terug naar Cuypers

In werkelijkheid bestaat Het Rijksmuseum, toonbeeld van negentiende-eeuwse smaak, uit vijf musea: van kunst, kunstnijverheid, geschiedenis, prenten en Aziatische kunst....

door Michaël Zeeman

ALS WE in de beste van alle mogelijke werelden zouden leven, dan zou je het Rijksmuseum in zijn geheel in de vernis moeten zetten, vitrinekast er omheen, en dan netjes elders opbergen en tentoonstellen: het gebouw, de collectie en de oorspronkelijke opstelling - het personeel en de bedrijfscultuur inbegrepen. Het Rijksmuseum zelf als museaal object, zorgvuldig geconserveerd en tentoongesteld als exemplarisch voorbeeld van hoe er in de negentiende eeuw gedacht werd over een Nationaal Museum, over Nationale Kunstschatten en hun belang voor de Nationale Identiteit.

Want het Rijksmuseum is, in de ogen van nu, een raar idee, raar uitgevoerd en in een nog veel raarder gebouw ondergebracht. Het gebouw ziet er van sommige kanten uit als een kasteel, van andere weer als een kathedraal, en van alle kanten als een prentenboek of een stripverhaal, met rondom allerlei bizarre figuren erin en in akelige letters gevatte mededelingen. Het is in feite een gigantische bibelot en daardoor alleen al uitdrukking van een negentiende-eeuwse en hopeloos verouderde burgerlijke smaakopvatting.

Daarom alleen al zou het barbaars zijn het gebouw te slopen, zoals sommige revolutionaire vernieuwers in de pas geopende publieke discussie over Het Nieuwe Rijksmuseum hebben geopperd. Ook de uitdrukkingen van krankzinnigheid van het verleden verdienen het bewaard en getoond te worden. Mocht er ooit een grote opruiming plaatsvinden in de bakstenen instituties die de negentiende eeuw heeft nagelaten, dan zouden het Rijksmuseum en het Amsterdamse Centraal Station het best in hun geheel verplaatst kunnen worden naar de Amsterdamse zuidas. Naast de postmoderne narigheid die daar woekert, zou het negentiende-eeuwse architectonische eclecticisme een hilarisch perspectief kunnen bieden op zijn twintigste-eeuwse pendant.

Als er ooit een Nederlands museum voor de negentiende eeuw mocht komen - en waarom zou dat niet naar analogie van het Parijse Musée d' Orsay in het Centraal Station worden gevestigd? - dan zou het Rijksmuseum er in zijn geheel naar binnen geschoven kunnen worden en het zou er het belangrijkste object zijn van de opstelling 'metageschiedenis' of 'mentaliteitsgeschiedenis'.

Maar zo simpel en overzichtelijk zullen de uitkomsten van de discussie over Het Nieuwe Rijksmuseum nooit kunnen zijn, zo groots zal het vraagstuk nimmer worden aangepakt. En vermoedelijk is het ook te makkelijk: de musealisering van het Rijksmuseum in zijn oorspronkelijke vorm, die overigens in hoge mate nog in de huidige is terug te vinden, zou de vraag uit de weg gaan hoe en waartoe je nu en in de toekomst die grote en veelvormige verzameling op een betekenisvolle manier kunt tonen. Het is een even vrolijke als wanhopige suggestie, die ook elders telkens opduikt wanneer bij de zoektocht naar nieuwe inhouden voor oude vormen, nieuwe presentaties van oude concepten, de vragen te overweldigend zijn.

In weerwil van die ene naam en dat ene gebouw bestaat het Rijksmuseum in werkelijkheid uit vijf musea en heeft het veel meer functies dan de meeste andere musea. In het Rijksmuseum worden overzichten geboden van de Nederlandse kunst, kunstnijverheid en geschiedenis tussen grofweg 1400 en 1870; volgens het beleidsplan gebeurt dat door die in een West-Europese context te tonen, maar dat valt in de praktijk reusachtig mee. Die drie verzamelingen worden nu nog onafhankelijk van elkaar en in aparte afdelingen gepresenteerd.

Daarnaast herbergt het Rijksmuseum het prentenkabinet, waarin een omvangrijke verzameling tekeningen, prenten en inmiddels ook foto's zijn ondergebracht. Ten slotte is er, in een uithoek van het gebouw, nog een geheel autonome collectie Aziatische kunst; die heeft haar wortels in de wetenschapsgeschiedenis en in de koloniale geschiedenis en heeft eigenlijk nooit een serieuze en begrijpelijke plaats gevonden in het Rijksmuseum als museum dat de Nederlandse geschiedenis en cultuurgeschiedenis wilde laten zien.

Het bestaan van die vijf zelfstandige verzamelingen en de omstandigheid dat die in één museum zijn ondergebracht, gaan terug op de manier waarop het Rijksmuseum in de negentiende eeuw tot stand is gekomen. Ze zijn elk op hun beurt en samen het resultaat van de voorgeschiedenis, van de manier waarop er in de zeventiende en vooral de achttiende eeuw verzameld is, en van het door de ideologie van de tijd gekleurde proces dat in de loop van de negentiende eeuw uiteindelijk uitmondde in een gebouw, een collectie en een opstelling. Ze vormen de apotheose van een negentiende-eeuws zelfbewustzijn en zelfbeeld.

Maar de tijd staat niet stil en dat zelfbewustzijn noch dat zelfbeeld is statisch. Een eeuwlang is geaccepteerd dat er een Rijksmuseum bestond met uitgangspunten en doelstellingen die mettertijd als steeds eigenaardiger werden ervaren. Gedurende die eeuw is er vanzelfsprekend keer op keer aan de opstelling daarvan gesleuteld, maar het oorspronkelijke concept is in grote lijnen gehandhaafd. Nu, nu de opvattingen over kunst, geschiedenis, kunstnijverheid, museale presentatie en al helemaal die over nationale kunst en nationale identiteit grondig geëvolueerd zijn, lijkt het moment aangebroken om het hele concept eens tegen het licht te houden.

De historische afdeling van het Rijksmuseum, waarin de gang van de Nederlandse geschiedenis wordt gedemonstreerd aan de hand van wapenfeiten en hoogtepunten, heeft van begin af aan ter discussie gestaan. Wiens geschiedenis is het eigenlijk, die daar in beeld wordt gebracht? In de bijna anderhalve eeuw die sedert de oorspronkelijke plannenmakerij verstreken, is de opstelling enkele keren onder handen genomen - en iedere keer leverde dat vinnige en vaak zelfs bittere kritiek op. Ons geschiedsbeeld verschilt in de keuze van thema's en van als belangrijk aangemerkte ontwikkelingen drastisch van dat van de negentiende eeuw, maar ook van dat van de beelden die ten grondslag lagen aan de sindsdien uitgevoerde veranderingen. Noch het 'Scheepsjongens van Bontekoe'-model van weleer, noch de parmantige toevoegingen over emancipatiebewegingen bevredigen ons.

De vraag is wie je met de huidige opstelling een plezier doet en wie je met de tussentijds uitgevoerde even modieuze aanpassingen een dienst bewijst. Eigenlijk is de tijd rijp voor een geheel nieuwe aanpak, een aanpak die zowel rekening houdt met het tijdgebonden karakter van het begrip van vaderlandse geschiedenis als met het al even tijdelijke karakter van alle latere waterige toevoegingen. Op papier is de Nederlandse geschiedenis sedert het Rijksmuseum zijn historische afdeling opende al een keer of vier herschreven, maar in de opstelling schemeren die door elkaar als de teksten van een palimpsest.

Iets vergelijkbaars geldt voor de kunstcollectie, zowel die van de schilder- en beeldhouwkunst uit de opstelling in en rond de erezaal, als voor die van het prentenkabinet. Wat daar staat, is er in het derde kwart van de negentiende eeuw naar binnen gedragen - en dat kun je zien. Al zijn die collecties dan voortdurend aangevuld en uitgebreid, ze stoppen nog altijd ergens in de periode waarin het Rijksmuseum zelf gesticht is. Dat is begrijpelijk en het is lange tijd aanvaardbaar geweest, maar het is anderhalve eeuw later wel een beetje vreemd.

Is de kunst ineens opgehouden toen het Rijksmuseum werd gesticht? Was Weissenbruch nog wel een kunstenaar voor het Rijksmuseum, maar Breitner niet meer? Hoort vroege fotografie nog wel in het Rijksmuseum thuis, maar fotografie van iets later datum niet? In het Stedelijk Museum, dat vlak na het Rijksmuseum werd gesticht, werd indertijd de levende kunst verzameld en tentoongesteld. Toen beide musea werden opgericht en ingericht was dat een begrijpelijke taakverdeling. Maar meer dan een eeuw later is een groot deel van de kunstenaars wier werk in het Stedelijk Museum werd ondergebracht ook dood - en wordt het als minstens zo monumentaal of sacraal ervaren. Moet je je neer blijven leggen bij een ooit gemaakte scheidslijn in de tijd en wat suggereer je daarmee?

Er is geen goede reden te bedenken om een groot deel van de oudere collectie van het Stedelijk Museum nu niet over te hevelen naar het Rijksmuseum. De jongste suggestie is om de datum van scheiding bij het begin van de twintigste eeuw te leggen: het Rijksmuseum doet alle kunst en kunstnijverheid van voor 1900, het Stedelijk Museum de rest. Een kind kan inzien dat dat het voor je uitschuiven van het vraagstuk is.

In het beleidsplan voor Het Nieuwe Rijksmuseum wordt voorgesteld de afdelingen kunst, kunstnijverheid en geschiedenis te gaan integreren; de collectie van het prentenkabinet moet daar buiten blijven, omdat werken op papier nu eenmaal onder andere omstandigheden van belichting getoond moeten worden dan schilderijen, beeldhouwwerken, hellebaarden en koninklijk meubilair. Dat de collectie Aziatische kunst daar buiten blijft, spreekt voor zichzelf.

Het idee is dat die drie collecties samen het verhaal van de Nederlandse cultuurgeschiedenis gaan vertellen, gerangschikt naar eeuw. De schilderijen en de beeldhouwwerken krijgen, zo heet het, hun context terug. Een mooi negentiende-eeuws landschapje komt boven een parmantig negentiende-eeuws dressoir te hangen, een zeventiende-eeuws beeld komt tegenover een zeventiende-eeuwse linnenkast te staan en op die kast staan de grote vazen - en de kostuums kunnen er misschien in gehangen worden. Zo krijgen we straks per eeuw te zien hoe de cultuur van die tijd zich in verschillende vormen manifesteerde.

Het is een lief en schools, maar ook onzinnig idee. Want het Rijksmuseum bevat veel te veel museaal materiaal om zo tot een vruchtbare opstelling te kunnen komen. Wie straks de schilderkunst van de Gouden Eeuw wil bekijken, loopt zich de benen uit het lijf - en de tekeningen die de voorstudies van die schilderijen waren, of de gravures die er daarna van werden gemaakt, hangen toch weer elders. En wat te doen met de altaarstukken of de schilderijen die voor vorstelijke verblijven of openbare ruimtes werden gemaakt, er een kathedraal omheen inrichten of een troonzaal?

En wat doen we met de Nachtwacht of al die stukken die voor de burgerij zijn geschilderd en helemaal niet thuis horen in een negentiende-eeuwse bibelot maar in een barok grachtenpand? En wat met al dat nooit gebruikte huisraad dat indertijd linea recta van de schrijnwerkersplaats het Rijksmuseum is binnengedragen?

De integratie van delen van de verschillende collecties in wat op zijn best stijlkamers zullen zijn, kan hoogstens ondersteunend werken. Het idee gaat terug op een deel van de opstelling van het Metropolitan Museum in New York, maar dat is een museum dat geen nationale geschiedenis vertelt maar een algemene cultuurgeschiedenis.

De nieuwe opstelling in vier periodes moet worden verlucht met thematische kabinetten. Ook dat idee is niet nieuw: het wordt gepraktiseerd in het Parijse Musée d'Orsay. De grote historische verhaallijn wordt aangevuld met kleine, anekdotische thema's. Het is echter zeer de vraag of je dat over de volle omvang van de Nederlandse cultuurgeschiedenis kunt doen - en het is een nog grotere vraag wie in de gelegenheid is om dat allemaal te bekijken en wie er in 's hemelsnaam zo kijkt.

Want de collectie van het Rijksmuseum is groot, onhanteerbaar groot. Als de samenstellende delen daarvan geïntegreerd worden en per periode gerangschikt, zullen de nieuwe afdelingen - Middeleeuwen, zeventiende eeuw, achttiende eeuw en negentiende eeuw - uitgestrekt zijn. Maar wie wil er nu toch de kunst per eeuw bekijken en dan ook nog in voortdurende afwisseling met de geschiedenis en de kunstnijverheid van die periode? Chronologie is een mooie hulpwetenschap, integrale geschiedschrijving op papier een lofwaardig ideaal, maar wie heeft zin en tijd ze in volle omvang te honoreren?

Nee, het zou veel verstandiger zijn in Het Nieuwe Rijksmuseum de collecties juist te splitsen. Juist in een tijd waarin de concepten vaderlandse geschiedenis en nationale identiteit ter discussie staan, zou het voor de hand liggen een apart museum voor de Nederlandse geschiedenis te stichten. Dat zou zich heel goed kunnen baseren op de bestaande collecties van de historische afdeling van het Rijksmuseum en die van het Amsterdams Historisch Museum. Daar zou het verhaal van de geschiedenis van Nederland in al zijn complexiteit verteld kunnen worden.

Het zou bovendien de weg vrij maken de afdeling kunstnijverheid van het Rijksmuseum op te ruimen: wat daarin oud is, is in feite documentair historisch materiaal, wat van later datum is, hoort thuis in de afdeling protogeschiedenis van een museum voor de vormgeving. En als we dat allemaal netjes hebben opgeruimd en herschikt, kunnen we de tijdslimiet voor de geschiedenis van de Nederlandse kunst in Het Nieuwe Rijksmuseum en het nieuwe prentenkabinet mee laten glijden met de tijd zelf.

Het Nieuwe Rijksmuseum zou moeten bestaan uit twee musea: een voor de kunst, een voor de geschiedenis.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden