Ten behoeve van het hogere

Ja. Hij heeft het altijd over het vak. 'Altijd. Ik sta zo in het leven', zegt acteur en regisseur Victor Löw....

'A Few Good Men, dat is ook zo iets! Meesterlijk, die film. Met Jack Nicholson, Tom Cruise en Demi Moore - DID YOU OR DID YOU NOT ORDER CODE RED?! vraagt Cruise, waarop Nicholson zegt: Hell I did! Die hoogmoed! Dat absoluut ervan overtuigd zijn dat je het heft in eigen hand mag nemen. Geweldig!'

Als Victor Löw enthousiast is, dan weet je het. Hij praat snel, nog wat sneller, lacht, mimiekt en associeert en kijkt je steeds vrolijk en recht aan. En dan heb je het ineens over A Few Good Men - bijvoorbeeld. Hij is bijna veertig (in augustus), bijna vader (06 blijft aan), de hormonen gieren door zijn lijf - 'bestaat, hè, wist je dat?' - en zo ook de energie.

Schijnbaar moeiteloos slingert hij zich op verzoek van de fotograaf rond de rekstok die hoog aan het plafond van de repetitieruimte hangt. Nee. Het wordt uiteindelijk toch een andere locatie, even buiten de Amsterdamse Stadsschouwburg, waar Löw momenteel werkt aan De dans van de Reiger van Hugo Claus. Bij Het Toneel Speelt, met Mark Rietman, Carine Crutzen, Ariane Schluter en Reinout Bussemaker.

Inderdaad - een bijna compleet weerzien van Een zwarte Pool, het clubje acteurs dat twee jaar terug opnieuw furore maakte met Karst Woudstra's stuk uit 1992. Zo kan dat uitpakken bij Het Toneel Speelt, dat zich onder leiding van Hans Croiset en Ronald Klamer ten doel stelt oorspronkelijk Nederlands toneel te brengen. De bezetting hangt af van het moment, van mogelijke combinaties. Al tijden spraken ze van De dans, nu kon het ervan komen.

Ditmaal regisseert Löw. 'Ik noem mezelf de voorzitter van de collectieve intuïtie', zegt hij daarover. 'Soms weet je precies op welke manier je de dingen wilt hebben, en waarom iets loopt zoals het loopt; en soms ook kijk je mekaar aan: hoe zullen we het doen?'

Hugo Claus is net langs geweest. Hij doet dat, een paar jaar geleden kwam hij ook kijken bij repetities van De verlossing. Löw glimlacht. 'De schrijver is natuurlijk de absolute verdediger van het woord. Alles wat niet direct ten dienste staat van het woord, daar is hij tegen - maar Claus is tegelijk een ongelooflijke liefhebber van toneel. En die paar dingen die hij zegt, daar kun je wel wat mee.'

Hij zei: ''Mensen zijn scherven'' - dat vond ik zó'n geweldige opmerking. Mensen zitten als brokken in elkaar. Midden in een enorme woede-aanval kun je opeens honger krijgen. Op het laatste moment kun je besluiten rechtdoor te gaan, terwijl je honderd procent zeker wist dat je naar rechts moest. Vreemd. Niet logisch. En ik ben meestal druk doende de dingen logisch, psychologisch te benoemen. Dan zegt Claus: ''mensen zijn scherven''. Dat helpt.'

Een nare komedie in twee delen, luidt de ondertitel van het stuk, over twee dertigers die proberen hun huwelijkscrisis te bezweren door een luxueuze vakantie te boeken op Mallorca. In de repetitieruimte staat een scheve paal die tot een palmboom zou kunnen uitgroeien, en een strandstoel.

O, jawel, het is een vreemd stuk, zegt de regisseur. Intrigerend. Niet aan tijd gebonden. Zo'n anderhalf jaar lang, als ze elkaar tegenkwamen, begon de discussie wel weer binnen het clubje: wat willen we met dit stuk, wat hébben we er mee.

En waar draait het om. Löw: 'Strijd met banaliteit. Het gewóne. Daar heeft de hoofdfiguur, Edward - Mark Rietman -, ongelooflijk veel problemen mee. De acceptatie van het feit dat je heel klein bent, dat je niet veel voorstelt, dat je uiteindelijk sterft en nog niet weet wat dat is, en waarom allemaal? Edward wil alles bigger than life maken. Alles groter, grotesker, gruwelijker dan het alledaagse. Er moet méér zijn, méér dan één op één wat rondkachelen, en naar de plee gaan en elke dag stront schijten. Er moet iets bijzonders aan de hand zijn.

'Zo lees ik het. En die strijd, dat is genoeg voor Mark om mee aan de slag te kunnen. Om zijn verbeelding in gang te zetten. Je moet nét voldoende psychologie hebben om het te kunnen herhalen - maar geen punt zetten. Dat is het. Je moet de dingen open kunnen laten.' Even later: 'Het is bovendien heel naïef geschreven, en dat vind ik er mooi aan. De mensen zeggen wat ze bedoelen en bedoelen wat ze zeggen. Dat zijn we niet gewend.'

Victor Löw kent Hugo Claus al langer, persoonlijk. Stond met Kitty Courbois in diens Winteravond, al weer wat jaren terug; Claus op zijn beurt was present bij de première van Löws tweede regie, bij het Gents gezelschap NTG. Löw heeft een band met België, sowieso. Studeerde aan de Antwerpse Herman Teirlinck Studio, zwaaide af in 1986 en keerde veelvuldig terug.

Enthousiast vertelt hij van zijn omzwervingen; de eerste twee jaar, bij de Haagse Comedie. Grinnikt, denkt even na, zegt: 'Ik heb altijd een beetje klassiek gedacht. Je komt van school en je kan niks - ja, god, je hebt vier jaar aan jezelf gewerkt. Je moet het ambacht nog leren. Ik was 24. Ik wou op een toneel staan. Ik wist niet eens dat dat de Comedie eigenlijk aan het overlijden was. Kwam midden in gedoe terecht.

'Op dat moment vreemd. Maar hoe ouder je wordt, hoe leuker om dat gedaan te hebben. Je vóelde het oude Nederlandse toneel, toen. Hier speelden mensen die broekies waren geweest ten tijde van Paul Steenbergen. En dan was er natuurlijk Guido de Moor - een held! Een mooie actéur!'

Denkt weer even. Na Den Haag kwam weer een tijd België, Blauwe Maandag Compagnie, Luk Perceval. 'Ja, dat was pure chemie!' En toch: kriebel na drie jaar. Volgde het vrije leven, regies, films, tv, lesgeven. Afwisseling. Disciplines blijven ontwikkelen, naast elkaar.

'Als een clown in het circus: doe je een nummer heel veel en lang, ontstaat er een gevoelsmatige kennis van het vak. Het is een ambacht, natuurlijk. Kennis van spelen heb ik dan op die manier wel wat vergaard, van het regisseren is die nog niet zo groot, en dat is iedere keer weer spannend.' Löw debuteerde in 1994 met Antigone; Vuur in de sneeuw van Shepard was de tweede, en vorig jaar regisseerde hij bij Het Nationale Toneel Tiny Alice van Albee.

A Few Good Men. Eigenlijk kwam hij erop via zijn liefde voor Amerikaanse toneelschrijvers. Dit najaar speelt hij in Rod Serlings Requiem voor een zwaargewicht; en hij is dol op auteurs als Eugene O'Neill, Edward Albee, Shepard, Kushner en ook Tennessee Williams. Analytici die zo mooi omgaan met het thema van The American Dream. Want Löw is gefascineerd door die droom. Op een bepaalde manier dan.

'American dream gaat over: maakbaarheid. Zoals Nicholson in die film denkt het lot in eigen handen te kunnen nemen. Ik geloof daar absolúút niet in. Het enige waaraan je kunt werken is een levenshouding. Een houding ten aanzien van wat je overkomt. Karakter, daar kun je aan werken.'

De helden van Shepard of Kushner zijn dan ook dronkenlappen, gokkers of gemankeerde mormonen en Albee's personages zijn al evenmin rolemodels. 'American-dreamtechnisch zou je zeggen: hou op met dat slappe gedoe, wees een vent, maak wat van het leven. Maar bij die auteurs is er sprake van acceptatie. Van een bepaalde manier van in het leven staan. Van het mens-zijn. Die vind ik geweldig, ook om te spelen.'

Dat mens-zijn, met alles wat erbij komt kijken is iets dat veelvuldig terugkeert bij Victor Löw. In verband met De dans, Een requiem, het vak in zijn geheel. Toneel, de rite. Ja, zegt-ie peinzend en met onverhoeds Vlaamse tongval. ''t-Ies zo da beroep, hè.'

'Verhalen vertellen. Verhalen vertellen over niet weten wie we zijn. Ik denk dat toneel in zijn meest primitieve ontstaan te maken heeft met de grote angst om dood te gaan en het onzekere gevoel van het niet begrijpen. Je gaat dood, en dan? Het wordt nergens logisch.'

'De primitieve mens legde levensvragen in de schoot der goden - die uiteraard behaagd moesten worden. Uit de groep maken zich dan individuen los, die vóór die groep gaan optreden. Ten behoeve van het hogere, in eerste instantie. Uiteindelijk is dat geëvolueerd in onze toneelavond - en die gaat volgens mij in wezen over álle mensen die in dat gebouw zijn. Degenen die staan op te treden en degenen die komen kijken en luisteren: zij zijn één groep! Wat er echt aan de hand is, los van het vermaak, is dat je mekaar bevestigt in het gevoel: ik snap niet waar dit leven toe leidt. Ik snap niet wie ik ben, wat ik hier doe.'

'Troostrijk, ja. Niet in paniek raken, jongens. Elkaar even steunen in het mens-zijn, laten weten: dat heb ik ook. Dat is de bestaansreden van kunst. Ik kan niet in woorden uitdrukken hoe het voelt, ik ga deze vorm vinden om jou duidelijk te maken dat ik het ook heb. Daarom zijn er die zeven kunstvormen. Volgens mij.'

'Ik wil nog wel eens doordraven. Als ik speel ben ik altijd erg bezig met transformeren - dat doen alle acteurs wel denk ik - maar dat kan ook een innerlijke aangelegenheid zijn. En ik ben ook altijd druk bezig met: hoe loopt diegene, de lichaamshouding. Als Soekarno was ik daarmee in de weer, en in Karakter. Terwijl: toneel is in eerste instantie natuurlijk de verbeelding van het woord.'

Onderbreekt zichzelf, roept: 'Ken je Billy Bob Thornton? Dat is nou eens een voorbeeld. Die vind ik zó goed!'

'Film is anders hoor. Even zwart-wit: toneel heeft alles met praten te maken en film is beeld. Ik moet dan oppassen dat ik op de speelvloer niet in mannetjesmakerij verval. Daar moet ik wel eens tegengehouden worden.'

Soekarno leverde Löw in 1996 een Louis d'Or op, een Arlecchino ontving hij eerder voor Winteravond, lof voor Een zwarte pool dus, en The Zoo Story (onder regie van Albee himself), in Karakter werd hij geprezen, voor zijn rol als Jack in Lek kreeg hij een Gouden Kalf. Dikke prijzen. 'Jaaaa, dat is belangrijk', zegt hij met onverholen plezier. 'Belangrijk voor je zelfvertrouwen. Want het gevoel hebben dat het niet overkomt wat je doet, is fnuikend. Af toe moet je goed veren in je hol krijgen om lekker door te kunnen gaan.'

Op die momenten dat het tegenzit. En slechte kritieken blijven nu eenmaal langer hangen dan goede. In de rol van Edgar in King Lear laatstelijk kreeg hij het bijzonder zwaar te verduren. Erg. O, ja.

'Wat ik me dan vervolgens voorhoudt: de héle onderneming moet zin hebben. De productie, en bijgevolg de kritieken. Niks vrijblijvend, van: ik maak wat, jij schrijft wat.

Het onderhavige geval: ik werk twee maanden aan Lear. Première. Maandag, krant op de mat, daarin staat: dieptepunt van de avond - dat ben ik. Dat is niet leuk. De eerste uren van de dag zijn naar de kloten. Puur als een kind, zit je dan in zak en as. Want naast alle dingen is toneel ook: pap, mam, kom eens kijken wat ik heb gemaakt! Je báált.'

'En dan moet het zin hebben. Ik neem het serieus. Wát komt er nu niet over. Wat is dat. En zo heb je, omgekeerd, tijdens een tournee, nog heel wat aan zo'n kritiek. Juist door het extreme ervan, het keiharde. Je wilt opnieuw beginnen. Het helemaal opnieuw bekijken. Je móet er iets mee doen. Je kunt wel ijzerenheinig roepen: ik word niet begrepen - maar dan heeft niks zin. Dan ben je niet in dialoog met elkaar.'

En dat is leuk aan toneel, vervolgt hij opgewekt. Je gaat weer aan de slag, je gaat eraan schaven, en op een avond kan er een nieuwe recensie ontstaan.

Terwijl bij een film is het: af is af.

Zegt: toneel is jezelf vers houden. Maar afwisseling met andere disciplines blíjft belangrijk, anders kan ook acteren een dood beroep worden. Vaak doe je dingen die maar nét oké zijn, omdat je je het niet kunt permitteren te wachten op de de juiste aanbieding. En dat moet je niet al te vaak hebben.

De juiste aanbieding? 'Dat het materiaal voor jou op dat moment helemaal top is, dat je je als een vis in het water voelt tussen de cast, dat je maar een knipoog van de regisseur nodig hebt. . . Jaaa, dat gebeurt! Strange Interlude bij Blauwe Maandag indertijd, Winteravond toen van Claus, Karakter en Lek. En als je dat een keer hebt meegemaakt, blijft het altijd je streven.' Grijnst: 'Heel vaak klopt het nét niet, gewoon omdat het leven zo niet is. Maar als het echt niet klopt, is het vreselijk. Want dit is zo'n ongelooflijk sámenberoep.'

Hij vindt het nog steeds niet iets om trots op te zijn. Maar hij is een keer weggelopen. Had de hoofdrol bij het Zuidelijk Toneel, regisseur Ivo van Hove was daar nog niet zo lang. Een druppel dichtersbloed, van notabene zijn geliefde O'Neill, in 1994. Ik zal het uitleggen, zegt hij en kijkt besmuikt.

'Op enig moment kom je als acteur in de puberteit - zal ik maar zeggen. Dan staat er een individu op, een individu dat voorheen alleen maar met grote ogen naar de regisseur keek, maar dat nu zegt: wacht eens even, opzouten met die ideeën van je - nu ben ik. Toch?'

Dat was het stadium. 'En ik werd ontzettend onzeker ook nog. Ik moest de vader van Chris Nietvelt spelen en de echtgenoot van Frieda Pittoors. . .' Qua leeftijd klopte er weinig van. Hij liet een baard staan. Dacht: dan maak ik hem tijdlozer.

'Toen moest ik op de foto. Voor de poster. Erwin Olaf, mooi geschminkt, baard eraf. Volgende dag kwam ik op de repetitie en ik voelde me een. . .jongeling of zo? Ik was m'n zelfvertrouwen kwijt. Ik kreeg de tekst er steeds slechter in. En toen we uiteindelijk ook nog een geschil kregen over de interpretatie van het einde, dacht ik: ''het is maar het beste voor iedereen dat ik opstap''. Het werd me niet in dank afgenomen.'

Ach jawel, het is wel weer enigszins goed gekomen met Van Hove. Het vervolg, Rijkemanshuis viel in de prijzen. 'Hij is natuurlijk hartstikke kunstenaar!' En weet je wat grappig is, zegt Löw: 'Ivo heeft me toen voor die rol een boek gegeven over narcisme en dat heb ik nu bij me! Voor De dans!'

Doorbijten, zou hij nu zeggen. 'En toch, weet je: de psyche van de acteur is iemand anders dan de persoon - in hetzelfde lichaam. Dus je hebt mensen die perfect met elkaar kunnen opschieten aan tafel, maar gaan ze spelen, hebben ze een probleem.'

Hooguit van te voren zou hij nog iets weigeren. Is een fan van Thomas Bernhard, maar krijgt de rillingen van die ouwe nazi's uit Voor het pensioen. Huivert nog bij de herinnering aan Clockwork Orange, dat zich in zijn tijd tegen de makers keerde. 'Het leek wel voodoo.' Zet vraagtekens bij Sarah Kane, al zag hij ooit een mooie Blasted. Zegt mijmerend: 'Het mag niet over stukmaken gaan. Dan ga je murw de zaal uit. Maar we zijn ook niet samen om naar blije mensen te kijken. Want dat snappen we niet. . .'

Ja. Hij heeft het er altijd over. Over het vak. 'Altijd. Ik sta zo in het leven.' Vader Bob Löwenstein, tv-regisseur (De Boeken der kleine zielen, Sil de Strandjutter) zat in het vak, moeder was actrice, zijn vrouw is actrice Mirjam de Rooij. 'Natúúrlijk moet ik af en toe m'n kop houden. Maar als je in eerste aanleg niet dezelfde fascinatie hebt. . . Poeh.'

Je hebt feedback nodig, zegt hij. Van collega's ook. Dat is leuk van deze periode in het leven. 'Ik zie het een beetje als een draaideur. Iedere keer kom je weer in een nieuw compartimentje, neem je weer een driehoekje erbij. Nu heb ik die fase achter me van: mekaar beloeren, bekijken, wedstrijdje - dat is niet meer.'

'Nu is het: wat heb je elkaar te melden, joh. Life is short. De een kan iets wat jij niet kunt en omgekeerd. Klaar. Waar ik op hoop is dat we elkaar zo vaker weten te vinden met stukken en plannen. Zonder dat je op elkaars lip hoeft te zitten in een vast gezelschap. Zoals nu, ben ik ook weer in gesprek met Ronald Klamer. Of wat een idee zou kunnen zijn is kant en klare pakketjes aanbieden aan een producent; je belt elkaar en creëert onderling cast, regie, scenario. Zo een los-vaste opzet. Ja! dat zou weer een tijdje gelukkig kunnen maken.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden