Terug naar de krachtige staat

Na afloop van de Koude Oorlog is de staat in diskrediet geraakt, maar '11 september' werkt hopelijk als katalysator voor een herwaardering van het statelijke....

Krijgshistorici als de Amerikaan Edward Luttwak en de Israëliër Martin van Creveld analyseerden de laatste jaren van de twintigste eeuw dat 'wij', het Westen (maar voor de Russen zou zeker hetzelfde gelden), niets meer hebben om voor te vechten en te sterven. Vlag en God zijn achterhaald, de grote botsing der ideologieën ligt achter ons en het veroveren van grondgebied, een klassiek oorlogsdoel, is irrelevant voor het creëren en instandhouden van welvaart.

Kennis, een hoog opleidingsniveau, ondernemerschap, economische vrijheid, een goed rechtssysteem zijn veel belangrijker activa dan territorium. Het gaat in de tegenwoordige wereld om dividend, niet om divisies. Van Creveld voorziet zelfs dat de staat zal afsterven. Zonder oorlog, of de permanente voorbereiding daarop, geen staat.

Analyses als deze worden door '11 september' en wat erop volgde zwaar op de proef gesteld. Misschien geldt: zonder oorlog geen staat, maar het omgekeerde, zonder staat geen oorlog, is in elk geval niet waar, zoals Osama bin Laden met zijn 'netwerk'-aanslag heeft laten zien. Daarnaast demonstreert de huidige oorlog tegen het terrorisme andermaal - Golfoorlog en Kosovo-campagne gingen hierin voor - dat de VS heel wel oorlog kunnen voeren zonder dat aan eigen zijde noemenswaardige aantallen slachtoffers vallen.

Om oorlog te voeren, hoeven 'wij' niet meer te sterven. Met hun technologische overmacht en politieke overwicht kunnen de VS strijden zonder te lijden. Het vecht misschien prettiger dan ooit, zonder al dat sneuvelen in eigen gelederen. De mogelijkheden voor de laatst overgebleven supermacht om gewapenderhand politiek te bedrijven, zijn het afgelopen decennium derhalve eerder toe- dan afgenomen.

De betekenis van de verlaagde oorlogsdrempel voor staten en het statenstelsel moet nog duidelijk worden. Handhaven de tot oorlog bekwame VS zich als 'traditionele' staat, in tegenstelling tot hun Europese partners, die zowel de capaciteit als de lust om oorlog te voeren zo goed als verloren hebben? Bovendien zijn zij verstrikt in een onzeker eenwordingsproces met vooralsnog onbekende uitkomst.

Na afloop van de Koude Oorlog begonnen West en Oost, overeenkomstig Van Crevelds prognose, enthousiast te 'ontstatelijken'. Europa inde niet alleen het 'vredesdividend', schafte de dienstplicht af, demobiliseerde grote staande legers, maar relativeerde haar (binnen)grenzen en trok zich onder neoliberale impuls op een breed front terug uit het economisch leven. Dit 'economisme' was een keuze voor welvaart, marktvrijheid, productiviteit, groei, spreiding van economische macht, internationalisering, vrijere handel en nog zo wat. Het heeft gewerkt, want grote delen van de westerse wereld hebben in onze jaren een ongeëvenaarde welvaart bereikt.

Maar is dat genoeg, is welvaart wat burgers in de eerste en laatste plaats willen? Haken ze niet evenzeer naar veiligheid, vastigheid, morele en maatschappelijke orde? Wat betekent de schok van 11 september op deze terreinen voor de rol van de staat, nationaal en internationaal?

Liberalisme, socialisme en confessionalisme, de grote 19de-eeuwse ideologieën, keerden zich om verschillende redenen tegen de staat. Het nazisme en het even despotische communisme brachten de staat afgelopen eeuw verder in diskrediet. Die ongure erfenis en de reëel bestaande ondoelmatigheden van overheden voeden algemeen een afkeer van de staat. Moderne samenlevingen kunnen echter tegelijk slecht zonder. De democratische staat bracht immense verworvenheden voort als de rechtsstaat en de verzorgingsstaat.

Staten hebben gelukkig meer gepresteerd dan oorlog voeren. De 'staat verdrukt', heet het, maar zonder staat is het moeilijk burgers - intern of extern - veiligheid te bieden, een territorium te bewaken en interne conflicten te beheersen. Historisch zijn staatsvormings- en civilisatieproces hand in hand gegaan. De ineenstorting van Joegoslavië, een recent voorbeeld, was niet het resultaat van te veel staat, maar van onvoltooide staatsvorming. Hetzelfde geldt voor de Afghaanse chaos.

Moeten de West-Europese staten dan, uit hun sluimer gewekt door '11 september', hun capaciteit herstellen om oorlog te voeren en aldus hun 'statelijkheid' herbevestigen - mede ten gunste van de binnenlandse veiligheid en hun maatschappelijk ordeningsvermogen? Het zal duidelijk zijn dat dit niet (meer) kan. Slechts de VS zijn bij machte een min of meer klassieke vorm van statelijke autonomie te poneren. Maar de aanval op de VS ontpopt zich tot een 'zegen in vermomming' als deze gaat fungeren als katalysator voor een herwaardering van het statelijke. We kunnen (nog) niet zonder. Dat geldt voor ons deel van de wereld, voor voormalig communistische landen, maar ook voor ettelijke gemankeerde staten in de Derde Wereld.

Mondiaal is er niet te veel maar te weinig staat. Voorlopig kunnen alleen staten markten organiseren en controleren, recht en veiligheid brengen, verzorgingsarrangementen treffen, naties kneden, de zetel vormen van democratie en rechtsstaat, loyale verdragspartners zijn en bouwstenen van een overkoepelende internationale orde. Vaak wordt de indruk gewekt dat internationale organisaties dat alles ook kunnen. Maar het woord internationaal zegt het al: de samenstellende delen van dergelijke organisaties zijn nationale staten. Geen enkele Joegoslavische oorlogsmisdadiger is opgepakt door de VN, daar kwamen staten aan te pas met onderdanen die bereid waren wapens voor hun land te dragen.

Meer markt, de leuze van de voorbije decennia, is uitstekend, maar meer staat is een noodzakelijk complement. Het een maakt het ander mogelijk, markt en staat vormen geen tegenstelling, maar hebben elkaar nodig. Het is een misverstand dat gespierde statelijkheid ten koste moet gaan van 'de markt'. Of, omgekeerd, dat ruimte voor 'de markt' de staat verkleint. De VS laten, door een meer selectieve maar ook steviger statelijkheid dan gangbaar is in Europa, zien dat dit niet zo is.

In een vraaggesprek met de Volkskrant kort na 11 september zei de liberale étatist Frits Bolkestein iets over de invloed die Amerikaanse opvattingen op de rest van de wereld uitoefenen: toen Reagan de belastingen verlaagde, verlaagde hij ze ook in Europa. Welnu, als veiligheid de komende jaren een serieuze Amerikaanse prioriteit blijft, zal de staat zich ook hier steviger gaan manifesteren. De VS zullen hun strikte praktijken direct of indirect aan Europa opleggen. Veilig vliegverkeer begint ook op buitenlandse vliegvelden, net als toezicht op wie het land binnenkomen.

Het belang van '11 september' ligt paradoxaal genoeg niet in de gebeurtenis zelf, hoe dwingend en spectaculair die op zich ook is. Maar de feiten van die vreselijke dag zijn op een gegeven moment bekend en zelfs de beelden verliezen hun begoochelende kracht. De betekenis van '11 september' schuilt in hoe de wereld de gebeurtenis waarnam en verwerkte.

De Verenigde Staten zelf, de Arabische en islamitische wereld, Afghanistan, Pakistan, India, China, Rusland, West-Europa, 'multicultureel' Nederland, politiek links en rechts. Voor velen geldt '11 september', steeds om verschillende redenen, als een definiërende gebeurtenis, waterscheiding en toetssteen, die politieke tegenstellingen scherp stelde en verhoudingen en loyaliteiten verhelderde.

Waarom heeft '11 september' zo'n indruk gemaakt? Rechtvaardigt de omvang van de misdaad wel de heftigheid en de reikwijdte van de reacties? 'Srebrenica', een gruweldaad met aanvankelijk een vergelijkbaar dodental van 6000 à 7000 - het aantal slachtoffers in New-York stokt intussen bij circa 2800 - traumatiseerde weliswaar politiek Nederland, maar heeft wereldwijd lang niet die impact gehad als '11 september'. Er is dus meer aan de hand dan omvang. Hoewel de Derde Wereld vrijwel nergens 'juichte' over het gebeurde, leidde het er wel op enige schaal tot heimelijke vreugde: dat kunnen 'we' toch maar, met grote precisie een vliegtuig in een toren boren en de VS een geweldige dreun verkopen.

Omgekeerd heeft het er veel van weg dat '11 september' ook het Westen hernieuwd doet beseffen wie 'we' zijn en waar 'we' voor staan. De fatale dag dient hierbij als cricket test, zoals het in Groot-Brittannië in het minderhedendebat wel heette. Wie niet voor Engeland juicht, maar voor Pakistan, India of West-Indië, doet kennelijk niet met 'ons' mee, wil er niet bij horen. Het Twin-Towers-bloedbad als wij/zij-test en existentiële breuklijn. Het heeft iets verontrustend tribaals, markeert zoiets obscuurs als stamverwantschap. Of alleen maar 'het verschil met de ander', zoals Carry van Bruggen het heeft genoemd.

Dit 'uit de kast komen' van hele en halve tribale sentimenten leidde in het Westen tot de nodige opluchting. De brievenrubrieken in kranten en tijdschriften getuigden ervan. Kennelijk voelde het als een bevrijding eindelijk eens uiting te kunnen geven aan 'onderdrukte' groepsgevoelens. Misschien omdat we lang evidente verschillen hebben verdoezeld. Dat is dan een goede reden om voortaan verschillen - religieuze, etnische, morele - zo onbevangen mogelijk onder ogen te zien en er minder geremd mee om te gaan. Feitelijke verschillen zijn op zichzelf ook niet erg, het punt is hoe we ermee omgaan.

Wat in elk geval niet aangaat, is reëel bestaande verschillen in absolute termen te gieten en ze als onverzoenbaar te benoemen. 'Onze' beschaving, 'onze' waarden, 'onze' rechtsorde als antithese van de hunne. Het zijn te grote, te deftige woorden. Zelfbewuste vereenzelviging met de eigen cultuur of beschaving is iets anders dan zelfvoldaan snoeven. Het getuigt van arrogantie onszelf voor te stellen als de voorhoede van de mensheid. In dat schema, een hardnekkige nabrander van het vooruitgangsgeloof, staat 'modern' tegenover 'traditioneel' of, erger: achtergebleven, dolend. 'Modernisering' - secularisering, rationalisering, 'onttovering' - is even onontkoombaar als de dood: vroeg of laat wordt iedereen erdoor ingehaald, er is geen ontsnappen aan.

Het is begrijpelijk dat de modernise

ringsthese door velen in de niet-westerse wereld (zo goed als door nieuwkomers in westerse landen) als aanmatigend en bedreigend wordt ervaren. We kunnen nog zo hard en quasi-postmodern roepen dat we respect of begrip hebben voor de ander, maar onze subtekst, de moderniseringsthese, zegt 'wij zijn bij de tijd, jullie zijn achterlijk'. 'Modernisering' op deze manier opgevat, berooft mensen van eigen keuzes en voorkeuren en maakt ze tot onwillige gevangenen van vermeende historische wetmatigheden. Niemand wil in die val zitten, dus spreekt het vanzelf dat men zich tegen zo'n determinering verweert en zich vastklampt aan illusies van eigenheid en keuzevrijheid.

'Modernisering' is niet eens een voorwaarde voor ontwikkeling en welvaart, veiligheid, stabiliteit of zelfs democratie. Ook traditionele samenlevingen zijn in staat gebleken dergelijke zaken te verwerven en tegelijk vast te houden aan eigen normen en waarden. Die les is onder meer te trekken uit de naoorlogse pacificatie van Japan, een Amerikaanse machtsdaad die niet zozeer modernisering op het oog had, als wel het bouwen van krachtige, stabiele instituties.

Ook hechte, traditioneel ingestelde immigrantengemeenschappen in de VS, zoals tegenwoordig de Koreanen, doen het sociaal-economisch aanmerkelijk beter dan immigrantengroepen die overhaast, vaak slechts in schijn, de mores van de ontvangende samenleving overnemen. Hun 'ouderwetse' Koreaanse gezinswaarden liggen ten grondslag aan de opmerkelijke schoolsuccessen van hun kinderen. De moderniseringsthese negeert bovendien de zelfs voor vluchtige waarnemers nogal evidente gebreken en tekortkomingen in onze eigen cultuur. 'Modernisering' is een nogal eigenzinnig proces dat niet louter heil brengt.

Samual Huntington is verweten dat hij met zijn The Clash of Civilisations tot een botsing van beschavingen heeft aangezet. In werkelijkheid deed hij het tegendeel. Huntington pleitte voor westerse matiging en terughouding, voor leven en laten leven. Zoek de ander niet overal op, wijs hem niet steeds op zijn tekortkomingen, laat hem ruimte. Door wat het Westen is en vertegenwoordigt, legt het ook zonder terechtwijzingen aan andermans adres al een enorme moderniseringsdruk op de rest van de wereld. Die druk is een permanente bedreiging voor andere culturen en levensvormen.

Het Westen doet er verstandig aan andere mensen en culturen, in het buitenland en thuis, soft spoken en in het besef van eigen feilbaarheid tegemoet te treden. Dat is geen daad van cultuurrelativisme. Zelfs als men overtuigd is van eigen gelijk of culturele meerderwaardigheid, gebiedt de beleefdheid daar niet luider stemme uiting aan te geven. Het lijdt geen twijfel dat zulke matiging beter te betrachten valt, als het eigen bestaan staatkundig en cultureel niet bedreigd wordt. Een krachtige staat kent vredige, zelfbewuste burgers.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.