Terug naar de welvaartsstaat

Het gepraat over werkloosheid heeft veel weg van een gebedsmolen. Blijft over: het selectiever maken van de sociale zekerheid. Volgens Kees Schuyt is dat alleen geloofwaardig als er echt werk wordt gecreëerd....

KEES SCHUYT

DE behoefte aan verzorging, vooral bij ouderen, zal blijven toenemen, terwijl de financiële mogelijkheden voor staatsverzorging zullen blijven afnemen. Jongeren zullen feitelijk en financieel oudere generaties moeten blijven ondersteunen, terwijl op dit moment de verzorgingsstaat aan vele jongeren geen baan, inadequate onderwijsvoorzieningen en slechte pespectieven biedt. De toekomst van de Nederlandse verzorgingsstaat is afhankelijk van de mate waarin ze er in zal slagen de bestaande verzorgingssystemen drastisch te veranderen en te revitaliseren, opdat in reële noden en verzorgingsbehoeften, die zullen blijven bestaan, op een fatsoenlijke wijze kan worden voorzien.

De noodzakelijke veranderingen in systemen van de verzorgingsstaat komen voor een deel neer op het terugkeren naar de eerste uitgangspunten, namelijk het voorzien in de ergste noden voor een beperkt aantal door pech of rampspoed getroffenen. Dat betekent een grotere selectiviteit in de toedeling van door de staat betaalde steun.

Daaraan voorafgaand of tenminste gelijktijdig dient een zeer krachtig werkgelegenheidsoffensief te zorgen voor meer werk als bron van welvaart en welzijn. Want het terugdringen van een beroep op de arrangementen van de verzorgingsstaat lukt niet alleen gemakkelijker als er meer werk is, maar is dan ook veel beter te rechtvaardigen.

De oorspronkelijke doelstellingen van de hervorming van de sociale zekerheid, zoals die in het rapport-Van Rhijn in 1945 waren geformuleerd, waren even simpel als sober: een bescheiden uitkering voor wie het echt nodig heeft met gelijktijdig behoud van ieders verantwoordelijkheid om in het eigen onderhoud te blijven voorzien. Rechten en plichten waren vanzelfsprekend in evenwicht. In deze eerste naoorlogse periode sprak men nog niet van verzorgingsstaat, maar gewoon van welvaartsstaat.

De omslag van welvaartsstaat naar verzorgingsstaat, tussen 1962 en 1968, is wellicht meer dan een loutere naamgevingskwestie. In het begrip verzorging werden veel meer verwachtingen ondergebracht (bijvoorbeeld in de associatie met een pension met volledige verzorging) en het besef dat er op een hoog peil van welvaart geleefd werd, verdween naar de achtergrond. Welzijn moest de welvaart vervolmaken door naast de directe noden veel meer subjectieve wensen van mensen (Den Uyls leuke dingen) onder het regime van de verzorgingsstaat te brengen: huursubsidie, professionele hulp, studiefinanciering voor iedereen, welzijnsbevordering.

Een terugkeer van het gebruik van de term welvaartsstaat als de meest realistische beschrijving van de huidige Nederlandse situatie is daarom geboden. Met hieraan gekoppeld de grote vraag: is de Nederlandse samenleving in staat om deze welvaart te handhaven? Welke rol speelt de verandering van verzorgingssystemen hierbij?

Twee problemen van de huidige welvaartsstaat komen steeds weer naar voren. Ten eerste: de zorgelijke staat van de werkgelegenheid. En ten tweede: de opvallend geringe selectiviteit van de verzorgingssystemen, waarbij de gemakkelijke toetreding tot WAO, ABW, studiefinanciering en andere regelingen tot een grote financiële druk leidt.

Hebben deze twee problemen met elkaar te maken? Het antwoord op deze cruciale vraag is ja en nee. Eerst het nee. De oorzaken van de tamelijk hoge en massale werkloosheid in Nederland liggen niet uitsluitend in ons systeem van sociale zekerheid. Twee oliecrises (in 1973 en 1981) zorgden voor stevige schokken. Veranderingen in de wereldeconomie, met name de opkomst van de newly industrializing countries (NIC's) en het door Van der Zwan al in 1980 geconstateerde gebrek aan industrieel elan hebben bijgedragen aan de vooral na 1981 onrustbarend stijgende werkloosheid. Vijftien jaar na Van der Zwans WRR-rapport is de situatie niet erg verbeterd en is de concurrentie van buiten Europa alleen maar toegenomen.

De kern van het toch tamelijk unieke Nederlandse model (algemener het Rijnlandse model) is de handhaving van het subtiele en vruchtbare evenwicht tussen enerzijds een ruig individualisme, dat grote armoede met zich meebrengt en anderzijds een passief en immobiel makend collectivisme.

Maar nu het ja-antwoord op de vraag naar de relatie tussen stagnerende werkgelegenheid en de verzorgingssystemen, in het bijzonder de sociale zekerheid. Er zijn nu ruim voldoende empirische aanwijzingen dat het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid een negatieve invloed heeft op de snelle en actieve terugkeer van (vooral langdurig) werklozen naar een arbeidsplek.

In het onderzoek Cultures of Unemployment - een met mijn collega's Engbersen, Timmer en Van Waarden gemaakte vergelijking tussen de stedelijke armoede en langdurige werkloosheid in Nederland en de Verenigde Staten - komt naar voren dat de meerderheid van de Nederlandse langdurig werklozen in een net van min of meer gedwongen passiviteit opgesloten blijft, dat deze passiviteit niet loont, dat deze situatie hen bovendien helemaal niet gelukkig maakt of met welzijn kan worden gelijkgesteld. Ondanks alle welzijnsvoorzieningen en programma's die zo kenmerkend zijn voor de Nederlandse welvaartsstaat, is het leven in permanente afhankelijkheid van staatsbureaucratieën en op het randje van rondkomen met je uitkering, geen plezierige situatie.

WE spannen het paard achter de wagen. In plaats van alle aandacht te geven aan het paard (de economie en de werkgelegenheid) en te zorgen dat vele kleine werkpaardjes weer mee gaan draven, laden we de wagen van de opvangsystemen overvol. Men blijft liever en langer in de wagen zitten in plaats van hem mee te trekken. Zo wordt inderdaad de trekkracht van de economie verminderd. Sterker: eerst ontslaan we veel laaggeschoolde arbeiders om die vervolgens via banenpools en andere werkgelegenheidsplannen weer - soms zelfs op dezelfde werkplek - aan het werk te zetten. De effectiviteit daarvan is zeer gering.

'Gewone' arbeid blijft de belangrijkste bron van welzijn en als dit beginsel juist is moet langs deze weg de verandering van de Nederlandse welvaartsstaat gevonden worden. De intreding in de verzorgingssystemen moet strenger bewaakt worden en de uittreding sterker bevorderd, wil de beschaafde kern van de Hollandse welvaartsstaat bewaard blijven. Kortom: een verhoogde selectiviteit gepaard met een een echte aanval op de hoge werkloosheid.

Wat komt eerst: de verhoogde selectiviteit of het werkgelegenheidsoffensief? Als men het beleid van vorige kabinetten beziet dan heeft men veel lippendienst bewezen aan een activerend arbeidsmarktbeleid, maar zijn de daadwerkelijke prioriteiten hiervoor toch uitgebleven. De resultaten waren pover en de opvallende consensus over wat ons te doen stond had meer het karakter van een gebedsmolen dan van effectieve actie. Ik ben bang dat het paarse kabinetsbeleid niet veel anders is. Veertigduizend arbeidsplaatsen bij 900 duizend WAO'ers en ongeveer een half miljoen werklozen is tamelijk onthutsend.

Niettemin is men al wel begonnen met een veel strengere selectiviteit: de normen in de Algemene Bijstandswet worden op dit moment aangetrokken, in de WAO was men al begonnen, de huursubsidies staan op de helling en de huidige studiefinanciering zal eindelijk ten principale ter discussie komen. Kortom: in het regeringsbeleid is al gekozen. Een hernieuwde selectiviteit heeft de prioriteit gekregen boven de werkgelegenheid. In principe sta ik volledig achter deze herijking van de welvaartsstaat en bepleit ik een terugkeer naar de oorspronkelijke uitgangspunten, waarbij alleen de echte noodgevallen overheidssteun krijgen.

Máár: verhoogde selectiviteit zonder een uiterst krachtig werkgelegenheidsoffensief is ongeloofwaardig en begint zelfs onbehoorlijke trekken te vertonen. Mensen hun rechten en uitkeringen ontnemen, hen wijzen op hun eigen verantwoordelijkheid, maar tegelijk een situatie in stand houden waar er nauwelijks gelegenheid is om die eigen verantwoordelijkheid te tonen, is hypocriet. Het kan bovendien zeer contraproduktief werken, omdat zo'n beleid slechts onvrede, wantrouwen en meer calculerend gedrag oplevert. Met kwade paarden of gebeten honden valt geen kar te trekken.

Toegepast op de jonge generatie kan men exact zien wat er nu in de Nederlandse welvaartsstaat gebeurt. De leden van de zittende klasse blijven zitten en genieten van hun vroeger in tijden van voorspoed gecreëerde rechten. Jongeren hebben nauwelijks een perspectief op een goede baan, worden meer en meer uitgesloten van de verzorgingssystemen en moeten meer gaan betalen voor het in standhouden van de bestaande, onveranderd gehouden verzor gingssystemen.

Een actueel, maar verhelderend voorbeeld van de algemene trend, werd deze maand zichtbaar. Verlaging van studiebeurs en verhoging van collegegelden - op zich zelf in het kader van een revitalisering van de welvaartsstaat aan te raden veranderingen - doen een onterechte aanslag op het begrip en het geduld van de jonge generatie als er tegelijkertijd niets wordt gedaan aan de werkgelegenheid van jongeren en als het onderwijssysteem zelf niet drastisch hoeft te saneren (dat wil zeggen: uitgebluste werknemers ontslaan om plaats te maken voor jongere) of te vernieuwen.

De volgorde moet dus worden omgekeerd. Eerst moet de werkgelegenheid gecreëerd worden en dan een - daarmee gelijk opgaande - aanscherping van de verzorgingssystemen. Want werk is er genoeg te doen in de komende samenleving. Als men verschillende soorten werk onderscheidt kan een meer genuanceerd beeld ontstaan over de mogelijkheden tot het op gang krijgen van de Dutch jobmachine.

Ten eerste is er produktie-arbeid, het maken van goederen. Hiervoor is thans goede tot zeer goede scholing van personeel vereist en een van de overlevingsstrategieën van de Nederlandse welvaartsstaat ligt in het verbeteren van de kennisintensieve industrie. Naast een sterk verbeterde relatie tussen scholing, onderwijs en industrie op vele niveaus, zijn fiscale en financiële faciliteiten voor kleine en startende bedrijven hoogst nodig.

Kortom: een offensief op de kennismarkt in plaats van afbraak, mits die kennismarkt creatieve verbindingen aangaat met (onderdelen van) het bedrijfsleven. Je moet het bedrijfsleven dus niet vragen een tweedefase opleiding aan de (technische) universiteiten te betalen, maar wel om de in overleg zo adequaat mogelijk opgeleiden flinke opdrachten te geven of ze te helpen zelf iets te beginnen.

Wat gebeurt aan de top van de kennisindustrie kan ook gebeuren aan de onderkant: een verbeterde relatie tussen bedrijfsleven en het lager en middelbaar beroepsonderwijs. De combinatievariant van de basisvorming (een gedegen vakopleiding naast een minimale basisopleiding) is helaas uit het zicht verdwenen door kortzichtige onderwijspolitici, maar zou juist nu zeer welkom zijn voor het terugdringen van de jeugdwerkloosheid, waarvoor adequate scholing de noodzakelijke voorwaarde is.

Ten tweede is er de nog steeds groeiende deelmarkt van de commerciële dienstverlening. Ook hier geldt dat administratieve en bestuurlijke kennis en scholing belangrijke voorwaarden zijn voor succes in zaken. De automatisering werkt naar twee kanten; het creëert werkloosheid (bijvoorbeeld in middenkaders van het bankbedrijf), maar het genereert ook nieuw werk. Als men door internationale concurrentie slechts de nadelen hiervan over zich heen laat komen en de voordelen moet missen door afbraak van het (middelbare en hogere) onderwijssysteem, dan wordt de afbraak van de welvaartsstaat onafwendbaar. Onderwijs voor velen gaat vooraf aan arbeid voor velen.

Ten derde is de zorgende dienstverlening natuurlijk ook een groeisector. Denk aan: ouderenhulp en bejaardenzorg, geestelijke en lichamelijke verzorging van gehandicapten of chronisch zieken. Hier zullen door de overheid betaalde dienstverlening, commerciële zorginstellingen, verzekeringsbedrijven en nieuw gevormde onderlinge zorgcoöperaties een geweldig beroep gaan doen op arbeidskrachten.

NATUURLIJK kunnen die niet allemaal betaald worden door de overheid en voor rekening van de collectieve sector komen. Omdat bij dit soort werk arbeidsproduktiviteit en winstmaken problematisch zijn, zullen maatregelen in de fiscale en premiesfeer er voor moeten zorgen dat deze verruimde vraag naar (goedkopere) arbeid de vele lager geschoolden bereikt. In plaats van inkrimping van verzorging is verruiming van verzorging zowel te verwachten als dringend gewenst. De huidige verzorgingsarrangementen staan een offensieve aanpak van dit urgente probleem in de weg.

Ten vierde is er werk in de onderhoudssfeer. Het achterstallig onderhoud van talloze instituties (wegen, park, straat, huizen, diensten, veiligheid, bewaking, reparatie, zorg etc) begint ergerlijke en soms groteske vormen aan te nemen. Hier is de loonstructuur wederom de knellende factor. Ik zie meer in de maatregelen die voor de lage loonschalen de belasting- en premieheffing afschaffen of verminderen dan in de door Melkert voorgestelde ingrepen in het cao-overleg. Stimuleren in plaats van dwingen kan in deze arbeidssfeer nieuwe stroming brengen in een al meer dan vijftien jaar stilstaande en vervuilde vijver.

Ten vijfde is er de hele sfeer van het zwarte werk: commerciële en gewone dienstverlening, particulier onderhoudswerk, veel privé-zorgarbeid. Er gebeurt nogal veel op dit gebied dat de overheid niet mag weten, maar wat iedereen wel weet. Veel officiële werkgelegenheid gaat verloren door dit grijze en zwarte circuit. Niet alleen uit het oogpunt van werkgelegenheid is het belangrijk om het zwarte werk te witten, maar vooral uit het oogpunt van de publieke moraal. In de huidige Hollandse welvaartsstaat wordt men opgevoed met de idee dat het leren ontduiken en ontlopen van fatsoenlijke regels de beste burgerdeugd is. Eerlijkheid wordt gestraft, oneerlijkheid wordt - door het systeem zelf - beloond en aangemoedigd. Hoe dit moet veranderen is een lastige vraag. Misschien helpen vouchers voor onderhoudswerk en zorgarbeid. Misschien helpt het verkleinen van de wig van de sociale zekerheid, mischien helpt een nog strengere controle op nevenwerk van uitkeringsgerechtigden.

Maar ook op dit punt geldt, dat het vinden van een nieuwe stimulans beter is dan perfectionering van de controle. Dit is zelfs een publieke prijsvraag waard: hoe kan men grosso modo het groeiende zwarte circuit van arbeid en dienstverlening witten? Hoe kan men de illegale arbeid legaliseren, zodat alle nu niet geregistreede arbeidsuren kunnen worden afgetrokken van de officiële werkloosheid. Wat zal daarvan het resultaat zijn?

Een gedifferentieerde, vijf-potige aanpak van het werkgelegenheidsprobleem zoals hier uiterst summier geschetst is, zal de morele en institutionele voorwaarden scheppen voor een sterk verhoogde selectiviteit bij de intrede in de zorgsystemen van de welvaartsstaat. Afschaffing van subsidies, van automatische rechten op bijstand voor jongeren, herinvoering van de onderhoudsplicht tussen ouders en kinderen, afschaffing van de OV-jaarkaart (de meest absurde uitvinding van de welvaartstaat), beperking van de studiefinanciering tot de minst draagkrachtigen en de meest getalenteerden, meer eigen bijdragen voor steun en verzorging; al deze maatregelen zijn bespreekbaar om de kern van de welvaartsstaat overeind te houden, namelijk het als overheid ondersteunen van de echte noden en de echte noodgevallen, zodat voor ons beschavingspeil onaanvaardbare levensomstandigheden geweerd worden.

Maar eerst aan het werk. Met een vijf-potig werkprogramma.

Kees Schuyt is hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam.

Dit is de 16de bijdrage aan de serie over de nieuwe verzorgingsstaat.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden