Terug naar Bagdad

Bagdad is een halve spookstad geworden, constateert Volkskrant-correspondent Kim Ghattas op haar eerste rondrit door de stad na de oorlog....

Een Jordaans stempel in je paspoort en je kunt zo Irak binnenrijden, een surrealistisch niemandsland in. Aan de Iraakse kant van de grens geen douane, niemand die een stempel in je paspoort zet, alleen Amerikaanse soldaten die verveeld naar je kijken en niet eens de moeite nemen om te gebaren dat je door kunt rijden.

Na een tocht van tien uur door verlaten woestijngebied komen we aan bij ons hotel in Bagdad, in de compound rond het sinds de oorlog vermaarde Palestine Hotel. Het terrein wordt zwaar bewaakt door Amerikaanse tanks.

Een eerste rondrit door de stad is een deprimerende ervaring. Er is nog bijna nergens elektriciteit, in de verte zijn geregeld schoten te horen en de rijen bij de benzinestations zijn langer dan ooit. Hoewel Bagdad niet met de grond gelijk is gemaakt, is het deels een soort spookstad geworden.

In andere delen van de stad heerst een totale verkeerschaos: veel doorgangsroutes zijn afgesloten, daar staan pontificaal Amerikaanse tanks midden op de weg. De stoplichten werken niet, verkeersagenten zijn er niet en automobilisten nemen voorrang naar eigen goeddunken. Overal gesloten winkels, soms met de etalageruiten aan gruzelementen. Als er al een overheidsgebouw is ontsnapt aan de Amerikaanse raketten, is het in brand gestoken door de plunderaars.

Van het ministerie van Informatie en het perscentrum waar alle journalisten tot voor kort urenlang wachtten op toestemming om op pad te gaan, of preken moesten aanhoren van Iraakse functionarissen die zich beklaagden over de berichtgeving, staan alleen nog enkele zwartgeblakerde muren overeind.

De journalisten die het perscentrum frequenteerden zullen zich vooral de 'oppassers' herinneren. Ze weken geen moment van je zijde, ze waren de ogen en oren van hun baas, het hoofd van het perscentrum. Alles wat de journalisten deden, zeiden en vroegen werd door hen doorgebriefd.

Sommige van die oppassers doken onder op de dag dat Bagdad viel, en houden zich misschien nog altijd schuil in hun huizen. Andere boden zich bij journalisten aan als tolk. Een van hen is A., een man met wie ik voor de oorlog een tijd heb gewerkt. Hij wil zijn naam niet in de krant, een reflex uit een niet eens zo ver verleden. Hij werkt nu voor me als een soort assistent, hij regelt interviews voor me en komt met ideeën voor artikelen. Het is zijn manier van wraak nemen.

'Waarom schrijf je niet eens over al die nieuwe politieke partijen die momenteel worden opgericht? Dat is ongekend, het is iets fantastisch, dit is democratie, daar móet je over schrijven', smeekt hij me bijna. Als ik aan het interviewen ben, probeert hij mensen zo ver te krijgen dat ze hun ware gevoelens over Saddam vertellen. 'Als je zegt dat je blij bent met Saddams vertrek, bedoel je toch dat het leven een hel was onder zijn regime?'

A. wil graag dat de Amerikanen nog een tijdje blijven, hij denkt dat zij voorlopig de enigen zijn die de rust kunnen bewaren. 'Oké, ze hebben ons land bezet, maar ze hebben wel mooi Saddam verjaagd', zegt hij. 'We waren ontzettend blij toen die standbeelden werden neergehaald, maar we vonden het tegelijk intriest dat dat niet door Iraakse burgers of het Iraakse leger gebeurde.'

Hij vertelde me hoe het was om te werken als begeleider van journalisten. A. en zijn collega's moesten precies rapporteren wat de journalisten deden en wat hun politieke denkbeelden waren. Ook werd hun geregeld gevraagd om de persoonlijke spullen van de journalist te doorzoeken.

Het Palestine Hotel zou je het nieuwe, naoorlogse perscentrum van Bagdad kunnen noemen. De meeste televisiestations hebben hier hun hoofdkwartier. Veel bekende gezichten, soms lijkt het alsof er niets is gebeurd. De grote vissen onder de Saddam-getrouwen zijn allemaal gevlucht, en bij de achterblijvers begint langzaam het besef door te dringen dat het regime inderdaad gevallen is en dat van hun macht niets meer over is. Zij zien het einde van het Saddam-tijdperk allesbehalve als een verandering ten goede.

Als Saddams naam werd genoemd, op televisie maar ook door gewone Irakezen, volgde steevast een formule waarmee goddelijke bescherming over de grote leider werd afgesmeekt. Een Jordaanse journalist maakte hier laatst een komische variant op. Toen hij het had over de Amerikaanse bewindvoerder voor Irak, zei hij lachend: 'Jay Garner, moge Allah hem beschermen en bewaren.' De blikken van twee Iraakse mannen die in de buurt stonden, een voormalig hoofd van het perscentrum en een chauffeur, verrieden een gevoel van grote verwarring en vernedering.

Maar er zijn ook mensen die ervoor zorgen dat de Irakezen hun hoop op een betere toekomst kunnen blijven koesteren. Zoals Wadad Orfali, een bruisende, dynamische vrouw. Haar galerie Orfali was altijd een oase van levenslust in Bagdad, waar sinds de VN-sancties een gedeprimeerde sfeer heerste. Veel Bagdadi's maar ook buitenlandse journalisten kwamen er graag, om naar muziek te luisteren, naar oude films te kijken of gewoon met Wadad te kletsen in de tuin.

Bij haar thuis vertelt Wadad met haar onafscheidelijke glimlach over haar ervaringen tijdens de oorlog. Ze had haar man, zoon en dochter om zich heen verzameld en speelde piano om het gedonder van de bombardementen niet te hoeven horen. Veel buren kwamen langs om zich te laven aan de opgewekte stemming in haar huis. Ze hielpen met koken of het bakken van brood of maakten gewoon even een praatje.

'Ik heb het niet zo op de Amerikanen. Ik vind het verschrikkelijk dat ze niets hebben gedaan tegen de plunderingen in het Nationaal Museum en de Nationale Bibliotheek, maar nu ze hier toch zijn, moeten ze maar even blijven ook, anders wordt het weer chaos', zegt ze.

'Ik weet heus wel dat ze hier gekomen zijn vanwege de olie, maar ik heb in Koeweit gewoond en ik heb gezien wat ze daar hebben gedaan. Ze haalden de olie weg maar hebben er een modern land van gemaakt: als ze dat hier nu ook doen, vind ik het prima.'

Om de zoveel zinnen vervloekt Wadad Saddam en zijn regime, en ze lijkt dolblij om eindelijk eens vrijuit met journalisten te kunnen praten. 'Het was heel vervelend en gênant, al die journalisten die hier kwamen met een legertje mensen van de geheime dienst in hun kielzog. Omdat ik Engels spreek, wilden de verslaggevers altijd graag met mij over politiek praten, maar wat kon ik zeggen? Ze vroegen wat ik ervan vond dat achter mijn galerie een enorme moskee werd gebouwd, of ik dat geen geldverspilling vond. Daar gaf ik geen antwoord op, maar ik kan je nu wel zeggen dat ik van harte hoop dat ze er een operagebouw van maken.'

Aan de andere kant van de stad, in een huis bij de Tigris, is de atmosfeer duidelijk minder gastvrij. Politieke wetenschapper Wamid Nathmi, de enige oppositiefiguur in Irak zelf die ten tijde van Saddams bewind van zich liet horen en die ik kende als een zachtmoedige professor, is nu een schuimbekkende fanaticus. Wamid had altijd een uiterst pragmatische instelling, hij was voorstander van een dialoog met het regime in de hoop dat op die manier verandering mogelijk was. Hij dacht ook dat zo een vernietigende oorlog voorkomen kon worden, maar na drie weken bommengeweld heeft Wamid al zijn pragmatisme verloren.

'Hoe durf je me te vragen of ik denk dat hier misschien toch iets goeds uit kan komen, ons land is bezet door buitenlandse troepen, wat is daar in godsnaam goed aan? De Amerikaanse soldaten moeten weg, de Irakezen zullen nooit accepteren dat ze hier blijven. Burgers beginnen zich al te organiseren en ze zullen via de weg van de burgerlijke ongehoorzaamheid of desnoods met geweld de Amerikanen verjagen', zegt hij.

Is Wamid misschien van plan een buurtcomité op te richten en op te roepen tot burgerlijke ongehoorzaamheid? 'Denk je nu echt dat ik jou dat ga vertellen, zodat je de Amerikanen kunt inlichten over mij en ze mij komen executeren?', roept hij uit. 'Democratie kun je niet afdwingen met bommen en tanks.'

Niet iedereen is dus blij met de Amerikaanse aanwezigheid, maar over één ding zijn de bewoners het eens: als de Amerikanen echt niet meer welkom zijn, zal het gemakkelijker zijn tegen hen in verzet te komen dan voorheen tegen Saddam.

Een ander bekend gezicht van voor de oorlog, toen de Irakezen die interviews mochten geven aan buitenlandse media op twee handen te tellen waren, is de joviale Muthaffar el Adhami, lid van het inmiddels ter ziele gegane Iraakse parlement. In zijn huis in de welvarende wijk Al Khadra zit alleen zijn vrouw nog. Ze laat me binnen, met excuses voor de troep. Het gezin is voor de oorlog naar het platteland vertrokken en ze is nu even teruggekomen om op te ruimen.

'Mijn man was tijdens de oorlog in Bagdad en kwam om de paar dagen naar ons toe, maar de laatste keer kon hij ineens de stad niet meer in. Alle wegen waren afgesloten', vertelt ze. 'Toen viel Bagdad en sindsdien is hij er heel erg aan toe, hij is helemaal kapot en depressief, hij begrijpt niet hoe het heeft kunnen gebeuren.'

Voor de oorlog was Adhami ervan overtuigd dat de Amerikanen een grote fout maakten, dat ze niet beseften hoe goed Irak zich op de oorlog had voorbereid. In zijn kamer op de universiteit van Bagdad, waar hij hoofd was van de faculteit politieke wetenschappen, had hij een noodvoorraad voedsel en kaarsen, een matras en een kacheltje, want het zou een langdurige oorlog worden.

In de bijna lege woonkamer vertelt Adhami's vrouw dat hij niets misdaan heeft. 'Als hij wordt opgeroepen om ondervraagd te worden, zal hij zich gewoon melden, hij is nergens bang voor', zegt ze, doelend op de Amerikanen. 'Als ze hem willen berechten is dat ook prima, want hij is onschuldig.'

Daar denken haar buren heel anders over. Toen ze na de val van Bagdad terugkeerde naar haar huis, werd ze door hen opgewacht en uitgescholden. 'Ze riepen tegen me: ''Saddam is weg, wat ga je nu doen?'', vertelt ze somber.

Dat is een vraag die vele Irakezen zich dezer dagen stellen. Mensen als Adhami, maar ook kaderleden van de Ba'ath-partij die in hun buurt de scepter zwaaiden en fotografen die gedwongen lid waren van de fotografenbond, waar Saddams zoon Uday voorzitter van was. Je kunt je afvragen wie van de Saddam-getrouwen werkelijk in hem geloofden, en wie alleen maar voor het geld en de macht goede banden onderhielden met het regime. En wie van hen medeburgers verklikten bij de geheime dienst, daarmee hele families in het ongeluk stortend.

Maar de honderdduizenden Irakezen die zwaar geleden hebben onder de dictatuur lijken zich daar op dit moment niet het hoofd over te breken. Ze willen niets liever dan weer een beetje normaal gaan leven. En de meesten denken niet dat een grootscheepse afrekening met hun landgenoten daartoe bijdraagt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden