Ten slotte

Dat ene moeilijke ding volgens de kunstenaars die het moeten kunnen. Schrijver Jan Siebelink (73), over het einde van een roman (en daarna).

'De laatste zin. Ja, het ligt eraan wat je als laatste zin neemt. Zo eindigt Knielen op een bed violen, na de dood van de hoofdpersoon: 'Ze dacht: Later zie ik Hans terug. Ik zie hem terug.'


'En dan heb je een witregel. En dan:


'Zonder twijfel.'


'Dus het eindigt met twee woorden. Dat is geen mooie, lange zin of zo, maar samen met de zin ervoor drukt het heel veel uit.


'Het boek is gepresenteerd in 2005, op 25 januari, door Louis Ferron, mijn vriend. Niemand had het toen nog gelezen, het was nog helemaal onbekend. Hij zei van tevoren tegen mij: 'Ik zal de feestvreugde niet verstoren, ik zal heus wel een mooi verhaal houden, want ik vind het een prachtig boek, over die zoektocht van die diepreligieuze vader. Maar het telt twee woorden te veel. De laatste twee. Want de lezer weet allang dat Margje natuurlijk naar haar man gaat, in de hemel of waar hij ook is, want ze houdt van hem, en ze is solidair met hem.


'Nou, hij heeft me aan het twijfelen gebracht, maar ik heb die woorden toch laten staan in alle latere drukken. Want die oudste zoon, die wil zijn moeder laten merken dat hij haar begrijpt in alle misère. Die zegt tegen haar: wat was dat toch allemaal vervelend, hè, met onze vader, en hoe kijk jij daar nou tegen aan? Maar dan kijkt ze hem verstoord aan. En dan heb je een witregel, en dan haar gedachte: later zie ik hem terug, ik zie hem terug. En dan is er weer die witregel. En daardoor is de vraag: van wie zijn die woorden? Zijn het háár woorden, is het haar bevestiging, of zijn ze van de vertelinstantie?


'Die twee woorden drukken twee dingen uit, namelijk de diepste wens dat het leven zal doorgaan, op welke manier dan ook. Maar daarnaast ook de hoogste twijfel, want er is geen zinnig woord over te zeggen of het leven doorgaat.


'Het zijn twee simpele woorden maar ze dekken wel de hele lading van de queeste van die man naar het heil, en de schrijver kan het alleen maar formuleren, maar hij kan geen antwoord geven natuurlijk. Dat zou heel moralistisch zijn en dat is verre van wat ik wil.


'Van heel veel lezers en lezeressen hoor ik dat ze óf het boek neerleggen, omdat ze het niet meer kunnen verdragen, de ijzingwekkende gruwelijkheid van dat sterfbed, waar de vader zich niet verzoent met zijn vrouw omdat ze niet deelt in zijn geloof. Of mensen zeggen: ik kon het lezen, ik kon het uiteindelijk verdragen vanwege de laatste twee woorden.


'Ja, je kunt zeggen dat ik niet gekozen heb, dat het boek twee eindes heeft, want er is een epiloog, zoals in meer van mijn boeken. Er is dus nog een slotzin, die van het laatste hoofdstuk, als de vader gestorven is, en de predikers voor het laatst het huis hebben bezocht. Margje, de echtgenote, blijft achter met het lichaam van haar man, maar een van de broeders komt dan nog terug, om tegen haar te zeggen dat haar man veel voor hem heeft betekend. En dan gaat hij weer weg en is de laatste zin: 'Margje hoorde hem de deur achter zich dichttrekken.'


'Die man is dan gestorven en de ochtend breekt al aan (Siebelink leest) en de kassen worden bleek in het ochtendlicht en dan begint de nieuwe dag. Je zou ook een zin eerder kunnen eindigen, zit ik te denken, nu ik het weer zie. Ja. Ik denk dat dat iets sterker zou zijn, als het eindigt met de voorlaatste zin: 'Nog een tijdje hield hij de ogen gesloten, toen nam hij voor de tweede keer afscheid.'


'Maar ik wist natuurlijk ook dat er nog een epiloog zou komen. Nu maakt het niets uit omdat de lezer toch ook weer doorgaat. Dat zinnetje mag best, het doet verder geen kwaad of zo, nee.


'En die epiloog was nodig, anders is het boek te abrupt en wordt de lezer eruit gekieperd. Ik houd niet van open eindes. Het is helemaal duidelijk wat er gebeurt. En hoe het leven van Margje zal verlopen, dat kunnen we wel ongeveer raden, hè. Ze heeft twee kinderen en ze heeft haar herinneringen. Nee, een open einde, dan zadelt de schrijver de lezer op met een probleem. De schrijver moet een afgerond geheel maken.


'Het kan moeilijk zijn om te besluiten of je niet een zin eerder moet ophouden. In het begin was ik een beetje bang dat de lezer het niet begrijpen zou, en had ik de neiging om het met een zin, een paar zinnen, nog duidelijker te maken. En dan greep mijn redactrice in, of ik zag het zelf: joh, dat weten we al, natuurlijk weten we dat al. Je moet oppassen dat je niet docenterig gaat doen.


'Maar ik voel aan of het goed is. Want de schrijver schrijft de slotzin niet zelf. Ik ben dan ook niet bang voor de slotzin, ik ben er nieuwsgierig naar. Want natuurlijk moet ik zelf de slotzin formuleren, maar het boek doet het werk. Dat bepaalt wat de laatste zin wordt. Het boek beslist.


'In het begin ben ik helemaal vrij, heb ik alleen wit papier, maar met de eerste woorden ben ik al minder vrij, want blijkbaar speelt het zich af in zo'n gezin en niet in een rijk gezin, en het ene beeld roept het andere op. Maar ik wil benadrukken dat ik niet worstel met de laatste zin, het boek loopt op een natuurlijke, onherroepelijke wijze uit op die laatste zin.


'Een boek schrijven is niet helemaal mensenwerk, goh..., ja, het is toch wel een beetje genade, het heeft iets irrationeels. De roman is uit op zijn eigen einde, is op zijn eigen dood uit en het gaat mij erom dat ik de laatste woorden van de stervende opteken.


'Maar ik heb moeten leren me te beheersen om het boek het werk te laten doen. Ik moet mijzelf een beetje loslaten om te voorkomen dat ik ingrijp. Ik moet gewoon luisteren, naar wat Margje zegt, naar wat haar zoon zegt en opschrijven wat ik hoor, wat ik zie. En het is wel moeilijk hoor, als je dat zo doet. Ik heb vijf jaar nodig gehad om me weer los te weken van dit boek.'


Daarmee is alles nog niet gezegd. Hij belt op, een paar uur later, met een zin die het gesprek definitief doet eindigen: 'Ten aanzien van zijn slotzin is de schrijver weerloos in zijn almacht.'


Jan Siebelink was docent Frans aan een middelbare school in Ede. Hij is de zoon van een christelijke tuinder in Velp. Die beide feiten keren vaak terug in zijn autobiografisch getinte boeken. In 1975 debuteerde hij met de verhalenbundel Nachtschade. In 2005 verscheen zijn roman Knielen op een bed violen, waarin de hoofdpersoon is gebaseerd op zijn vader. Het boek werd een lezerssucces, en hij kreeg er de AKO Literatuurprijs voor.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden