Ten prooi aan hypes en pr-jongens

Kranten zijn harde ondernemingen geworden, journalisten worden bespeeld door een leger gladjakkers. Guardian-verslaggever Nick Davies acht de positie van de pers dramatisch verzwakt....

Snoeihard is de kritiek die Nick Davies, gelauwerd journalist van de Guardian, in Flat Earth News over zijn collega’s uitstort: de journalistiek is gecorrumpeerd, het beroep is in verval geraakt. De media zijn in meerderheid verworden tot doorgeefluik van kant-en-klare stukjes, herkauwer van pr-berichten en producent van snel en goedkoop gemaakte items, niet of nauwelijks gecheckt en vervolgens wereldwijd rondgepompt. En het blijft niet bij beweringen: Davies onderbouwt zijn kritiek met empirisch materiaal.

Neem het ogenschijnlijk futiele bericht over Paul Hucker, de voetbalsupporter die zichzelf in 2006 voor 150 Euro verzekerde tegen een ‘emotioneel trauma’ in geval van een voortijdige uitschakeling van het Engelse elftal op het WK. Kort nadat het bericht in Engeland was gepubliceerd, bleek dat het ging om een geslaagde stunt – niet de eerste overigens – van Huckers marketingbureau. Het kwaad was echter al geschied: het nieuwtje verspreidde zich via de persbureaus over de hele wereld en werd klakkeloos overgenomen – de droom van iedere reclameman.

De wereldwijde verspreiding van het bericht over de gevoelige voetbalfan kan worden afgedaan als een practical joke van een gehaaide zakenman – voor Nick Davies staat het verhaal symbool voor de verzwakking van de hedendaagse journalistiek, met desastreuze gevolgen. De kritiekloze reproductie van berichten beperkt zich immers niet tot de lichte genres, maar manifesteert zich overal in de Britse en Amerikaanse media, aldus de verslaggever van de Guardian. Journalistiek is verworden tot churnalism: een voortdurende, overmatige en vrijwel automatische afscheiding van nieuws.

De crisis waarin de media zich bevinden, is volgens Davies niet zozeer het gevolg van onwetendheid, luiheid of slordigheid van de journalisten zelf – die gebreken zijn van alle tijden. Het zijn vooral structurele ontwikkelingen die daaraan ten grondslag liggen. Vanaf de jaren tachtig hebben krantenmagnaten als Murdoch en andere commerciële investeerders de media omgesmeed tot ondernemingen die winst moeten maken en moeten groeien. Daarbij werd fors gesneden in de redactionele kosten, met name gespecialiseerde krachten moesten het veld ruimen. Tegelijk moest er meer en sneller worden geproduceerd, waardoor de werkdruk steeg. Daarnaast verdwenen zowel op lokaal als internationaal niveau de netwerken van correspondenten die de media altijd van eigen nieuws hadden voorzien.

Zo bezien is churnalism niet meer of minder dan een logisch antwoord op de verslechtering van de arbeidsomstandigheden. Maar er is nog een andere ontwikkeling die hier een rol speelt, omdat zij als het ware tegemoet komt aan de nijpende behoefte aan makkelijk en goedkoop nieuws: de explosieve groei van het leger voorlichters, spin doctors en pr-functionarissen. Zij zijn in staat de honger van de media te stillen – en ze doen dat, professioneel en met overgave. De cijfers van Davies liegen er niet om: 41 procent van alle nieuwsverhalen in de vijf belangrijkste Britse kranten waren geheel of grotendeels te herleiden tot pr-bronnen, en nog eens 13 procent gedeeltelijk.

Aan de hand van een aantal casestudies probeert Davies te laten zien waartoe deze ontwikkelingen de laatste jaren hebben geleid, te beginnen met de hype rond de ‘millenniumbug’ die de wereld in chaos zou storten. Elders gaat hij uitvoerig in op de geraffineerde politiek van enkele grote energiebedrijven, waaronder ExxonMobil, die jarenlang tientallen miljoenen dollars hebben uitgegeven aan de manipulatie van wetenschappelijke gegevens over de opwarming van de aarde en met succes in de media wisten te infiltreren.

Fascinerend is Davies’ analyse van de publicitaire opmars van Abu Musab al-Zarqawi, de Jordaanse ‘Al Qaida-terrorist’ die Bin Laden in de internationale media naar de kroon stak, tot hij in 2006 door de Amerikanen werd geëlimineerd. Aan de hand van materiaal uit archieven en studies van andere onderzoekers laat Davies zien hoe zich rond deze relatief onbeduidende revolutionaire islamist in nauwelijks vijf jaar tijd een steeds hechtere kluwen van verzonnen en opgeblazen geruchten en beschuldigingen werd gesponnen.

Uiteenlopende partijen hadden baat bij het opblazen van Al-Zarqawi tot spin in het internationale terroristenweb: de Jordaanse regering, de Koerden in Noord-Irak, maar vooral de geallieerde inlichtingendiensten, die met deze verhalen wilden aantonen dat er een verbinding bestond tussen Al Qaida en Saddam Hoessein.

Dat verband werd voor het eerst gelegd in een toespraak van George W. Bush in oktober 2002, terwijl Al-Zarqawi’s organisatie veeleer een concurrent was van Al Qaida en nog niet veel voorstelde. Later openbaar geworden documenten tonen aan hoe de dienst Strategic Communications dit verhaal verder uitbouwde.

Davies richt zijn pijlen zeker niet alleen op media die het sowieso niet nauw nemen met de eisen van de serieuze journalistiek – zoals de Daily Mail, in Flat Earth News op de snijtafel gelegd en gediagnosticeerd als agressief, commercieel en weinig scrupuleus. Ook het gerenommeerde zondagsblad The Observer, verbonden aan zijn eigen Guardian, moet er aan geloven. In een uitvoerige reconstructie probeert Davies aan te tonen dat het blad zich in de aanloop naar de oorlog in Irak volledig liet leiden door informatie die was ingestoken door de geheime diensten. Een zekere politieke naïviteit en geldingsdrang aan de zijde van de hoofdredactie deed de rest: de vroegere vaandeldrager van links ontpopte zich als een fervente voorstander van de Britse deelname aan de oorlog.

Hoewel Davies zijn conclusies over de verontrustende staat van de journalistiek vooral baseert op de ontwikkelingen in Groot-Brittannië en de VS – landen waar de gemiddelde kwaliteit van de media inderdaad weinig reden tot vreugde en optimisme geeft – is zijn boek ook voor de Nederlandse journalistiek relevant. Ook hier zijn de door hem beschreven mechanismen immers aan het werk: ook in Nederland is sprake van een explosieve groei van het aantal voorlichters, pr-agenten en spin doctors, waartegen de journalistiek numeriek nauwelijks is opgewassen; ook hier verkeert een groot deel van de lokale en regionale journalistiek – met dank aan Wegener – in een staat van ontbinding, omdat geld blijkbaar belangrijker is dan kwaliteit; ook in Nederland is er sprake van een toenemende vermenging van journalistiek en commercie, in de vorm van gekochte redactionele bijdragen, een vorm van prostitutie die , nota bene op de School voor Journalistiek in Utrecht, door de hoofdredacteur van Spits!, Bart Brouwers, werd aangeprezen als een gezonde overlevingstrategie.

En ten slotte: ook in een groeiend deel van de Nederlandse media hebben kant-en-klare persberichten, goedkope reportages, vluchtige opiniepeilingen en twistgesprekken tussen voor- en tegenstanders de plaats ingenomen van journalistieke waarheidsvinding. De Nederlandse journalistiek blijkt niet minder vatbaar voor allerlei vormen van churnalism en manipulatie: de Britse voetbalfan haalde ook de Nederlandse media en een kleine steekproef volstaat om aan te tonen dat zelfs degelijke kranten de afgelopen jaren bij herhaling geput hebben uit onderzoek dat rechtstreeks betaald werd door ExxonMobil – zoals ze zich ook hebben laten beetnemen door Greenpeace, dat al evenzeer grossiert in tendentieuze persberichten.

Uiteraard is er allerlei kritiek op Flat Earth News mogelijk. Zo is het gepresenteerde cijfermateriaal niet altijd even sterk en ontbreken vaak goede verwijzingen. Bovendien klinkt hier en daar een zekere nostalgie door en gaat Davies voorbij aan de betekenis van het web als bron van informatie voor burgers én journalisten. Deze tekortkomingen doen evenwel weinig af aan de waarde van het boek, als een even leesbare als ontluisterende analyse van een professie die vrijwel overal onder druk staat en inkrimpt: de serieuze nieuwsjournalistiek. Dat is belangrijk, want als de laatste jaren iets duidelijk hebben gemaakt, is het wel dat wij, oog in oog met machtige economische en politieke belangen en bewegingen, niet zonder haar kunnen. Of, in de woorden van Harold Evans, de legendarische hoofdredacteur van de Sunday Times: ‘Als de pers dit werk niet doet, wie doet het dan?’Frank van Vree

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden