Televisie kan niet zonder amusement

Het media-rapport van de WRR miskent de waarde van ontspanning voor de publieke omroep, zegt Harry Kramer. En de rol van marktpartijen is per definitie begrensd....

Het woensdag verschenen mediarapport Focus op functies van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) is in menig opzicht zeer het lezen waard. Maar als je doordenkt hoe de 'focus op functies' in het mediabeleid gestalte moet krijgen, blijkt het een Haags concept dat te weinig oog heeft voor de realiteit van mediabesturen en omroepbedrijven.

Een hoofdlijn in het rapport is dat de rol van commerciële media door de overheid meegewogen moet worden bij het realiseren van publieke belangen. De WRR doelt dan op commerciële radio en televisie. Het overheidsbeleid zou zich over de commerciële en de publieke media moeten uitstrekken als waren het communicerende vaten.

Deze redenering klinkt aantrekkelijk, maar stuit snel op grenzen. Ingrijpen in marktverhoudingen moet expliciet juridisch worden verantwoord en overheidsfinanciering is al gauw staatssteun. Wie commerciële omroepen een publieke opdracht wil geven, komt niet ver, vanwege de Europese regels voor het vrije handelsverkeer.

Ik denk trouwens dat de internationale radio-en televisieondernemers die in Nederland actief zijn, hier ook niks voor voelen. Want als het serieus wordt aangepakt, is sprake van overheidsbemoeienis met rechten en plichten, en daar houden die marktpartijen niet zo van. Commerciële partijen zijn naar hun aard ook niet goed uitgerust om 'publieke' programmering te produceren. En zij blijven afhankelijk van aandeelhouders en adverteerders en van wisselende conjuncturele omstandigheden.

De mogelijkheden van de markt zijn dus beperkt. Ook is de mediamarkt geen wetenschappelijk laboratorium waarin men kan 'experimenteren' met nieuw beleid, zoals de WRR suggereert. De wet van de communicerende vaten moet wel werken, anders moet je het niet doen. Zolang de overheid geen harde garanties heeft dat haar doelstellingen ook via commerciële media worden bereikt, is het verstandig de publieke voorzieningen op niveau te houden, anders komt de Nederlandse samenleving als verliezer uit de bus.

Daarmee zijn we aangeland bij de rol van de publieke omroep. Volgens de WRR is amusement geen kerntaak van de publieke omroep. Hooguit is er ruimte voor vermaak met goede bedoelingen, zoals vroeger het functionele bloot in films. Hoe je het ook wendt of keert, het wezen van het fenomeen televisie is dat het mensen ontspanning en informatie biedt. Daarom kijken mensen. Televisie zonder ontspanning is alsof je een brommer krijgt, maar er alleen op mag fietsen. Ver kom je daar niet mee.

Waar de WRR aan voorbijgaat, is het effect op het bereik van de publieke omroep. Lager opgeleiden, jongeren en gezinnen in het spitsuur van hun leven zullen als eerste afhaken. Als de WRR aan de publieke omroep belangrijke maatschappelijke taken toekent in het kader van sociale samenhang, dan moet er ook naar gekeken worden.

De WRR spreekt zich tevens uit over de gewenste organisatie van het publieke bestel. Dan slaan de auteurs wel erg aan het tekentafelen en modellenblazen. Gelukkig serveert de WRR de eerste twee modellen, een met minimale verplichtingen en het oude idee van programmafinanciering, zelf al af. In de organisatiemodellen wordt de publieke omroep opgedeeld naar functies. Een centrale organisatie voor nieuws, naar ik aanneem de NOS, en daaromheen een ring van omroepverenigingen voor opinievorming.

Dat lijkt mij een opmaat om de oude tegenstellingen tussen nationaal en verzuild nieuw leven in te blazen. Als de WRR vervolgens kunst, educatie en andere taken wil aanbesteden, wordt de organisatie verder versplinterd. Met een vermenigvuldiging van digitaal en interactief aanbod in het vooruitzicht, is dit gespeend van medialogica.

Om in de toekomst zichtbaar te blijven met herkenbare kanalen, is juist versterking van het bedrijf Publieke Omroep noodzakelijk – niet een versplintering daarvan. De WRR geeft nergens aan wat het betekent dat het doel van een strak samenwerkende publieke omroeporganisatie wordt verlaten, terwijl de visitatiecommissie van Rinnooy Kan onlangs heeft geconcludeerd dat de som van het geheel meer moet zijn dan de delen. En hoe moet het nu verder met het wetsvoorstel van OCW-staatssecretaris Van der Laan (Media) die de sturing in het publieke bestel wil versterken?

Binnen de Publieke Omroep heerst een ondraaglijk tekort aan leiderschap. Sterke mannen en vrouwen genoeg, maar het ontbreekt aan wilskracht en visie hoe men zich moet organiseren in het zicht van verdere digitalisering en fragmentarisering van de markt en het publiek. Dan zijn voor de publieke omroep heel andere zaken aan de orde dan de functionele focus van de WRR, zoals de opbouw van een rol als gids in het digitale domein, strategische samenwerking met commerciële media en de noodzaak van alternatieve, individuele financieringsarrangementen naast reclame op de open netten. Dat zijn de vragen die er in de toekomst toe doen.

Als de WRR de maatschappelijke functie van de media serieus neemt, dan hoort het uitgangspunt te gelden dat je de publieke belangen wettelijk waarborgt en niet versplintert. Overal in Europa – zie de BBC in Engeland en de VRT in België – blijkt dat daarvoor een sterke publieke omroeporganisatie nodig is met een brede programmering, plus een scherpe focus op bereik en innovatie in het digitale domein om ook daar publieke functies te vervullen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden