe disco's tot het ochtendgloren hun vertier zoeken. Het kan, feesten in het Oranje Café in Lloret de Mar of patat met een kroket eten in Kootjes Eetcafé, maar er zijn meer dan voldoende alternatieven.


Het achterland is ongerepter en rustiger dan het imago doet vermoeden en de uitlopers van de Pyreneeën zijn binnen een paar uur bereikt. In plaatsen als Platja d'Aro, Blanes, Rosas en Lloret de Mar is het druk, vol en lelijk, maar niet overal heeft de revolutie van het massatoerisme het oorspronkelijk karakter van de streek verwoest. Het kan ook anders, blijkt in El Port de la Selva, Cadaqués, Tamariu, Begur, Llafranc, Calella de Palafrugell, Empuriabrava en Aiguafreda.


Pas in 1908 kreeg de Costa Brava zijn naam, dankzij de Catalaanse schrijver-dichter Ferran Agulló. In een krantenartikel noemde hij de naam voor de eerste keer. De 'ruige, wilde kust' werd in de jaren vijftig van de vorige eeuw ontdekt door, vooral, Franse toeristen. In de jaren zestig kwam de stroom uit Nederland op gang.


'We lijden aan het toerisme'

'Hoewel we inmiddels van deze mensen afhankelijk zijn, hebben we een ontzettende hekel aan ze. Waarom? Omdat we het ze kwalijk nemen wat ze ons aandoen. Ik heb maar één troost.'


'En dat is?'


'Dat het niet zo kan doorgaan. Het is een soort ziekte, een infectie. Vroeger leden we aan de pest. Nu lijden we aan het toerisme, maar net als elke andere ziekte gaat het uiteindelijk wel over.'


Maar ze bleven komen, de toeristen, en het werden er meer en meer.


Niemand beschreef de veranderingen aan de Costa Brava van binnenuit mooier, geestiger en met meer compassie en respect dan de Brit Norman Lewis in Stemmen van de oude zee (Eldorado Reizen, slechts 12,50 euro). Hij schreef het boek eind jaren tachtig, veertig jaar nadat hij drie zomers had doorgebracht in een afgelegen en geïsoleerd vissersplaatsje. In Farol, een verzonnen naam, is hij getuige van de aantasting van de eeuwenoude cultuur en de opkomst van het toerisme, de ruzies met een buurdorp, de ontberingen van de vissers en de komst van buitenstaanders die de balans volledig verstoren.


'Is de gedachte wel eens bij je opgekomen dat wij dinosaurussen zijn? Een uitgestorven soort? Kan het zijn dat wij het positieve van een verandering niet kunnen accepteren?'


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.